34. De man zonder ambitie (slot)


Eén dag voor zijn dreigende evictie uit Hotel Helvetia in Sint Petersburg, ging op kamer 696 de telefoon. Valery Domasov, de man zonder ambitie, lag, zoals hij zo vaak placht te doen, op dat moment op bed te lezen. Hij had geen haast om op te nemen omdat hij ervan uitging dat het die verdomde Tjersjev was. Hoezeer hij ook van hem hield, hoe mooi hij ook kon praten – en mooi praten kon hij, lang ook, eindeloos ging hij door – het zette voor Domasov persoonlijk geen zoden aan de dijk. Hij schoot er niks en niemendal mee op.

Aan de andere kant luidde de bittere waarheid wel dat Domasov nu op hem en op hem alleen was aangewezen. Hij zou bij zijn vriend intrekken, zo was het besloten. For the time being...

Zou hij afbellen? Nee, dat was niet zijn stijl. Hoewel...

Domasov had zijn bezittingen al bij elkaar gepakt, de koffers stonden netjes naast de kamerdeur te wachten op de kruier. Veel was het niet. Een koffer met kleren en toiletspullen. Een tas met een stapeltje boeken, Poesjkin met name, zijn korte verhalen kreeg hij geen genoeg van (zijn gedichten vond hij minder), Tsjechov uiteraard, Toergenjev, enzovoorts, Bulgakov niet te vergeten... de korte verhalen van Tolstoj... Het bekende rijtje. Nu las hij Bakoenin, op advies van Tjersjev (daar ging hij weer, er viel simpelweg niet onder het advies van zijn oude vriend uit te komen, maar ja, hij was wel gebiologeerd, to put it mildly, door de gedachtengang van de anarchist), God en de Staat, dat begon met een tirade tegen het geloof. Zijn idee. Maar eens zien wat er verder nog kwam. Of hij er wat aan had. Hij betwijfelde het. Maar boeiend was het wel. Lees: goed geschreven.

Zijn viool (al lang niet meer aangeraakt).

Zijn schrijfspullen (idem).

Verveeld nam Domasov de telefoon op. 'Wat nu weer.'

'Valery? Je vader hier. Hoe gaat het, mijn jongen.'

De lijn kraakte. De loodzware telefoonhoorn klopte tegen Domasovs schedel.

Hoewel Domasov reeds lang de middelbare leeftijd had bereikt, sprak zijn vader hem nog altijd aan met mijn jongen, misschien omdat hij enigkind was, misschien omdat zijn moeder jong was gestorven. Er was allang niemand anders meer geweest dan hij, Valery. De oogappel van de familie.

'Ik leef nog,' antwoordde Domasov naar waarheid. 'Bedankt voor de belangstelling.'

'Je woont nog in het hotel.'

'Dat is correct.'

'Je weet je dus te redden.'

'Zo zou ik het niet willen zeggen. Eerst stond ik in de lokale krant omdat ik was neergestoken, daarna stond ik in de lokale krant met mijn blote kont en vanavond neem ik mijn intrek bij Ivan Tjersjev.'

'Tjersjev, die oude boef? Leeft die nog?'

'Amper. Het zijn zware tijden.'

'Maar woonde die niet onder de Lomonosov Brug?'

'Bij wijze van spreken. Hij heeft een hutje niet ver daar vandaan. Er staat een kachel en een bed. Hij heeft water. Ik heb zelf mijn tandenborstel. Meer heeft een anarchist geloof ik niet nodig.'

'Je noemt je heden ten dage anarchist?'

'Hoe noemt u zich heden ten dage?'

Zijn vader schraapte de keel. 'Hoe noemde je je vroeger ook alweer... tijduitzitter...'

Domasov legde de hoorn in het kussen van het bed en keek op de klok. Het was drie uur. Tijd voor zijn middagdutje. Dat had zijn vader moeten weten. Hij deed er zelf toch ook een?

'Vader, wat is er gebeurd? Waarom heb je mijn toelage stopgezet? Wat waren dat voor een dingen die je niet meer kon terugdraaien?'

'Ik dacht dat je het nooit zou vragen mijn jongen.' Zijn adem piepte in de telefoonhoorn. 'Het goede nieuws is: de dingen blijken zich wel degelijk terug te laten draaien, ik moest alleen iets harder duwen. Binnenkort heb je weer geld. Hoe vind je die? Alles blijft bij het oude!'

Domasov zei niets.

'Waarom zeg je niets?' Domasov de oude hijgde van de opwinding.

'Wat is het slechte nieuws?'

'Er is geen slecht nieuws. Ja, de wereld staat op instorten, maar dat kan bezwaarlijk nieuws worden genoemd.' Hij lachte. 'Heb je nog nieuws voor mij mijn jongen?'

'Misschien dat ik met het geld dat ik bespaar Tjersjevs levenstandaard ook enigszins kan verhogen, als ik met hem samenwoon. O ja, en dat van Tatjana, zijn vriendin.'

'Een nobel doel mijn jongen. Ik sta altijd achter nobele doelen. Een ménage à trois. Op jouw leeftijd. Je moeder zou trots op je zijn. Het ga je goed mijn jongen.'

De oude Domasov had de verbinding verbroken; de jonge hield de hoorn, als een dood katje, in de lucht.

'Ik geloof in het absurde,' las hij hardop bij Bakoenin. 'Ik geloof daarin, precies en vooral, omdat het absurd is.'

Hij liet alles vallen, sloot zijn ogen en sliep in.