Familie Teckel



Weshalve met vakantie? Om thuis te komen. 'Wie nooit weggaat, kan ook niet thuiskomen,' zei de zesjarige, verrast door haar eigen sofisme.
Ik zou hieraan toevoegen: voor de – o zo schaarse – onverwachte ontmoeting. Wij hadden er een, op dag 3 van onze 'wintersport' (denk: buiten gebruik zijnde liften en bananenbruine weiden) in een afgelegen blokhut in Winterberg, ook wel bekend onder de naam Schwedische Hütte (wie nu hoopt op stoombaden en groepsseks kan hier ophouden met lezen).
Wij kwamen er voor de tweede keer lunchen. De eerste keer, op dag 2, was ons goed bevallen, en niet alleen omdat we de enigen waren. 'Schade,' hoofdschudde de barjuffrouw, wijzend op de leegte.
Nu had het 's nachts flink gesneeuwd. Wij juichten. De kinderen en ik omdat we eindelijk konden roetsjen. Gnädige, omdat sneeuw haar gelukkig maakt (mij ook trouwens, afgezien van dat roetsjen).
Waar blijft de ontmoeting? Hier: we zaten nog niet aan tafel, of binnen trad een man en een vrouw met kind, een oudere man en vrouw, plus drie aangelijnde teckels. Wandelaars. Ze kwamen naast ons zitten.
Ik wees mijn kinderen op de sneeuwbolletjes die waren blijven klitten aan het bef- en borsthaar van de teckels. Heftig gekef viel mij ten deel.
'Niet wijzen,' zei de oudere vrouw. 'Daar houden ze niet van.' 'Ze' waren Sam, Moos en Bram.
Het gesprek ging over honden. Waar anders over? De oudere vrouw had het hoogste woord. De oudere man, die iets van een boskabouter had, hield zich afzijdig, knikte alleen af en toe. Totdat wij aanstalten maakten om te vertrekken. Terwijl ik mijn voeten in mijn snowboots werkte, leunde de man naar mij toe en fluisterde met een alwetende glimlach: 'Zit jij bij David Ogilvy?'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten