5. Transpirerende Tricia



Bij het ontbijt kwam er een vreemde neerslachtigheid over me. Niets was er meer over van de aanvankelijke, toegegeven: enigszins kinderachtige opwinding over de aanstaande ontmoeting met Michael Q. Darling. Ik voelde niet alleen dat ik deel uitmaakte van een totaal zinloze onderneming, die mij niets zou leren, alleen maar veel geld en tijd zou kosten, maar ook dat ik mijn energie, mijn aandacht als schrijver op volstrekt de verkeerde zaken richtte. Nu kon niemand een schrijver vertellen waar hij zijn aandacht op diende te vestigen, of zelfs maar welke boeken hij moest lezen, of welke routines hij zou moeten hebben. Schrijven is als zeilen op open zee zonder kompas, ik hoorde mezelf het cliché net nog in de saaie ontbijtzaal debiteren tegen de allercharmantste serveerster, Tricia genaamd, althans dat stond op haar naambordje, die, toen ze hoorde dat ik uit Nederland kwam (zelf had ze ook verre Nederlandse voorouders) en zei dat ik in Parijs woonde en schrijver was nog meer van haar charme ten toon spreidde (dat ik niet zo zolang geleden was verweduwd liet ik maar achterwege). De charme zat vooral in de zoete zweetgeur die ze verspreidde, deze Tricia, maar ook bijvoorbeeld in haar tongpiercing, die me op meer dan een manier fascineerde. Terwijl ze een gepocheerd eitje voor me maakte, fantaseerde ik over een toekomst met deze getongpiercede, transpirerende Tricia. Wat als ik nooit meer terug zou keren naar Parijs, laat staan naar Nederland (daar had ik helemaal niets meer te zoeken afgezien van een sporadisch bezoek aan mijn uitgever als die iets te vieren had bij voorkeur zijn eigen verjaardag; voor de rest deed ik alles per email), en een appartementje zou huren in Dallas en af en toe iets ging ondernemen met Tricia, zou ik dan gelukkig zijn? Waarschijnlijk niet, maar dat was ik nu ook niet. Ik begon toch weer meer zin te krijgen in mijn ontmoeting met mijn doppelgänger, misschien kon hij mij vertellen welke kant het met mij op moest.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten