Huisconcertje



Tijdens het bezoek aan mijn ouders, die sinds kort op kamers wonen, kondig ik aan dat ik beneden in de gemeenschappelijke ruimte de piano ga uitchecken – vooral om iets te doen te hebben trouwens, om als het ware een cesuur in het bezoek aan te brengen –, zegt mijn moeder: 'Ga jij maar. Ik ga niet mee.'
Er zijn geestdriftiger reacties mogelijk op een spontaan recital van een familielid maar ik laat me niet kisten. Mijn moeder ook niet trouwens.
'De piano in de gemeenschappelijke ruimte, is die bespeelbaar?' vraag ik bij de receptie van Residence Hemelpoort.
'Jazeker,' zegt de mevrouw verantwoordelijk voor het culturele aanbod. Enthousiast vertelt ze over een bewoner met een Steinway bij wie huisconcerten worden georganiseerd. Alsof een engel het zo gepland heeft, staat de betreffende bewoner opeens voor mijn neus, en vraagt vanachter zijn rollator gevuld met boeken: 'Speelt u?'
'Niet zo goed hoor. U ook?'
'Allang niet meer, maar ik mis het zeer.'
Dan zeilt mijn moeder binnen, met mijn kinderen in haar kielzog. In no time zit ze aan de koffie met de Steinway-bezitter, een oud-apotheker van in de negentig, die tussen neus en lippen door vertelt dat zijn vrouw voor de trein is gesprongen maar dat hij daarvoor zelf nog geen reden ziet. Vervolgens zeilt zijn dochter binnen, die met mijn moeder blijkt te bridgen.
De wereld is klein, en wordt kleiner.
'Wilt u mijn vleugel zien?' vraagt de oud-apotheker, zijn wenkbrauwen naar mij fronsend.
Dat wil ik maar wat graag. Boven, in zijn ruime appartement, ruimer dan dat van mijn ouders, maak ik ruzie met mijn kinderen over wie zijn schitterende instrument mag bespelen. Ik win. Hopelijk komt het tot een huisconcertje. Ik begin alvast met studeren.

Pissflaps!



Ook de tweede aflevering van Sex Education (een tip van mijn zuster) viel niet tegen, al was hij weer aan de lange kant (hoe lang blijft een serie over seks op en rond een middelbare school, ook al is hij nog zo sexy geproduceerd, boeien?). Ik bleef haken bij het woord pissflaps. Dat kende ik nog niet. De context hielp niet erg: het woord werd geuit door een tiener die pesterig vanachter een lockerdeurtje tevoorschijn kwam. 'Pissflaps!'
De 'vertaling' – zou de ondertiteling van deze serie meer behelsen dan Google Translate plus één correctieronde? Ik vrees van niet) – luidde 'pisflappen'. Ook niet erg behulpzaam.
Zover was ik zonder Google Translate ook nog wel gekomen.
'Weet jij wat pisflappen zijn?' vroeg ik aan mijn bed-, wc- en Netflix-genote.
Ze schudde haar hoofd ten teken dat ik mijn mond moest houden. Ze meende terecht dat gebrek aan kennis van het woord pisflappen het waarderen, of in elk geval uitzitten, van de tweede aflevering van Sex Education (wat een geweldige Gillian Anderson trouwens, wat een geweldig huis en wat ziet Wales er geweldig uit), niet in de weg staat.
Eindelijk was het afgelopen – ik ben geen binge-kijker, ook niet van een programma dat over seks(therapie) gaat – en kon ik zonder iets te hoeven missen mijn telefoon raadplegen.
De onvolprezen urban dictionary vermeldde: schaamlippen.
D'oh!
'Worden die dan per definitie nat bij het plassen?'
Mijn bed-, wc- en Netflix-genote knikte. 'Wil je het zien?'

Familie Teckel



Weshalve met vakantie? Om thuis te komen. 'Wie nooit weggaat, kan ook niet thuiskomen,' zei de zesjarige, verrast door haar eigen sofisme.
Ik zou hieraan toevoegen: voor de – o zo schaarse – onverwachte ontmoeting. Wij hadden er een, op dag 3 van onze 'wintersport' (denk: buiten gebruik zijnde liften en bananenbruine weiden) in een afgelegen blokhut in Winterberg, ook wel bekend onder de naam Schwedische Hütte (wie nu hoopt op stoombaden en groepsseks kan hier ophouden met lezen).
Wij kwamen er voor de tweede keer lunchen. De eerste keer, op dag 2, was ons goed bevallen, en niet alleen omdat we de enigen waren. 'Schade,' hoofdschudde de barjuffrouw, wijzend op de leegte.
Nu had het 's nachts flink gesneeuwd. Wij juichten. De kinderen en ik omdat we eindelijk konden roetsjen. Gnädige, omdat sneeuw haar gelukkig maakt (mij ook trouwens, afgezien van dat roetsjen).
Waar blijft de ontmoeting? Hier: we zaten nog niet aan tafel, of binnen trad een man en een vrouw met kind, een oudere man en vrouw, plus drie aangelijnde teckels. Wandelaars. Ze kwamen naast ons zitten.
Ik wees mijn kinderen op de sneeuwbolletjes die waren blijven klitten aan het bef- en borsthaar van de teckels. Heftig gekef viel mij ten deel.
'Niet wijzen,' zei de oudere vrouw. 'Daar houden ze niet van.' 'Ze' waren Sam, Moos en Bram.
Het gesprek ging over honden. Waar anders over? De oudere vrouw had het hoogste woord. De oudere man, die iets van een boskabouter had, hield zich afzijdig, knikte alleen af en toe. Totdat wij aanstalten maakten om te vertrekken. Terwijl ik mijn voeten in mijn snowboots werkte, leunde de man naar mij toe en fluisterde met een alwetende glimlach: 'Zit jij bij David Ogilvy?'

Wat ik voor mijn verjaardag kreeg



* Een huilbui om acht uur in de ochtend (van de zesjarige die vond dat de festiviteiten te traag op gang kwamen)
* Het Grote Poep Boek, van de tienjarige
* Met de wereld in de rug, van Thomas Melle (vanwege het omslag, en ook wel een beetje het thema: manisch depressiviteit)
* Een nieuw sociaal cohesiebankje model strafbank (ik bedoel bananenbank)
* Verhaalideeën van schrijfstudenten met zelfmoord in de hoofdrol
* Chocolaatjes van weer andere schrijfstudenten met de oorlog in de hoofdrol, en een boekenbon
* Een 💖 van de informaticus (die volgens mij iets leuks had geslikt)
* Een geplande beleving van mijn gesprekspartner sinds '83, die echter wegens de dood van de uitvoerend artiest geen doorgang kan vinden
* Een opgewerkt telefoontje van mijn vader
* Barolo van de buurvrouw
* Hagelswag van de buurman
* Op mijn kop van lieftallige omdat ik kritiek uitte op het comfort van het sociale cohesiebankje
* Wein, Weib und Gesang

Euthanasie

Kazuaki Horitomo Kitamura

Ik had wel eens een muis in een bar gezien, ik had wel eens een kat in een bar gezien, maar een muis en een kat in een bar, nee. De barjuffrouw begon te gillen. Niet van angst, meer van opwinding, denk ik. Of van: iemand, doe iets.
Wij keken alleen maar. Een bekend tafereel. De wreedheid der besnorhaarde spinner. De muis die, met haar onderlijf aan gort, nog heel even probeert vooruit te komen, als een militair in een vreselijk vuurgevecht, ik denk de Eerste Wereldoorlog.
De kat in de bar had ondertussen alweer zijn interesse in de muis verloren, of hij was geschrokken van het theater waarvan hij plotseling het middelpunt vormde. Twee mannen stonden vrijwel tegelijk op, dat was het vreemde, twee mannen van twee kanten, vrijwel tegelijk stonden ze op en bogen zich over de stervende.
Toen werd kennelijk in een fractie van een seconde, op een mij volkomen vreemde alpha-male achtige manier besloten, wie het zou gaan doen: die ene met dat donkere hipsterbaardje en die dopmuts op. De ander liep weg, zonder iets te zeggen, het leek voor hem geen erezaak.
De hipster nam een aanloop, of hij concentreerde zich, of, waarschijnlijker, hij maakte zich op om een zekere beschavingsgrens te overschrijden. Zij die op het punt stond te worden geëuthanaseerd verroerde zich niet. Ze zag de schoen niet aankomen, of ze verlangde er hevig naar, dat hoop ik voor haar. De hipster ging bovenop haar staan, en trapte haar toch nog met tederheid dood. Hij pakte haar aan de staart op, liep de deur uit en slingerde het lijkje de straat op.
Applaus en gratis bier voor de moordenaar.

Heben we gehuild? Neen.



Er is nog hoop: met mijn tienjarige heb ik zojuist Alleen op de wereld in de integrale vertaling van August Willemsen dichtgeslagen en we zijn er allebei kapot van. Niet alleen is het hoopvol dat een roman uit de 19e eeuw nog tot verbeelding spreekt, maar ook dat een pre-puber, verslingerd aan de instant gratification van het gamen, het geduld weet op te brengen voor een verhaal dat J.K. Rowling had samengevat in één hoofdstuk, maar dat Hector Malot uitsmeerde over vijfhonderd dichtbedrukte pagina’s.
'Wanneer de verteltrant ons nu wat traag en omslachtig overkomt,' schrijft vertaler August Willemsen in zijn nawoord, 'is dit deels toe te schrijven aan de tijd waarin Malot schreef, deels aan het feit dat veel van zijn romans in eerste instantie als feuilleton verschenen, wat het creëren van suspense vereiste.’
Willemsen doet weinig om die trage, omslachtige beschrijvingen op te ketsen, bijvoorbeeld door wat vlotter, bondiger taalgebruik. Hij verkiest steeds de plechtstatige formulering boven de alledaagse, en dat is goed voor ons vocabulaire, maar schrikt wellicht menige lezer af. Tijdens het voorlezen kreeg ik zin om het zoveelste gebruik van 'zo' in de zin van 'als', of 'niettegenstaande' of 'ofschoon' te versimpelen, maar het was niet nodig. Integendeel, het verrijkte de leeservaring.
Alleen op de wereld is een betere titel dan Sans famille. Quizvraag: zijn er meer vertalingen van titels van klassiekers die beter zijn dan het origineel?
Jawel, u mag hieronder reageren!
Hebben we gehuild? Neen. Wel had ik af en toe een brok in de keel, en hoorde ik hoe mijn toehoorder in bed meeleefde met Rémi, Arthur, Vitalis en Capi en Mattia en Lise en al die anderen. Dit is misschien een verschil met vroeger. De gepresenteerde ellende (vooral de scène in de ingestorte mijn is bloedstollend en hartverscheurend) is heftiger, onze eeltlaag dikker. We hebben het zogenaamd allemaal al eens gezien.

Vaarwel, eten! (snif)

Deze man geloof ik niet

Om 9 uur 's ochtends nam ik het door de informaticus voorgeschreven anti-honger poeder, twee schepjes met water aangelengd tot een papje (een koud papje) met de vage smaak van koffie, en verdomd, tot laat in de middag voelde ik geen enkele behoefte om te snacken, te grazen, te knabbelen of wat voor eetbaars dan ook in mijn mond te steken.
Af en toe had ik kleine oprispingen, ontsnapten er weeïge boertjes; dat was, verteringsgewijs, het enige.
Ik voelde me ziekjes. Ziekjes bij associatie, denk ik nu. Wie ziek is verliest zijn eetlust en dat was precies wat er met me aan de hand was.
Iemand die zo van eten houdt, voor wie eten misschien het enige is (naast misschien heroïne spuiten), die het leven de moeite waard maken, raakt hiervan in de rouw. Als ik vanaf nu af aan alleen nog maar anti-honger poeders tot me zou nemen – en waarom zou ik dat niet doen; erg veel pleit ervoor – zou ik nooit meer boodschappen hoeven doen, in de keuken hoeven te zwoegen, en, misschien wel het belangrijkste, nooit meer aan tafel hoeven te gaan.
Aan tafel! Ik hoor de stem van mijn moeder nog van onder aan de trap... en de mijne, tegen mijn schermverslaafden...
Ik ben opgevoed met het idee dat aan tafel gaan, voor de avondmaaltijd wel te verstaan, het belangrijkste moment van de dag is. Een heilig moment. En nog, als ik in iets geloof, dan is het in het aan tafel gaan, de God van het aan Tafel gaan, de tafelgod.
Maar dat is dus binnenkort allemaal geschiedenis dankzij de razendsnelle wereldwijde verbreiding van anti-honger poeders die niet alleen goedkoop zijn, maar ook 'gezond' (vers is overigens anders), en goed voor het milieu (niet het criminele, dat andere; hoewel, waarschijnlijk vindt dit soort 'ultra fastfood' in de onderwereld ook gretig aftrek).
Jammer. We zullen onze levensvreugde ergens anders vandaan moeten halen.

Wel een leuk filmpje, trouwens.

Hoe te navigeren op een Schrijversvakschooldocentenborrel



Niet door bij binnenkomst in het grand café Otten te volgen de trap op want daar is de borrel niet, hij is op de begane grond, in een afsluitbare ruimte. Een hoek.
Aan de bar stuit je op Dros. Je zou de rest van de avond bij Dros willen blijven, maar dat doe je niet, je bestelt een fles bier en baant je een weg door de docentenkluwen naar achter, waar geen docenten zijn.
Even aan een statafeltje staan.
En dan?
Niets, wat dacht je?
Vanuit je ooghoek zie je Van de Pol en Sicking en Van den Berg, maar daar stap je niet op af. ('Hallo, wat vinden jullie van de stelling those who can do, those who can't teach?')
Je staart naar buiten. Het is goed om het thuisfront te ontvluchten, maar waar is Kapteijn, je vriend? Die zou er toch zeker wel moeten zijn? Argh!
Je gaat zitten. Hier blijven zitten, alleen aan een tafel, naast een schaal verlept garnituur, dat kan niet. Niet op een docentenborrel. Je besluit collega Van de Pol, dwars door het rumoer, een compliment toe te werpen, een welgemeend compliment (niet gemeende complimenten kunnen als een boemerang op je terugslaan), over haar Don Quichot-vertaling van alweer even geleden.
Beet. Van de Pol straalt, verhuist met Meeuse naar je tafel, een geanimeerd gesprek volgt. Je staat op voor een refill en dan is daar, de goden zij gedankt, Kapteijn, maar hij drinkt fris en moet weg. Voor je er erg in hebt, woon je een hoorcollege film en toneel van Lapinski bij.  'Ik wil onbekend blijven,' is een zin die nog even na blijft zingen.
Als laatste verlaat je, met Dros in de olie, het etablissement.

Spektakel in de Wouwermanstraat



In de file voor het stoplicht bij het Concertgebouw grijp ik maar weer eens naar mijn, eh, telefoon. Niet om te appen. Heb geen app, al jaren niet en bevalt mij uitstekend; anderen minder. Nee, geloof het of niet, ik poogde enkele dichtregels die me te binnen schoten voor het nageslacht te behouden.
Langszij verschijnt een motoragent. Hij gebaart dat ik hem moet volgen (ik hoef niet te stoppen middels het STOP bordje achterop want ik stopte al. Met alles.) Ik duw mijn telefoon in mijn kruis en volg gedwee. Ik kan moeilijk, à la Dukes of Hazzard op twee wielen rechts de De Lairessestraat in schieten, daarvoor ontbreekt mij de power (en de guts).
Motoragent gebaart naar rechts, de Wouwermanstraat in. Motoragent stapt af – baardje, zonnenbril, dit begint op Cops te lijken – en vraagt om rijbewijs en kenteken. Met hartkloppingen zoek ik in mijn beursje naar mijn rijbewijs en denk: heb ik wel mijn kentekenbewijs bij me? Mijn kentekenbewijs!
Motoragent neemt genoegen met mijn roze kaartje en steekt hem in zijn eh, nee. Hij houdt hem voor zich en tikt de gegevens over op zijn telefoon. Grondig zijn, natuurlijk. Ik kan niets anders dan ach'en en weeën, zuchten en verontwaardigd op het stuur kloppen. Een oudere man passeert, een echte Oudzuider, misschien was hij ook wel bij Nabucco, we kijken elkaar hoofdschuddend aan, we begrijpen elkaar. Geboeide schoolkinderen verzamelen zich. Spektakel in de Wouwermanstraat.
'U krijgt hoe dan ook een proces verbaal... Wilt u nog iets verklaren – hoeft niet,' zegt Motoragent.
'Ja. Dat ik stilstond. Voor het stoplicht.'
'O, dus u wilt liegen.'
Nee, denk ik, maar ik wil jou ook niet je overijverige zin geven. We weten allemaal waar overijver vroeg of laat toe kan leiden. Liever lui dan overijverig, als het aan mij ligt.
'Wat voor telefoon hebt u?'
Wat doet dat er nou toe?
Hij geeft me mijn roze kaartje terug. 'Nou, prettige dag nog hè.'
'U ook,' weet ik er tot mijn verbazing uit te persen.
Als het proces verbaal binnen is, ga ik hem aanvechten en als ik verlies, ga ik een dag of twee brommen. Ik verheug me nu al op.

Nabucco

Zoek de bevriende zangeres

Voor een dubbeltje op de eerste rang zat ik gisteravond, dankzij een bevriende zangeres en lid van het koor (niet: het corps, daar heb ik zelden iets aan gehad), bij Nabucco. Ik kon niet alleen de zangers in de ogen kijken en de stofdeeltjes uit hun kostuums geslagen zien worden, maar ik kon ook de musici in de orkestbak bespieden, zoals die fanatieke blonde violiste hier en die roodharige verleidelijk verveeld kijkende violiste daar en die... Cut! Ik bedoel de wapperende wangen van de dirigent als hij tekeerging op de bok. De oordoppen van de blazer achterin die als een beugel om zijn schedel was bevestigd. De twee harpisten die lang werkeloos achter hun pittoreske instrumenten zaten, even speelden, en toen ik weer keek waren opgelost in het zwart.
Kon ik de bevriende zangeres in het vijftigkoppige koor ontdekken? Met gemak. Ze was flink geschminkt, droeg een gigantische, vijvergroene baljurk met boothals en had haar haar in een streng over haar schouder hangen. Zag ze mij zitten? Als ik niet was komen opdagen was ik een dief geweest van haar portemonnee.
Abigaille, gezongen door Anna Pirozzi, die gehoorzaamt aan de oude operawet dat een stem moet zijn ingebed in vet, blies me uit mijn stoel. Wat een power! Hetzelfde geldt voor Zaccaria (Dmitry Belosselskiy). Als ik zo'n stem had, en zo'n projectie, zou er eindelijk eens naar me geluisterd worden... In de lage registers jammerde zijn vibrato, het deed me denken aan een stervende hond.
Na afloop, in afwachting van mijn weldoenster, keek ik vanaf het balkon van de foyer neer op het operagepeupel. Wit, van middelbare leeftijd, welgesteld en artistiek-beschaafd. Als je dat welgesteld weghaalt (en beschaafd misschien) dan is de omschrijving ook van toepassing op bovengetekende. Je vraagt je af hoeveel lijntjes coke, crystal meth en XTC je in de pauze moet aanbieden om iemand die niet wit is en niet van middelbare leeftijd naar dit soort voorstellingen te krijgen.


Inspectie



Met heel veel kranten, de scheurkalender van Peter van Straaten, een boek getiteld When Christians were Jews, dat we samen bij Atheneum hadden gekocht, en, niet te vergeten twee cornetto's (N. is verslaafd aan cornetto's), toog ik naar het perifere ziekenhuis waar ze was opgenomen na haar stroke van vorige week.
Ze was blij met de kranten (leg daar maar neer), de scheurkalender en het boek (o ja, daar was ik in bezig), en ook wel een beetje met mijn komst (wat leuk dat je helemaal hierheen bent gekomen), maar halverwege zei ze, bijna beschaamd: 'Mag ik een ijsje?'
Hadden mijn ijsjes de reis overleefd? Ik had geen ijsbox bij me, en ik had een beetje staan hannesen bij de koelkast in de koffiecorner van het ziekenhuis, op zoek naar een vriesvak.
'We hebben wel een vriesvak, maar daar mogen die ijsjes niet in,' zei een zwaar getatoëeerde verpleegster, die aan de koffie zat met haar collega's.
'Waarom niet?'
'Dat vriesvak is voor medische spullen. Hygiëne... Normaal was het geen probleem geweest maar we krijgen zo direct inspectie.'
'Aha. En die inspectie kondigen ze aan? Wat aardig van ze.'
'Ja, ja ze zijn heel aardig,' zei de verpleegster.
De ijsjes mochten wel in de koelkast.
Nu ging ik de ijsjes op N.'s verzoek uit de koelkast halen. Geen moment te vroeg, want ze waren aan het smelten, ze waren al aan het smelten sinds ik ze van huis had meegenomen. Gelukkig hielden ze nog wel stand. De ijsjes waren zacht. Precies goed. N. genoot ervan alsof ze nog nooit een ijsje gegeten had.

Verhuisd

Cour des élèves, meisjesinternaat Vught

Mijn ouders zitten erbij in hun nieuwe appartement in de stad alsof ze   n i e t   zesendertig jaar een comfortabele villa bewoonden met dito tuin in een ruim opgezette buitenwijk.
'Hoe bevalt het gelijkvloerse leven?' vraag ik aan mijn vader. Zoals bij elke vraag, doet hij vrij lang over het antwoord, maar ik geloof dat het hem bevalt. Mijn moeder ziet alleen maar voordelen, ook een strategie.
De naam van het complex nodigt uit tot grappen over het aanstaande einde, maar dat is een kleinigheid. Dat leeftijdgenoten je van de overkant van de straat vanachter hun raam aanstaren – ook daar valt mee te leven. De kamer is warm, ruim en licht, en onderhoudsarm, daar gaat het om.
Als we door de cour lopen, zegt mijn moeder: 'Dit doet mij een beetje denken aan kostschool.'
Groen is hier dun gezaaid. Er is een bescheiden terrasje. Er zijn geen parken of velden in de buurt. 'Je woont in het getto, net zoals wij,' zeg ik tegen mijn moeder. 'Alleen de rijken worden omringd door groen.'
Als voormalig postbesteller meen ik mijn ouders te mogen adviseren inzake de verhuisberichtgeving. 'Als je het via PostNL doet, ben je in één keer klaar.' Ik klink opmerkelijk monter over de Grote Pootuitdraaier. Ik pak de iPad erbij en loop door de keuzemenu's heen, alle mogelijke postverzenders moeten worden afgevinkt. Nu al weet PostNL meer over mijn moeder dan ik over mijn moeder weet. Bij het eindscherm aangekomen zeg ik: 'Dat is dan 44 euro. Voor zes maanden post doorsturen.'
Mijn moeder is verbijsterd. 'Denk je dat ik daarvoor ga betalen? Ben je nu helemaal mal!' Ze rukt de iPad uit mijn handen. We zijn weer thuis.

Jon Dorling

Foto Bart van Dijk

De meest excentrieke professor die ik heb gehad als student filosofie in de jaren tachtig van de vorige eeuw was zonder twijfel Jon Dorling. Deze man scheen briljant te zijn, want hij kwam uit Oxford, maar wij zagen hem toch in de eerste plaats als een wonderlijke, warrige figuur, die bijvoorbeeld in de gang van de faculteit wijsbegeerte A-viertjes ophing waarin hij het wereldraadsel oploste. Dorling weigerde in het Engels te doceren. Hij stond erop les te geven in het Nederlands, een taal die hij nauwelijks beheerste. Het resultaat was dat zijn hoorcolleges, die al niet uitblonken in didactische helderheid, nog moeilijker werden, of zeg maar gerust helemaal niet meer te volgen waren. Het duurde niet lang of niemand kwam meer opdagen.
Gisteravond, op een filosofen-feestje in Perdu, hoorde ik de volgende anekdote.
Dorling kwam zoals gezegd van de Universiteit van Oxford. Dit moet eind jaren zeventig zijn geweest. Kennelijk leed hij aan vliegangst, want hij reisde naar Nederland per schip. Tijdens de overtocht had Dorling zijn blik laten vallen op de decolleté van een medepassagier – iets te lang, kennelijk, want de man die bij haar was gaf Dorling een vuistslag in zijn gezicht.
Zodoende verscheen Dorling, als kersverse hoogleraar, ongetwijfeld voor veel geld binnen gehengeld door de Universiteit van Amsterdam, op zijn eerste college met een blauw oog.