32. De man zonder ambitie (VI)




De man zonder ambitie lag in het Mariinsky ziekenhuis met negen steekwonden, in nek, buik en onderrug. Hij was buiten levensgevaar, maar veel had het niet gescheeld. De hele ochtend was hij geopereerd. Het was nu laat in de middag en de patiënt was weer enigszins bij.
'Uw vet heeft u gered,' zei Dr. Pritski, de dienstdoende chirurg. 'Als u geen speklaag had gehad, zoals bijvoorbeeld uw broodmagere vriend hier,' hij wees met de poot van zijn dikke bril op de ribben van Tjersjev die aan Domasovs bed stond, 'dan had het lemmet van het mes vermoedelijk de vitale organen bereikt. Dan waren de rapen gaar, dan was u op straat doodgebloed. Of u was aan interne bloedingen overleden, dan was uw hart leeggelopen in uw buikholte, of in uw longen –'
'Hartelijk dank voor uw uiteenzettingen, dokter Pritski,' sprak Tjersjev. 'Ik denk dat dit voorlopig genoeg informatie is. Als we u nog nodig hebben, dan weten we u te vinden.'
'Reken maar dat u mij nog nodig zult hebben!' baste Pritski omineus door de ziekenzaal, terwijl hij zich uit de voeten maakte, de panden van zijn jas, die ooit wit waren geweest, achter zich aanflappend als een gans. 'U bent nog lang niet van mij af!'
'Vreemde vogel,' zei Tjersjev. 'Maar hij en niemand anders heeft je leven gered.'
'Alle lof voor de heren medici die zich zo nobel inzetten voor andermans leven,' zei Tatyana, die ook was meegekomen. Domasov kon niet uitmaken of ze spotte of niet.
'Vertel nou eens even,' zei Tjersjev, 'wat is er in godsnaam allemaal gebeurd?'
Domasov, grotendeels in het verband, als een mummie, keek met een gepijnigd gezicht naar zijn bezoekers. Waarom had Tjersjev het nodig gevonden om Tatyana, met wie Domasov een romantische afspraak zou hebben op de ijsbaan, mee te nemen op ziekenbezoek? Hij bloosde. (Die functie van het hart bleek onaangetast.) Hij schaamde zich niet alleen voor zijn verschijning, niet alleen tegenover Tatyana en Tjersjev... Hij schaamde zich voor zijn persoon. Hij schaamde zich voor zijn bestaan. Maar hij probeerde hard, heel hard, niet te huilen. Voor eens in zijn leven. Als hij erin zou slagen niet te huilen... Tergend langzaam, met een piepstemmetje, en met pijnlijke trekken op zijn gezicht, vertelde hij wat er die nacht, vroege ochtend eigenlijk, gebeurd was, dat hij in een opwelling navraag was gaan doen bij een groepje mannen dat op straat stond te smoezen. Het bleken anarchisten, anarcho-syndicalisten, anarchistische socialisten of wat dies meer zij. Bakoenin-aanhangers.
'Jij dweept toch ook met Bakoenin?' zei Tatyana tegen Tjersjev.
'De belangrijkste eigenschap van de mens is zijn vermogen om te denken en om te rebelleren,' declameerde deze. 'Maar geweld keur ik af. Geweld is een zwaktebod. Geweld is alleen te rechtvaardigen als antwoord op ander geweld en zelfs dan vaak niet.'
'Is dat ook Bakoenin?' vroeg Domasov. Hij fronste zijn wenkbrauwen, maar dat deed pijn, dus ontspande hij ze weer.
'Nee, dat laatste is Tjersjev.'
Ivan Tjersjev werkte al zolang hij en Domasov vrienden waren aan zijn magnum opus getiteld Lof der chaos, maar Domasov was nooit overtuigd geraakt dat er van dat werk meer bestond dan de titel. Hij kon er wel onvermoeibaar een boom over opzetten. Als Domasov informeerde hoe zijn werk vorderde, zei Tjersjev: 'Mijn papier is op.' Niet zelden gaf zijn vriend zonder ambitie hem een pak briefpapier van Hotel Helvetia mee, maar die propte Tjersjev in zijn jas, tegen de kou.
'Wat had je dan verwacht, Valery, dat die lui je geld gingen geven? Aan jou, een vetgemeste aristocraat? Jij bent hun grootste vijand!'