Respectloos



Terwijl mijn blondjes voetballen in de kille regen, zit ik in een kleine ruimte van de belendende club, die zo vriendelijk zijn kunstgrasvelden ter beschikking heeft gesteld, op een stoel te lezen. Er zitten nog meer soccer-moms in deze ruimte, die nog het meest wegheeft van een wachtkamer bij de tandarts, maar, moet ik er helaas bij vermelden (de relevantie zal straks blijken), ze zijn allemaal bruin en niet blond. Alle voetballertjes van deze club zijn bruin, terwijl de meeste voetballertjes van onze club, honderd meter verderop, blond zijn. Ik denk niet dat racisme daarvan de oorzaak is, of het moet een luie vorm van racisme zijn; soort zoekt soort. (Overigens is het wel zo, valt me op, dat een aantal fanatieke trainers bij deze club weer wit zijn, zul je net zien.)
'Wilt u alstublieft weggaan,' zegt iemand tegen mij.
Ik kijk op van mijn boek. Een bruine man van een jaar of dertig staat voor me. Hij heeft het inderdaad tegen mij. 'Waarom?'
'Dit is een privéruimte.'
Een privéruimte? En al zou het een privéruimte zijn, waarom zou dit arme voetbalvadertje dan niet mogen schuilen? Mi casa es su casa enzovoorts?
Schoorvoetend, mokkend, tsk-tsk-end, verlaat ik de ruimte – evenals trouwens een trosje witte voetbalmoeders met kleine, witte kinderen op de arm, dat niet zoals ik brutaal een stoel had uitgekozen maar zich in het halletje ophield.
Als ik buiten sta, voegt de bruine man me nog toe: 'Ik vind het respectloos, dat u niet meteen opstaat en weggaat.'
Ik kauw na op het woord 'respectloos' en dat is denk ik waar de rassenrelaties (wat een verschrikkelijk woord, maar er is geen beter) toch weer relevantie krijgen. Want tot het moment dat de man de term 'respectloos' in de mond nam, had hij net zo goed wit kunnen zijn, een witte zeikerd. Nu was het een bruine zeikerd – die het op het laatst niet kon laten de rassenkaart te trekken.
Maar dat ik daar überhaupt durfde te gaan zitten, getuigde in zijn ogen misschien wel weer van white privilege.


Seksleven

Bordspel van de Rutgersstichting

De vraag kwam onverwacht om het zacht te zeggen, als een harpoen uit de donkerte schoot hij op me af: 'Hoe is jouw seksleven?'
Ik zat ruimschoots na afloop van de herfstborrel van mijn uitgeverij in een luie fauteuil bij het nephaardvuur in de IJsbreeker min of meer per ongeluk in een huisgemaakte, in jus badende gehaktbal met Amsterdams zuur te prikken. Per ongeluk omdat ik al een keer naar huis was gegaan om halverwege terug te keren omdat ik een aldaar uitgedeelde Russische novelle was vergeten (ik keer altijd terug voor de Russische literatuur), het al laat was en mijn aanbiddelijke thuiszitter zei dat ze eten voor me had.
Ik keek de vragenstelster aan, een donkerharige vrouw van in de dertig met een scherpe neus en getatoeerde armen en een minieme, sardonische glimlach op haar gezicht, en begon uit te weiden over mijn seksleven.
Er waren nog twee andere vrouwen aanwezig: een redacteur, die ik nog nooit eerder gezien had maar met wie ik wel al buiten een gebietst sigaretje had staan paffen en een blonde vrouw met een kuiltje in haar wang, die net een contract had voor een boek over haar falen op de liefdesmarkt (waarin vast ook wel haar seksleven aan bod kwam); hoe dan ook, ze bleef verdiept in haar gebarsten telefoonschermpje.
Toen ik een stuk was gevorderd over mijn seksleven, wat toch, hoe je het ook wendt of keert, het seksleven van een getrouwde vijftiger met drie kinderen is, hoorde ik mezelf een aantal gemeenplaatsen debiteren over de verschillen tussen mannen en vrouwen. Er viel een stilte, maar geen lange, want ik oreerde alweer verder. Ik vond het een goede vraag, de vraag naar mijn seksleven, een vraag die ik niet zo vaak krijg, zeker niet in zo'n setting, maar pas toen ik naar huis fietste schoot het me te binnen dat ik de vragenstelster had moeten vragen naar haar seksleven.



Turks Fruit revisited



Het eerste wat me opviel na mijn herlezing van Turks Fruit – toegegeven: long overdue – was de ongehoorde vaart van Wolkers' vertelling. Elk hoofdstuk is een lange tirade, zonder alinea-indeling, de woorden blijven komen, als mitrailleurvuur. De auteur schakelt moeiteloos heen en weer in de tijd, en dit schakelen komt niet over als een bedachte literaire constructie, maar als natuurlijke, zeer menselijke chaos, het op en neer, het rafelige patroon van een verhaal zoals je ook in de kroeg aan je buurman zou kunnen vertellen.
Na tweehonderdpagina's en nog wat is het bam! afgelopen. De kanker van de heldin, haar kaalgeschoren kop met het luikje, Wolkers besteedt er maar weinig woorden aan. Des te harder komen ze aan, denk ik. Wie durft heden ten dage nog zo beknopt te zijn? Dimitri Verhulst comes to mind.
Het uitspinnen van scenes, dat in de literatuur zo populair is, en waar ik me ook wel schuldig aan heb gemaakt – zou dat de invloed van film en televisie kunnen zijn? Wolkers raast door de handelingen, met een enorme rijkdom aan anekdotes; T.F., schijnt om die reden ook wel een parelketting van anekdotes te worden genoemd, las ik in Onno Blom's biografie. Zelden werden in een boek zo gretig moppen getapt (wie voorziet zijn literaire meesterstuk van een motto uit Kuifje?). En laten we wel wezen, moppen zijn ook heerlijk, mits goed verteld, maar nogmaals, wie durft dat nog?
'Midden in de nacht werd ik wakker van de kou en zat toen met mijn pik in haar aars.' Dat is op het randje van de geloofwaardigheid, en afgezien van Wolkers' machismo en gebrek aan zelfspot is er weinig gedateerd aan de manier waarop er in T.F. wordt 'geërotiekt'.


De vinger

Hill and Adamson: The fairy tree at Colinton

Gisteren kreeg ik de vinger van mijn zelfgehuwde vrouw. Eerder al had ik de vinger gekregen van mijn zelfverwekte kind, maar dat was niet gemeend want onderdeel van een goocheltruc: ze hield haar opgestoken hand met de rug naar me toe en zei, de vingers één voor één aflopend, 'blaadje, blaadje, boompje, blaadje, blaadje. Blaas eens.' Ik blies. Alleen het boompje bleef overeind. De vinger van de zelfgehuwde vrouw kwam op de Damstraat ter hoogte van de Pillenbrug. Heb ik eerder gezegd dat het wel meevalt met het toerisme in Amsterdam, dat we niet moeten zeuren? Toen sprak ik zeker niet over de Damstraat en toen probeerde ik zeker niet met voornoemde vrouw en kinderen die straat door te fietsen in de richting van de Dam op een zonnige zondagmiddag in november. Gisteren probeerde ik dat dus wel en kreeg ik de vinger toen ik omkeek naar mijn vrouw nadat ik had moeten stoppen omdat de stapvoets bewegende auto's ons langzaam tussen autoband en stoeprand bezig waren te vermalen. Had ik niet een rustigere route kunnen nemen, over het Rokin bijvoorbeeld? Maar had ze dan niet gezien dat het fietspad langs de Amstel naar de Munt, dat ik, komende uit de Halvemaansteeg, wilde nemen, niet meer bestond, dat dit fietspad zonder dat we waren geïnformeerd geruisloos was verdwenen in een voetpad vol toeristen? Nee, dat had ze niet gezien. Natuurlijk was hier sprake van shit, maar ik denk in zulke situaties: when shit happens, embrace shit. Zij denkt: when shit happens, blame husband. Er zijn meer mogelijkheden.

Een naar verhaal waar niemand op zit te wachten

Janos Valentiny: The beggar

Voordat ik het kantorencomplex van mijn agent betreed op de Korte Leidsedwarsstraat, word ik aangesproken door een jongeman die scheef loopt, scheel kijkt en vieze, kapotte kleren draagt.
Ik banjer al de hele middag door de binnenstad, iets wat ik iedereen kan aanraden die even niet meer weet wat hij met zichzelf aanmoet en die zich afvraagt waarom hij ook alweer in een stad als Amsterdam woont.
Dat van die  overlast van toeristen is onzin. Toeristen horen bij een stad als luizen op een kinderhoofd.
'Sir, can I ask you for some money, I haven't eaten yet, the place at the Leger des Heils didn't have the kind of food that I need.'
De jongeman houdt zijn hand open om te laten zien wat hij heeft: vijf cent. Een goede truc.
'Hoe oud ben je?'
'O, u spreekt Nederlands! Ik dacht dat u een toerist was, u ziet er zo toeristisch uit.'
'Dank je. Maar hoe oud.'
'Vijfentwintig.'
Ah, denk ik en haal mijn portemonnee tevoorschijn, die nu eens niet helemaal leeg is, – een meevaller – even overweeg ik hem €5 te geven, maar ik bedenk op tijd dat een donateur moet doneren naar draagkracht en niet naar dromenland, dus ik houd het op €2. Hij steekt het gretig in zijn zak.
'Denk je dat bedelen de toekomst heeft?'
Een deel van zijn scheve gezicht wil ja knikken, dan lijkt in een ander deel van zijn hoofd het kwartje te vallen en op de toon van een gestraft kind zegt hij: 'Nee.'
'Je zou het eens bij Oudezijds100 moeten proberen, een soort klooster op de wallen, daar kun je gratis eten en volgens mij ook slapen.'
Hij begint te stralen. Hij zou erachter aan gaan. Ik hoop niet dat ik teveel heb beloofd.
Als ik in het kantoor van mijn agent plaatsneem, hoor ik mezelf zeggen: 'Ik heb een titel voor het deel van mijn manuscript waar mijn uitgever niet doorheen komt. Een naar verhaal waar niemand op zit te wachten.'

Majesteitelijke lunch



Ik kreeg een dichtgetapete helm op mijn hoofd en werd voor de zekerheid nog even wat om mijn as gedraaid, nog altijd een vrije goede methode om mij te desoriënteren. Op geluiden kon ik ook niet meer afgaan, want door de oortjes in de helm hoorde ik alleen nog onduidelijke repeterende klanken die waarschijnlijk voor muziek moesten doorgaan. Men loodste mij de deur uit, zoveel had ik nog wel kunnen opmaken, een auto in, een voertuig moet je dan geloof ik zeggen, want het had net zo goed een bus kunnen zijn (geen koets). Volgde een rit die ik maar tot op zekere hoogte met de mentale kaarten in mijn hoofd kon volgen. Ik ben er vrijwel zeker van dat ze af en toe onlogische afslagen maakten, of zelfs rondjes reden, om mij nog verder van het pad af te krijgen. Na een uur of wat stopten we en mocht ik de helm eindelijk afzetten. De stilte was ronduit weldadig, en het licht zaligmakend. Ik was in een ruimte die heel erg op mijn huis leek, maar dit kon mijn huis niet zijn, want aan tafel zat de ZKH de koning, met naast zich HM de koningin. Ik wilde uitschreeuwen: wat doen jullie hier, ik geloof niet in overgeërfde functies, bovendien zit er een gat in mijn trui en moet ik hoognodig naar de kapper, maar in plaats daarvan schreeuwde ik niets, ik boog, ik kowtowde zelfs, heerlijk om dat ook weer eens te doen, en beleefde een opmerkelijk plezier aan het uitvoerig handkussen van HM de koningin, die helaas een lange witleren handschoenen droeg, maar dan nog. Ik meende dat ze me een goedkeurend kneepje gaf na afloop maar dat zal wel weer ingebeeld zijn. Ik mocht tussen ZKH en de HM plaatsnemen. Een lakei informeerde wat ik wilde drinken maar hij verontschuldigde zich meteen al, omdat er niet zoveel in huis was (dus het was toch mijn huis). Ik bestelde een kop rooibos, meer trek had ik ook niet. De koning, links van mij, veegde zijn lippen af, – hij had kennelijk een worteltje met hummus weten op te knabbelen, dat de lakei in de ijskast gevonden had –, en zei: 'Vertelt u eens, heer Viktor, wat houdt u dezer dagen bezig?' De geamuseerde glimlach die op zijn gezicht stond gebeiteld zal ik niet gauw vergeten.

Reader's block

Jan Jutte: Wat je niet allemaal kunt verzinnen

De aimabele receptioniste van mijn uitgeverij verzucht: 'Ik lijd denk ik aan reader's block.' Ze weet niet meer wat ze moet lezen; waar ze ook aan begint, het kan haar niet boeien. Er is ook zoveel. De stapels slinken niet, maar groeien. 'Ken je dat, Viktor, reader's block?'
Ik geloof het niet. Ik lees altijd, overal en van alles en nog wat, liefst door elkaar heen. Ik kan niet niet lezen. Ook een afwijking.
Ik kan de rust niet vinden om te lezen, zegt ze. En waar moet ik aan beginnen? Wat moet ik uitlezen, wat moet ik na zoveel pagina's laten schieten?
Wat te lezen is inderdaad een lastige vraag, om nog maar te zwijgen over wat uit te lezen.
Waarom eigenlijk lezen? Dat laat zich m.i. aldus beantwoorden: je leest om jezelf te vergeten. Selbstvergessenheit heet dat bij Thomas Mann. Tuuk, met film kan het ook, met theater, het circus en wat al niet, maar literatuur lijkt gemaakt voor dit doel, de intieme relatie tussen schrijver en lezer enzovoorts. 'Lees een klassieker,' probeer ik nog. 'En als je het echt niet meer weet, grijp dan terug naar de sprookjes van Andersen. Die doen het altijd. Daar is niet lang geleden een schitterende uitgave van verschenen, geïllustreerd door Jan Jutte en in het Nederlands vertaald door dr. Annelies van Hees.
De receptioniste zal het overwegen, keert terug naar haar telefoon.
Mijn redacteur verschijnt. Mijn uitgever. Ik ben op de uitgeverij om mijn volgende roman te bespreken. Wat blijkt? Voor het eerst in mijn schrijverscarrière krijg ik te horen dat mijn manuscript, althans een belangrijk deel ervan, niet om door te komen is.

Hond

Art and Dogs
Lavinia Fontana: Portrait of a noblewoman


'Pappa, mag ik een hond?' Mijn zesjarige zit voorop de fiets op weg naar school. 'Ik wil zo graag een hond! Toe nou, mag het?'
Ze weet dat ik haar niet nu al die hond door de neus ga boren, ze weet dat ik dat onnodig wreed vind, om die droom nu al aan diggelen te slaan, dus ze zeurt door. Ze is goed in zeuren en drammen trouwens, ik vraag me af van wie ze dat heeft (nee, dat vraag ik me niet af).
Ja, een hond, die willen we allemaal wel, maar we wonen te klein. 'We kunnen zelf nauwelijks onze kont keren in huis, laat staan met een hond erbij. Bovendien we hebben al een rode kater. En trouwens, wie gaat die hond uitlaten? Jij misschien de eerste paar keer, maar als de nieuwigheid eraf is, zijn wij de klos. Ik ben dol op wandelen, maar niet op commando.'
'En als de poes er niet meer is?'
'Ja, als de poes er niet meer is, dan is er een nieuwe situatie. Dan kunnen we het er misschien weer over hebben.'
Wacht even, suggereert mijn zesjarige hier dat we het ene huisdier alvast richting huisdierenhemel zouden kunnen dirigeren om plaats te maken voor het volgende?
Ik denk aan mijn eigen hond, die kwam toen ik zeven was en die mijn jeugd draaglijk maakte. Nee, ik ben de eerste om toe te geven dat het onthouden van een hond aan een kind grenst aan emotionele verwaarlozing, maar, nou ja, enzovoorts. Er zijn nogal veel honden, overal. Genoeg eigenlijk. En je weet nooit of er een bij zit die jouw kind doodbijt.
Die middag, alsof de God der Honden ermee speelt, zie ik op de Reguliersgracht mijn oude hond lopen, dat wil zeggen: een kopie. Ook een lichtbruin exemplaar, ook niet helemaal ras, waarschijnlijk, en ook nog in bezit van staart (die destijds nogal eens werd 'gecoupeerd'; jakkes, ik hoop dat dat dankzij de PvdD tegenwoordig verboden is).
Ik buk om te aaien. 'Leuk beestje, zo een had ik ook vroeger.'
'Ja, echt een héérlijke hond!' kraait de hondenbezitster, een vrouw van in de veertig, met wapperend haar. 'Hij komt ook bij mij in bed! Héérlijk!'
Too much information.

Dankwoord




Gisteren kreeg ik een lintje. In mijn linkerhand. Het was niet helemaal onverwacht dat ik zou worden onderscheiden wegens bewezen diensten aan de lieve stad; toch was ik verrast door het tijdstip en de vormgeving. Het was een satijnen lintje, dubbelgestrikt (kennelijk uit zorg voor wegwaaien of in verkeerde handen vallen). Ik was er blij mede, met mijn lintje, maar ik was tegelijk bedroefd omdat ik wist dat het lintje niet kon blijven, ik moest het teruggeven aan de gemeenschap, en ja, al ruimschoots voor mijn dood. Wie al te lang blijft hangen, leunen, rusten op zijn lauweren, komt niet meer vooruit en kan net zo goed meteen temidden van zes planken plaatsnemen. Dus ik wierp het lintje al fietsend over mijn schouder, fietsend door de Pijp, een toepasselijke wijk om lintjes over de schouder te werpen. Ik heb niet omgekeken, maar wel nagedacht, omdat ik altijd nadenk. Het lintje was en werd een soort luchtpost zoals luchtpost bedoeld is en ik houd erg van luchtpost, ook van flessenpost trouwens, er wordt te weinig lucht- en flessenpost verstuurd dezer dagen naar mijn bescheiden mening, we kunnen denkelijk niet meer tegen de onzekerheid, enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen, maar laat me met een vrolijke noot eindigen.

Reflecties



Ik zat precies op tijd in het nieuwe restaurant op het nieuwe plein en probeerde niets te doen. Eigenlijk was ik te vroeg, ik had nog wat rond gedraald over het plein, ik was hier nog nooit geweest. In het midden stond een kunstwerk. Vanuit de verte leek het op een samengeraapt zootje, troep die je zou verwachten bij de vuilcontainer: ijskasten, fietsen, een fauteuil, etc. Toen ik wat dichterbij kwam (het was donker), zag ik dat alle objecten in brons waren gegoten en toen ik nog wat beter keek, zag ik dat het een fontein moest zijn (want gaatjes). Ik liep om het geheel heen, nergens een bord met uitleg.
De ober die mijn jas aannam kon me ook niet verder helpen.
Hoe lang zat ik hier al aan dit tafeltje? Een paar minuten. En degene met wie ik had afgesproken had net laten weten nog een paar minuten later te komen. Was het mogelijk tien minuten niets te doen? Ja, dat was mogelijk, al dacht ik dat ik om die reden door belendende eters werd aangestaard. Waarom kijkt die man niet op zijn telefoon? Is hij niet nieuwsgierig naar wat er op zijn telefoon gebeurt? Gebeurt er niets op zijn telefoon?
Ik keek naar het wijnglas bier dat de ober mij had gegeven, ik keek naar het wijnglas in het spiegelende tafelblad, ik draaide het wijnglas om zijn as, ik draaide het andere glas, gevuld met kraanwater, om zijn as. Heel boeiende reflecties leverde dit niet op. Ineens schoot me te binnen dat ik kon googelen hoe het kunstwerk heette, ik pakte mijn telefoon, maar legde hem weer weg, want ik had me voorgenomen om niets te doen, al was het maar voor een paar minuten. Het voelde als een verlossing toen degene met wie ik had afgesproken eindelijk in mijn gezichtsveld verscheen.

Het kunstwerk (op het vernieuwde Stadionplein) is dus van Matthew Darbyshire en heet 11 Rue Simon Crubellier.

Toegankelijkheid




N., N.'s rollator en ik proberen het Allard Pierson Museum binnen te komen, wat nog niet meevalt. Komende vanaf Hotel de l'Europe gaan we een deur in waarboven Allard Pierson Museum staat, maar die eindigt in een steile trap naar beneden. Even verderop verschijnt er een Allard Pierson-ingang met een hellend vlak naar beneden. Aantrekkelijk. Eenmaal bij de balie aangekomen, krijgen we te horen dat we de hoofdingang moeten hebben, aan het begin, of het eind, van de Oude Turfmarkt.
Eerst maar lunchen, besluiten we, dat kan daar beneden namelijk ook, in de nieuwe lunchroom. Die is, op een verdwaalde studente en een vergaderend drietal na, leeg. Al snel blijkt waarom. Eten en sfeer hebben iets weg van een gevangeniskantine. Service is überhaupt afwezig, maar de prijzen zijn er dan ook naar.
N. duwt haar rollator hetzelfde hellende vlak weer op naar buiten. Bij de hoofdingang stuiten we op het klassieke trapgewelf, dat ik me nog herinner uit mijn studententijd. 'U moet een ingang terug hebben,' zegt een ongeschoren jongeman met een oorbel.
'Daar komen we vandaan, we werden hierheen gestuurd.'
De ongeschoren jongeman is zo vriendelijk ons te begeleiden. Opnieuw het hellend vlak af, langs de portier die dus ongelijk heeft gehad maar ja, dan de lift in. Eindelijk kan het bezoek aan de tentoonstelling, over de Egyptische huisgod Bes, waarvan wij geen van beiden ooit gehoord hebben, beginnen.
'Ik heb in deze gebouwen dertig jaar geleden nog colleges gevolgd in de Griekse tragedie bij Van Erp Taalman Kip,' zeg ik.
N.'s ogen lichten op. 'Die ken ik,' zegt ze.

De mens is de taart die zichzelf bakt en opeet en het recept is scheiding.



Pas laat in Lanark, de Schotse klassieker van Alasdair Gray  – wat een geweldige auteursnaam trouwens, een pseudoniem waardig–, roept iemand, misschien toch de hoofdpersoon, nadat hij eindeloos naar een volstrekt onbegrijpelijke speech heeft geluisterd waarin de geschiedenis van de beschaving min of meer wordt 'samengevat', gehouden door een zekere, leugenachtige Lord Monboddo tot een tamelijk absurde 'raadsvergadering': 'Die man is krankzinnig.'
Die conclusie had de lezer al in een eerder stadium kunnen trekken ten aanzien van de hoofdpersoon, die in een nachtmerrie terecht lijkt te zijn gekomen die maar niet wil stoppen.
Gelukkig is de hel die Gray laat neerdalen op Unthank (Glasgow), niet alleen wrang, eng en mistroostig maar ook bij tijd en wijle erg geestig. Nu kan een krankzinnig universum geestig zijn mits goed beschreven (zie Maarten Biesheuvel). Maar die binnenste buitenwereld moet niet alleen geestig zijn, maar ook gruwelijk. Het idee, of gevoel misschien eerder, dat de werkelijkheid je ontglipt, dat iedereen tegen je samenspant ('Dat je paranoïde bent wil niet zeggen dat ze niet tegen je samenspannen'), inclusief je dierbaren (of van wie je dacht dat ze je dierbaren waren), dat je niet tot werk in staat bent omdat je geest te vertroebeld is of omdat je simpelweg niet kan bewegen, of omdat je niet kan slapen hoewel je dodelijk vermoeid bent; dat je niet weet waar je heen gaat of waar je bent, dat je eigenlijk helemaal niets begrijpt van wat anderen om je heen aan het doen zijn en wat er van jou wordt verwacht... dit alles en meer wordt op geniale wijze verteld en verbeeld (Gray kan tekenen en schilderen en heeft proeven daarvan in zijn boek verwerkt) in Lanark. Een leven in vier boeken, onlangs in het Nederlands vertaald door David Grävling en schitterend uitgebracht door de liefhebbende uitgeverij Koppernik.

EXEXEX

Lanark begint al meteen unheimisch, macaber en somber, met Lanark die probeert in een duistere stad waar de zon nooit schijnt aansluiting te vinden bij handigere mannen dan hij zoals Sludden (ook alweer zo'n mooie naam) en sluwe vrouwen als Rima (een anagram van Irma, lijkt me). Hij bewoont een naargeestig appartement, bij een kreng van een hospita, ligt de hele dag in bed en vervuilt. Hij is niet eens in staat om alcoholicus te worden. Hij slaagt er 'gewoon' niet in zijn leven op de rails te krijgen, in geen enkel opzicht. Daarbij komt dat hij lijdt aan astma, en aan drakenziekte, zijn arm verandert langzaam in drakenhuid.
'Ik zat in de hel. Zonder ogen probeerde ik te huilen, zonder lippen te schreeuwen, en met alle kracht die mijn veronachtzaamde hart op kon brengen riep ik om hulp.'
Zo eindigt de gitzwarte, onheilspellende, maar prachtig surreële proloog van Lanark. Menigmaal vraag je je af als lezer in welke angstdroom je nu weer terecht bent gekomen; bij alles wat Gray verzint verbleekt W.F. Hermans' 'Manuscript in een gekkenhuis gevonden' maar ook Gogols, Tolstojs, Tsjechovs en Dostojevski's pogingen om gekte geloofwaardig weer te geven. Gray legt de gekte achter op je tong, je wordt gedwongen hem uit te spugen of door te slikken.
Tijdelijke verlossing volgt, na 130 pagina's, in Boek Een. Dit is een betrekkelijk traditioneel vertelde flashback naar de jongere jaren van de hoofdpersoon, nu Duncan Thaw geheten, die opgroeit met een liefhebbende vader en een zus (moeder overlijdt opeens). Hij slaagt erin om aangenomen te worden op de kunstacademie, zich te omringen met enkele eveneens getalenteerde vrienden en uit te groeien tot een redelijk succesvol beeldend kunstenaar. Deze kunstenaarsgeschiedenis duurt tot hoofdstuk 29 (van de 44), maar tegen die tijd heeft Thaw zichzelf natuurlijk alweer – excusez le mot – in een hoek geschilderd. Een opdracht die hij gretig heeft aangenomen voor een muurschildering in een kathedraal drijft hem tot wanhoop. Het is een groots en meeslepende opdracht, maar hij blijkt ook onmogelijk uit te voeren, zeker voor een jonge perfectionist als hij. Ondertussen wordt hij van de kunstacademie afgetrapt, en ook de kerk, zijn aanvankelijke mecenas, verliest zijn geduld met hem. Iedereen verliest zijn geduld met Thaw. Hij vergeet dat tijd een relatieve factor is, hij weigert in te zien dat ook kunst en liefde aan elkaar hangen van rafeligheid, van compromissen, van imperfecte samenwerkingen, van een beetje geluk hier en een beetje geld daar – net zoals het leven, trouwens. Zijn absolutisme wordt zijn ondergang.

EXEXEX

Zijn dit spoilers? Nauwelijks, lijkt me. De componenten die deel uitmaken van de plot zijn irrelevant. Gray bespeelt het orgel van de eenzaamheid. Niet alleen de eenzaamheid van de opsluiting, maar ook en vooral die van het er niet bij horen, het niet begrijpen van wat er aan de hand is, van het erbuiten staan – niet vanwege een gebrek aan intelligentie, eerder wellicht vanwege een teveel eraan – ja, de eenzaamheid van de goede bedoelingen. Wie zijn privéwereld en de maatschappij maar ook de kosmos wil doorgronden raakt makkelijk het spoor bijster. Leven is accepteren dat er niets valt te doorgronden; keep calm and carry on. Lanark protesteert zinloos tegen de zinloosheid en de wreedheid van het alledaagse, de idiotie van de traditie en de malle gebruiken, de inherente onrechtvaardigheid van het machtsspel dat alleen gewonnen, of zelfs maar gespeeld, kan worden door de tacticus die hij haat.

EXEXEX

Lanark, dat in 1981 verscheen en waaraan de schrijver, zelf van 1934, naar verluid dertig jaar heeft gewerkt, is niet alleen naar de inhoud maar ook naar de vorm een jaloersmakend goed geschreven en originele roman. Uiteraard bevat een boek waarin gekte een zo grote rol speelt allerlei vormen van recursie, van slangen die zichzelf in de staart bijten. Mooi is de scene waarin Lanark met zijn schepper, de Goochelaar, in discussie gaat over het einde van het boek. Lanark wil dat het goed afloopt met hem, maar de schrijver vindt dat niet zo interessant. Ze hebben verschillende belangen. Laat elke recensent en interviewer die naarstig op zoek is naar autobiografische elementen in een roman dit goed inprenten. Een schrijver legt de hoofdpersoon die hij wil zijn en tegelijk niet zijn op de pijnbank.
Over recensies gesproken, gewaagd is de 'recensie' die Gray alvast zelf geeft van zijn werk (niet mals). Potsierlijk wordt het niet, hooguit getuigt het van valse bescheidenheid, want ook grootheidswaanzin is de schrijver niet vreemd. Een heel hoofdstuk wijdt hij aan de diverse vormen van plagiaat die hij heeft gepleegd, en dit is misschien wel een spoiler maar een spoiler waar je wat aan hebt: hij sluit een register bij van alle schrijvers bij wie hij heeft geleend, gejat en gekeken. Dat alleen al is een mer à boire aan referenties, een literatuurhistorisch geschenk, natuurlijk valt het zwaartepunt bij Anglosaksische titels maar ja. Opvallend is dat hij Flan O'Brien, wiens The Third Policeman verwant is aan Lanark, meerdere malen aanhaalt.
Net als Ulysses kun je Lanark eindeloos herlezen, en, ook fijn, je kunt er middenin vallen. Lanark is niet verslavend omdat je benieuwd bent 'hoe het verder gaat' of hoe het zal aflopen (dat zou onzin zijn want het einde wordt alsmaar aangekondigd, op allerlei verschillende manieren; het is trouwens niet zo geruststellend als je misschien stiekem toch zou willen, en toch ontroert het), maar omdat het zo rijk is aan scherpzinnige inzichten, mooi geformuleerde zinnen en mantra's (zie de titel boven dit stuk).
Ongelooflijk hoe actueel de politieke discussie – hoe onnavolgbaar gevoerd ook – nog is, bijna veertig jaar na dato. Hoe idealistisch kan een mens zijn? Is engagement een uiting van domheid of juist intelligentie? De onmogelijkheid van de waarachtige politieke stellingname, maar ook het gevaar van opportunisme en lethargie, is een terugkerend thema.


EXEXEX




Volgens de flaptekst gaat Lanark vooral 'over de onmogelijkheid van de mens om lief te hebben en de innerlijke dwang om het te blijven proberen.' Geldt dat niet voor alle werken uit de moderne literatuur? Waarschijnlijk, maar het geldt in het bijzonder voor de kleine, schurende, meedogenloze subplot rondom Lanarks vaderschap. Wie dit boek niet leest is gek.

Dear Ella Vogelaar,



De afgelopen twee nachten sliep ik in een wijk die jou onsterfelijk heeft gemaakt, maar voor hoelang nog? Veel wees erop dat deze wijk drukdoende was jouw onsterfelijkheid van zich af te schudden. Het was een onwerkelijke ervaring. Het huis zelf kon niet anders worden omschreven als een dinkie-duplex. Weet je nog wat dinkie ooit betekende? Double income no kids. Dus: denk tropische regen douche, open keuken met Quoker, veel glas en vloerverwarming waar mogelijk. Wie 's ochtends bij het sippen aan de verse capo de moeite nam naar buiten te kijken, zag wel kids, maar weldoorvoede, onder de hoede van weldoorvoede opa's en oma's, omdat pappie en mammie moeten werken, en bouwvakkers, heel veel bouwvakkers, die in hoog tempo nog meer duplexen aan het bouwen zijn, voorzien van glasfiber en wat niet voor de aanstormende horden yuppen. Op de hoek het weldenkende mensen-café met veganistische brownies en zelfgemaakte limo. Waar zijn de kanslozen, Ella? Is hier dan niets meer dat jouw onsterfelijkheid rechtvaardigt? Doch. Ga de hoek om en bezoek de Aldi. Loop nog verder, langs het oude café op de hoek aan de ene kant waar oude stedelingen de tijd proberen stil zetten (rookruimte aanwezig), en het andere, iets minder oude café waar mannen met gezichtshaar bomen. Maar de sfeer is goed, Ella, de sfeer is heel goed, we laten ons niet van de wijs brengen door hipsters met deprimerende mutsen, parken die als vuilnisbelt worden gebruikt, schimmige hoekjes met dode zonnebloemen en eentonige, franjeloze nieuwbouw-straten – de moderne ghetto's – waar veel mensen, teveel mensen, niets te doen lijken te hebben. Ik wou dat je het kon zien, Ella, de veelgeroemde opwaartse werking van het nieuwe geld, maar ik dacht, misschien heb je het al gezien.

Vierendertigste werkdag



Wonderlijk wat een trip down memory lane kan losmaken bij een dementerende. Toen ik aan de oud-bibliothecaresse – thans woonachtig in de gesloten afdeling van een Amsterdams zorgcentrum – voorstelde om naar haar geboortegrond Barneveld te gaan, ontsnapte eerst een vloek uit haar mond. Daarna zei ze: 'Beslis jij maar.' Ik besliste Barneveld. Ze was er al dertig jaar niet meer geweest.
Eenmaal in het dorp spuugde ze het adres uit van haar ouderlijk huis. Het bleek om een statig pand te gaan zoals het een notabele betaamt (haar vader was tandarts); zij bewoonde, wist ze opeens, het kamertje met de uitbouw aan de zijkant, 'met uitzicht op het paardje van Van Essen'.
Ik reed de rolstoel door de tuin en belde aan. Een jonge vrouw deed open. We mochten even binnen kijken, maar dat had weinig zin, het huis was het afgelopen jaar volledig verbouwd naar de nieuwe esthetiek. Wel zat het luik er nog naar de onwaarschijnlijk krappe kruipruimte waar onderduikers hadden gezeten, vertelde de vrouw, maar die kon de oud-bibliothecaresse zich niet meer herinneren. Wel dat haar vader werd opgepakt wegens verzetsactiviteiten. Naar verluid was hij de enige tandarts van Gelderland in de oorlog.
Toen de oud-bibliothecaresse de schommel zag in de achtertuin, een enorm ding dat mij aan een guillotine deed denken, verscheen er een grote glimlach op het gezicht, een betrekkelijk zeldzaamheid. Ze hees zichzelf uit de rolstoel en schuifelde op de schommel af. Ik mocht haar op de plank tillen en een duwtje geven.
Het was mooi geweest om haar daar een uur te laten zitten, maar we moesten ter kerke. De Oude Kerk van Barneveld heeft vele deuren maar die waren allemaal dicht. Ik belde de beheerder, die zich in een mum meldde en ons lachend binnenliet.
'Waar zat je altijd?'
'Helemaal achterin,' zei de oud-bibliothecaresse.
'Nou, ga daar dan maar weer zitten,' zei ik.
Ze zat en zong: Ai laat mij niet van druk verkwijnen, leen mij een toegenegen oor...
'Vers 4, Psalm 84,' zei de beheerder, nog steeds lachend, 'ook een van mijn favorieten'.
Toen ik haar in de auto had geladen voor de terugreis kwam er nog wat opborrelen. 'Op dat veld kreeg ik een trap van Schaap.'
'Heb je een trap gekregen van een schaap?'
'Nee van Schaap, een jongen.'
'Wat had je misdaan?'
'Niets. Schaap was niet helemaal goed wijs.'

Mijn postbode †



In de krant stuit ik op een overlijdensadvertentie van een postbode geplaatst door PostNL. Een overlijdensadvertentie van een postbode, geplaatst door PostNL? Jawel. De postbode heet Ron Kleine. Maar wacht eens even, is dat dezelfde Ron die jarenlang bij mij de post bezorgde? Navraag bij een oud-collega leert dat dit inderdaad dezelfde Ron was. Hij was hem tegengekomen op de oncologie-afdeling van het AMC, waar hij een chemokuur zou beginnen. 'Dat heeft dus geen goed resultaat opgeleverd.'
Ik bleef altijd een beetje bang voor Ron en niet alleen omdat hij op zijn kale achterhoofd een tatoeage van een oog had laten zetten. Sommige mensen jagen schrik aan. Daar kunnen zij nix aan doen, denk ik, maar de hebber van de schrik 'dus' ook niet. Ondertussen is Ron Kleine wel dood, dus mijn gedachten gaan uit naar hem en zijn nabestaanden.
Ron bracht soms opvallend laat de post rond, maar goed, hij bracht wel de post rond. Hij had ook eigenzinnige leiderschapskwaliteiten, maar die heb ik alleen van horen zeggen.
Er komt een anekdote bij me naar boven, ook beschreven in Dagboek van een postbode (pag 75), namelijk dat Ron tijdens een KNJ-werkoverleg voorstelde om een mijnlamp te dragen tijdens het werk. Handig, want dan kun je in de donkere dagen tenminste zien wat je aan het doen bent, vooral ook in portieken en dergelijke. Toen vond ik dat voorstel nogal zot, maar zo zot was het eigenlijk niet. Mijn zoontje heeft inmiddels ook zo'n ding en ik sluit niet uit dat ik hem gebruikt zou hebben, als PostNL mij niet, zoals dat heet, had laten gaan.

De Koerdische zaak in Brooklyn




Bij mij om de hoek in Prospect Heights, Brooklyn, had je het Kurdistan Information Centre. Ik liep er wel eens naar binnen. In de donkere benedenverdieping van een brownstone had een praatgraag, geestig, van de hak op de tak springend weduwtje, Vera Beaudin Saeedpour heette ze, alle mogelijke boeken, tijdschriften, brieven, artikelen, foto's en andere artefacten van en over het Koerdische volk bijeengebracht. Die werden haar, zei ze, uit alle delen der Koerdische diaspora toegestuurd. Ik meen me te herinneren dat er in de volgestampte kamer ook nog een sabel hing, en een fez, maar die details heeft mijn brein er mogelijk bij verzonnen (waarschijnlijk dragen Koerden helemaal geen fez, beschouwen ze dat als een affront, en gebruiken ze geen sabels maar degens of weet ik wat).
Ze publiceerde ook twee wetenschappelijke tijdschriften.
Vera was een kleine vrouw die van grote beweringen hield. Haar KIC was uiteraard het belangrijkste in zijn soort ter wereld. Het Koerdische volk was het nobelste volk was dat ooit leefde. Ik kon dat allemaal niet controleren; ik kende geen Koerden (nu, dankzij de heerlijke immigratiegolf van 2015, heb ik een Koerdische kapper, en ik moet zeggen die is behoorlijk nobel).
Vera Beaudin Saeedpour was getrouwd met een Koerd en had bij de dood van haar man in de tachtiger jaren van de vorige eeuw beloofd zich vanuit Brooklyn in te zetten voor de Koerdische zaak.
Ik lees op Wp dat Vera in 2010 is gestorven en dat haar bibliotheek niet bij het grofvuil is gezet maar een plek heeft gevonden bij een Amerikaanse universiteit.
Als ik aan haar terugdenk, hoor ik haar fulmineren tegen Trump.

Gele doekjes



Met mijn zesjarige dochter draag ik mijn steentje bij aan de participatiemaatschappij door bij de buurvrouw op driehoog, herstellende van een heupoperatie, een kijkje te gaan nemen.
We bellen aan en jawel, na lang wachten verschijnt er een verfrommeld hoofd uit het raam. Ze is schrikbarend mager geworden.
'Ja?'
'We vroegen ons af,' roep ik door de toeter van mijn handen naar boven, 'of we even op ziekenbezoek mogen komen. Want we hebben je al zolang niet meer buiten gezien.'
'Wat?'
Ik herhaal onze missie.
Hoewel we haar wakker hebben gebeld, het is twee uur in de middag, zijn we welkom; sterker, als het haar daagt wat de bedoeling is, gaan alle deuren open. We nestelen ons op de bank van haar warmgestookte, verduisterde woning. Aan de muur foto's van hunks die haar zoon of zelfs kleinzoon zouden kunnen zijn geweest.
'Ik zie eruit als een oude heks.' Ze trekt aan haar rommelige, uitgelopen roodgeverfde haar, en inderdaad, in haar slaapshirt, en met haar ingevallen wangen, is de overeenkomst treffend, maar ik probeer, ook voor mijn dochter, de zonnige zijde te beschijnen en zeg: 'Als een oude fee.'
'Feeks!' maakt ze er onmiddellijk van.
Onderaan de achterkant van haar slaapshirt zit een natte plek. 'Ik ben incontinent,' zegt ze.
'Ik zie het. Misschien een nieuw verbandje?'
Ze gaat naar achter, even later verschijnt ze aangekleed en wel. 'Ik ben een nachtvlinder. Ik ga pas om 4 uur 's nachts naar bed. Ik kijk veel televisie. Ik heb geen pijn maar ben wel veel alleen.'
Met een geel doekje dept ze het plasje bij de bank op. 'Ik moet nieuwe gele doekjes hebben,' zegt ze.
Ik beloof die voor haar te halen. Dat is het minste wat een buurman kan doen.

Laatste sacrament

Matthew Teter: Olive oil and egg

'Maar ik ben oud hoor!' verzucht mijn moeder weer eens als ik gezellig bij mijn ouders op de bank zit.
'Hou daar toch eens mee op,' zeg ik. 'Niets wijst erop dat jij oud bent. Pa is oud en die hoor je er nooit over.'
'Nee, waarom zou ik,' zegt mijn vader.
Mijn moeder denkt cq. hoopt dat ze heel oud wordt. Dat zou wel eens kunnen. 'Ik heb iedereen overleefd,' zegt ze dikwijls, niet zonder trots, maar ze is de eerste om toe te geven dat dit ook zo zijn nadelen heeft.
'Willen jullie op jullie sterfbed bij wijze van laatste sacrament het heilig oliesel ontvangen?'
Geen gekke vraag dacht ik, voor zich noemende katholieken in de herfst van hun leven.
Mijn moeder kijkt dromerig voor zich uit. 'Ik vind het wel een mooi ritueel.' Ze was erbij toen haar beste vriendin het heilig oliesel ontving: de pastoor kwam, sprak enige gebedsteksten uit en bracht olie aan op het voorhoofd van de stervende.
'Slaolie?' wil mijn vader weten.
'Hè wat flauw,' zegt mijn moeder.
Ik lees op Wikipedia dat in het recept voor het heilig oliesel uit de Bijbel (Exodus, nota bene) als ingrediënt olijfolie wordt genoemd.
Ik lees ook, mijn moeder wist het al, dat het heilig oliesel, tevens als ziekenzalving wordt gebruikt.
'O,' zegt mijn vader, 'dus je krijgt die olie als je ziek bent. Word je beter, dan was het een zalving; ga je dood, dan was er sprake van het laatste sacrament. Twee vliegen in een klap.'
Pa is goed op dreef vanavond.

Sightseeing met extinctie

Bedreigd met extinctie: Ili Pika

Als we ons hebben geïnstalleerd in de taxi die ons van de Keizersgracht naar de St. Antoniebreestraat moet brengen, – pakweg 1400 stappen, ofwel een kwartiertje lopen –, begint de chauffeur zichzelf onmiddellijk te verontschuldigen voor de omweg die hij gaat maken: 'Stadshouderskade is dicht.' Een eerdere passagier, vertelt hij, ging uit zijn plaat vanwege de onhandige route. 'Ik heb de centrale moeten bellen om hem uit te leggen dat het niet anders kon.'
N. en ik hebben vooralsnog geen reden om de navigatiekunst van onze chauffeur te betwijfelen, dus we laten ons de vertraging zonder mokken aanleunen. Een taxi die omrijdt door Amsterdam is geen straf, dat is sightseeing.
Wat blijkt, de Stadhouderskade is gestremd bij het Rijks wegens een demonstratie voor het klimaat en tegen extinctie. Komende vanuit de Spiegelgracht zien we niets van de demonstratie maar alles van de pojisiebusjes, pojisie-motoren en welke pojisie dies meer zij om de demonstranten in toom te houden.
'Aan hoeveel demonstraties heb jij in je leven deelgenomen,' zeg ik tegen N., 'nul?'
'Daaromtrent.'
Ik één, de Grote Vredesdemonstratie van 1981. Vanuit de achtergebleven gebieden ging ik daar met mijn moeder heen, ook een vorm van sightseeing.
Twintig minuten later en twintig euro's lichter zijn we op de St Antoniebreestraat.
Ik vraag me af hoeveel extra uitstoot deze omweg heeft veroorzaakt en welke dieren, if any, hierdoor nog iets sneller richting hun extinctie zijn gedirigeerd.

Kunstinstallatie




Twee meisjes zitten bovenop een tot de rand toe gevulde container en wroeten in de troep. Waarom? Dat gaat me niks aan. Maar ik zeg toch: doen jullie voorzichtig, want er zitten planken bij met spijkers er nog in, en andere scherpe objecten.
Wie een dochter heeft, ziet overal dochters.
Gaat goed hoor, roepen ze. Maakt u zich geen zorgen.
Mooi, denk ik. Meisjes in de weer met bouwmaterialen. Beter dan met roze eenhoorns of die eeuwige paarden.
Als ik even later langs het parkje loop zie ik dat de twee meisjes in een boom zijn geklommen, vrij hoog, waar ze drukdoende zijn planken op takken te bevestigen, en andere spullen die ze uit de container hebben gevist.
Ik wil me ermee bemoeien maar houd voor deze ene keer mijn mond. Wat weet ik nu helemaal?
Een dag later kan ik het resultaat van de handarbeid van de meisjes bewonderen: twee scheve planken in de lucht, een zwarte cement-emmer die aan een touw bungelt en een onduidelijke plaat die waarschijnlijk eerder al naar beneden is gekukeld.
Van de meisjes is geen spoor meer te bekennen.

Toespraak tot de dieren


De neus



Nog zat ik niet aan tafel, het was op een verjaardag of ik voelde een neus in mijn kruis. Het is lang geleden dat ik een neus in mijn kruis voelde, met kleren aan. Het was een doortastende neus, een neus die zich niet liet negeren, een neus die op zoek was naar iets, maar wat dat was, wist de neus alleen.
Ik bracht mijn hand naar mijn kruis en duwde de neus uit mijn kruis. Ook dat was een noviteit, doorgaans wanneer ik een neus in mijn kruis bespeur is niet mijn eerste respons om die neus daar weg te halen.
De neus werd kennelijk afgeleid, in mijn kruis gebeurde te weinig, hij vond elders organen, lichaamsdelen of andere entiteiten om in te neuzen. Ik werd met rust gelaten. Maar niet voor lang, want toen het voorgerecht werd geserveerd, was de neus weer terug. Met hernieuwde kracht liet de neus zich kennen in mijn weke delen. Wat wilde de neus? Een snufje van dit? Een vleugje van dat? De neus liet zich er niet over uit, anders dan door te snuiven, te snuffelen en te sniffen.
Toen de neus zich voor de derde keer meldde, bij het toetje, dacht ik: genoeg is genoeg, ik zit hier te eten, ik ben op een verjaardag en niet die van mijn prostaat. Ik kneep mijn knieën bij elkaar niet ongelijk een reusachtige tang (reusachtig voor de neus) waarin de neus klem kwam te zitten. De neus was verrast, dit had hij niet verwacht. Alleen, het probleem was zoals zo vaak niet zozeer opgelost als wel verplaatst. De neus was succesvol gefixeerd inderdaad, hij kon niet meer naar me toe komen, maar hij kon ook niet meer weg.
Ik moest met de neus leren leven.

Piep-piep-kreun




Het zwembad was helemaal leeg, op één oude man na, die keurige baantjes trok, of nou ja, keurige baantjes, vooral wanneer hij een soortement rugslag probeerde, hetgeen eruit zag als een pasgeboren kuiken dat probeerde te vliegen, wilde hij nog wel eens flink uit koers raken. Het zwembad was groot, of nou ja, voor ons tweeën zeker; we wisten elkaar te ontwijken. Zodra ik zag dat de oude man, ik schatte hem tegen de honderd, weer in de rugslagstand ging, wist ik dat ik niet ook in de rugslagstand moest gaan. Zijn hoekige, uitdrukkingsloze hoofd, dat me aan dat van Brezjnev deed denken, zag er onverwoestbaar uit.
Ik dacht: die oude man is zo klaar, dan heb ik het zwembad voor mezelf.
Nooit had ik het zozeer bij het verkeerde eind. De oude man was absoluut niet van zins eerder klaar te zijn met zwemmen, hij was absoluut niet van plan om zich eerder uit het water te hijsen dan ik, hij zou het langer volhouden dan ik, ook al deed hij net of hij mij niet zag.
Ik dacht, ik ga een tandje lager, ik spaar mijn krachten. Ik zal hem in de lengte verslaan.
De oude man begon te neuriën, of piepend kreunen was het eigenlijk. Zeurderig, als om mij te tarten. Ik kon geen melodie ontdekken. Ik begon zo lang mogelijk onder water te zwemmen om zijn zeurderige, piep-piep-kreun niet te hoeven horen, maar dit putte me uit.
Toen ik keerde, omhoogkwam en het chloorwater uit mijn ogen wreef, zag ik hem recht op me af komen met zijn aandoenlijke, maar genadeloze rugslag. Als je biljartballen maar lang genoeg de gelegenheid geeft, zullen ze elkaar raken, al zijn ze daar helemaal niet op uit.
Ik koos voor schoolslag. Hij leek al neuriënd en kreunend mij te willen overrompelen, achteruit in zijn kuiken-rugslag, maar ik liet me niet kennen. Toen zijn hoofd recht voor me was, hij bood me zijn hoofd op een presenteerblaadje aan, en ik zijn oude armen voor de laatste keer door de lucht zag zwaaien, zette ik mijn handen op zijn knokige schouders en duwde hem met mijn volle gewicht net zo lang onder tot hij niet meer bewoog.

Topdag

De wonderen van LSD

Mede dankzij de miraculeuze oudewijvenzomer behaalde uw schrijfprostitué op het Museumplein gistermiddag een omzetstijging van 150 procent ten opzichte van vrijdag (waarop ik eigenlijk helemaal geen omzet had mogen behalen wegens de Global Climate Strike, maar dat terzijde). Zeker, ik ben nog enige omzetstijgingen verwijderd van een huis aan de Rivièra (niet de Amsterdamse), maar dan nog. Vijfenzeventig (75) boules! Met krap drie uur tijpen!
De dag begon goed met twee punky meisjes uit Chicago, de een broodmager met een neuspiercing, de ander botermollig met paars haar, die geïnteresseerd waren in een haatbrief. Eerst wilde de botermollige dat ik de brief zou toespitsen op haar baas, maar toen zei ze: ik heb liever een algemene brief, die me helpt als de nood hoog is. Ik tijpte er op los terwijl de Chicagoans geld gingen pinnen bij de Albert Heijn. Mijn brief kon haar goedkeuring wegdragen. Very good, this, zei ze, by way of catharsis.
Ondertussen hadden vier ouwe hippies uit Kansas City, drie vrouwen en een man, die net uit het Van Gogh kwamen, mij al zitten bestuderen vanaf het schuine grasveldje achter me. Een vrouw wilde dat ik een liefdesbrief schreef aan haar man, die thuis zat met zijn hond, een rolmops, and he likes to do acid. Die aspecten stopte ik in de brief. Hij werd geaccepteerd. Maar de broer van de man in het gezelschap verdiende ook een brief; hij werkte zo hard en was zo geestig – misschien was in hem een standupper verloren gegaan. Dus ik schreef een brief aan die broer, dat ik zo van hem hield, met de toevoeging, je zult wel denken, this coming out of Amsterdam, dat ik totaal gedrogeerd ben, maar dat is niet zo. Ik meen dit.
En nog was mijn topdag niet voorbij, want een charmant-verlegen haar tanden bloot glimlachende vrouw in spijkerbroek, met grote, smekende ogen, uit het oosten des lands, bestelde een excuusbrief. Ze had gedoe met haar ouders gehad en wilde het goedmaken, want ja, ze hield toch echt wel van ze. Mijn eerste Nederlandse cliënt! Zou het dan echt zo kunnen zijn dat onder al die jongens en meisjes van de koude grond, afstammend van boeren, geen gevoel voor drama, de liefde bespottend, enzovoorts, hier en daar warempel een exemplaar zit dat geporteerd is van, zoals een vriend mijn kommersjele proposietsie beschreef, een stukje ge-outsourcete emotie?

Écrivain public



Mijn eerste optreden als straatschrijver op een zonovergoten Museumplein gistermiddag was onmogelijk een daverend succes te noemen, dat zou te ver gaan gezien de omzet van €31 in drie uur, dat is amper minimumloon en dan heb ik de kosten (poster, briefpapier, tijplint) nog niet verdisconteerd, maar het was toch een alleszins, nou ja, interessant experiment.
Een stel jongens dat niet anders dan tuig kon worden omschreven, werd aangetrokken door het woord hatemail op mijn poster. Ze stonden lacherig om me heen. Gast, dus: kanker? vroeg de brutaalste, met een ontroerende plaatjesbeugel, kanker dit kanker dat? Ja, dat ook, zei ik, maar dan beter. Met kanker ben je er nog niet, hekelen is een kunst. Dat gaat je geld kosten, maat! riep een vriend van de gebeugelde. Ze maakten dat ze wegkwamen. Daarna keerden ze terug, ze verveelden zich en dat van die hatemail bleef ze fascineren, misschien toch ook wel gecombineerd met mijn tijpmachine, zou ik willen denken.
Hou je van je moeder? schreeuwde ik tegen de brutaalste. Eh... ja, zei hij, beduusd. Waarom stuur je haar dan geen brief? En weg waren ze weer.
Van de drie klanten die de God van het Massatoerisme mijn kant op stuurde is Eileen me het best bijgebleven. Deze meisjesachtige, muze-achtige, sprankelend doorleefde Canadese vijftiger zag me aan voor Mark Twain. Sinds vijf maanden was ze hondsverliefd was op haar Max, nu op zakenreis in Polen, en wilde hem verrassen met een door een vakman getijpt epistel op luxe papier.
Ah! dacht ik, eindelijk iemand die mijn kommersjele proposietsie begrijpt! Ik meende een brok in haar keel te bespeuren, een klein waasje voor haar ogen, toen ze het resultaat, inclusief Novalis citaat, onder ogen kreeg.

Mocht u de straatschrijver willen uitproberen, en u heeft nog wat centen over, haast u dan zondag om 12 uur naar het Museumplein. Dan sta ik er – insjallah, deo volente en bez'rat hashem – wederom.

Rouw

Gerhard Richter: Kerze

Nadat de walging was weggeëbt, was ik in de rouw. Gisteravond, toen ik alleen met de kinderen at, heb ik een kaarsje aangestoken voor de vermoorde advocaat te Buitenveldert. De woorden 'vermoorde advocaat te Buitenveldert' had ik niet graag willen gebruiken en bedenken, maar het was niet anders. Ik zei tegen mijn kinderen dat de weduwe van de vermoorde advocaat er nu misschien ook wel zo bij zat, met haar twee schoolgaande kinderen.
Alles hetzelfde en alles voor altijd anders.
Een afgehakte kop voor een café, een brandende auto bij De Telegraaf, de liquidatie van een misdaadblogger, het 'laten slapen' van de broer van de kroongetuige, een mortiergranaat naar de rechtbank, het dreigen met het 'laten slapen' van een officier van justitie... What's next? Het opblazen van het ministerie? Hier raken we niet alleen aan de grenzen van de rechtsstaat maar ook aan de grenzen van de redelijkheid; oftewel, we betreden het terrein van de waanzin. In zo'n context valt beter te begrijpen waar de zo vermaledijde 'war on drugs' vandaan komt. Alles legaliseren dan maar om de woekerwinsten uit maffiose handen te slaan?
Ik rouw niet alleen om de vermoorde advocaat, die nota bene Redouan Taghi zou kunnen hebben bijgestaan als die zou zijn opgepakt (de strafpleiter schijnt nogal principieel te zijn geweest in zijn verdediging van het recht op rechtsbijstand en dat siert hem) en de rechtsstaat, die weer een beetje minder soeverein lijkt, maar ook en vooral om mijn eigen lef.
Als mensen in alle vroegte voor hun huis worden doodgeschoten omdat ze dingen zeggen of schrijven die iemand anders onwelgevallig zijn, als mensen puur door hun associatie met iets of iemand anders 'fair game' zijn, dan heeft dit repercussies voor iedereen die de free flow of information lief is, iedereen die iets probeert te doen dat boven zijn eigen straatje uitstijgt. Ik weet niet meer wat ik durf te schrijven.

Drieëndertigste werkdag



Mijn drieëndertigste werkdag bij de oud-bibliothecaresse – ze leeft nog! ze is gestopt met roken! ze is happy in het zorgcentrum! – was anders dan de vorige tweeëndertig, want deze werd betaald, en zoals u weet kom ik gratis en voor niets mijn bed niet meer uit. Sinds ik aan de grond zit ben ik een keiharde kapitalist.
Ik had nog een oude belofte uitstaan om haar een zonsondergang te laten bijwonen in Bloemendaal aan Zee.
Het werd een dagje aan het strand in Castricum aan Zee. De zonsondergang moet wachten.
Naar het strand met een 87 jarige. Hoe dan? Nou, door de octogenarian van de rolstoel af te wentelen op de passagiersstoel van de familiewagen, de rolstoel in de achterbak op te vouwen en het gaspedaal van voornoemde wagen in te drukken. Het reisje erheen vond ze al heerlijk. Dat was het ook. De dag hiervoor had het nog twaalf uur aan een stuk gemiezerd en nu scheen de zon alsof hij iets in te halen had.
Parkeren op de gehandicaptenplaats dicht bij de strandtent bleek geen optie, want deze gezelschapsheer (laat hieronder weten als u ook naar het strand wenst voor €20 ex BTW per uur) is nog niet in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart. De rolstoel met inhoud van de parkeerplek  omhoogtrekken de duinen in, ook al was het over een stalen spoor, was pittig.
'Als ik je nu loslaat, dan...,' hijgde ik.
'Ja,' zei zij.
'Maar niet loslaten dan.'
'Nee.'
Toen ik de strandrolstoel die ik had gereserveerd aan haar liet zien, zei ze: 'Godverdomme!' Het is ook een groot ding. Van Duitse makelij. Hij voldoet uitstekend, het is alleen een misverstand te denken dat die grote luchtbanden heel makkelijk door het rulle zand gaan.
Toen we in de strandstoelen zaten en de nazomerwind in onze gezichten lieten blazen, zei ze: 'Heerlijk.' Maar al vrij snel wilde ze opstaan.
'Waar ga je naar toe?'
'Lopen.'
En verdomd, ze liep, weliswaar aan mijn arm, van de strandstoel naar het water. Vervolgens zei ze: 'Ik kan niet meer.' We liepen weer terug. Dit herhaalde zich enkele malen. Een keer haalden we natte poten, maar dat vond ze niet erg. Wie bang is voor natte poten heeft op het strand niets te zoeken.
Het schoot nog door mijn hoofd dat het een mooi einde zou wezen, misschien met wat tranquillizers achter de kiezen, om aan de hand van een jongeman naar de horizon door te lopen.

11. Geluk (slot)

Jean-Jacques Henner

Na afloop hebben we uitgebreid gedineerd, Walter en ik, in The French Room in Dallas, exquis en niet goedkoop. Erykah kwam ook nog even langs, voor een laatste afrekening. Hoe lang had ik in die geairconditionede museale spiegelruimte gezeten? Voor mijn gevoel een week, maar het bleek dus maar een etmaal te zijn geweest. Een etmaal naar jezelf kijken, ik geef het de grootste zelfhaters te doen. Niet slapen ook vooral. Oorlog tegen de herhaling, de leegte... Herinneringen ophalen, daar kun je wat tijd mee vullen. Ogen dicht. Je oogleden zijn de kortste weg naar het verleden. Herdenk wat je ooit hebt beleefd, if anything. Als je het niet meer weet, verzin iets.
Ik dacht aan mijn vrouw, hoeveel ik van haar hield. Ik was vergeten hoeveel ik van haar hield. Ze moest eerst sterven voordat ik tot de ontdekking kon komen hoeveel ik van haar hield. Of hield ik van een fantasmagorie? Had ik haar geïdealiseerd omdat ze er niet meer was, tot een idool gemaakt, een halfgod van de dood? Had ik haar überhaupt wel gekend? Wist ik wel wie ze was, wat ze wilde, of ze gelukkig was?
Geluk is een speeltje voor ouderen. Die hebben er de tijd voor. De nog niet ouderen vluchten voor het geluk in het genot.
Nou ja dit soort dingen hielden me bezig, zei ik tegen Walter.
Walter zei dat hij wel degelijk had overwogen om 24 uur lang via de geluidsinstallatie een hele harde hele hoge piep te laten horen, een oorverdovend priemend geluid, 'het geluid van het niets', zoals hij het noemde, maar dat hij daar, mede op voorspraak van Erykah, toch maar van had afgezien.

10. Ex-driehoek

Arthur Secunda

Hier past enige uitleg over Walter. Walter was mijn radicaal biseksuele zwager, de tweelingbroer van mijn vrouw. Ik kon het goed met hem vinden, ik had zelfs het gevoel dat ik ook een soort tweelingbroer van hem was (misschien wou ik dat zijn), of laat ik het zo zeggen, er waren tijden dat we zo mooi samenvielen met elkaar dat je bijna zou vergeten wie met wie getrouwd was, wie met wie een liefdesrelatie onderhield en wie innig familiair was. Het maakte, at the end of the day, ook niets uit. Ik hoefde niet jaloers te zijn op Walter, noch op de aandacht die mijn vrouw voor Walter had (mijn vrouw was goddank niet jaloers aangelegd), en aangezien Walter een radicale biseksueel was (ik kende de term ook niet totdat Walter hem introduceerde; hij moest met een man en een vrouw samen zijn anders werkte het niet voor hem), en ik een seksuele opportunist, hoefde niemand elkaar een strobreed in de weg te zitten.
De situatie veranderde nogal toen mijn vrouw kwam te overlijden. De perfecte driehoek waaide als een tent in elkaar. Volgens scherp observerende Peter was ik naar Parijs verhuisd om Walter te ontvluchten. Ik was dus nogal verbaasd om zijn stem te horen in de Texaanse spiegelkamer waar Erykah van de veelbelovende startup U4U mij had achtergelaten.
'Walter! Wat doe jij hier?'
Op het ruisen van de airconditioning na was het doodstil. Tevergeefs zocht ik de ruimte af naar een speaker of een camera.
'Viktor.' Walter snoof omineus. 'Ik ben er niet. Alleen jij bent er en jij komt er nooit meer uit.'



9. Spiegelig



Yayoi Kusama

Ik bevond me in een wachtkamer met alleen maar spiegels, zag ik toen Erykah eindelijk zo vriendelijk was om die belachelijke zak van mijn hoofd te trekken en zelf tip tap tip te verdwijnen achter een spiegelwand. Overal, vloer, plafond: spiegels. En niet alleen rechthoekige, zoals in een kermisattractie, nee, hier was alles rond, afgerond, menselijk. De designlamp en de airconditioning: spiegels. Zelfs het bankje waarop ik geacht werd plaats te nemen was van spiegels; tussen mijn benen door keek ik in mijn neusgaten. Ze konden een knipbeurt gebruiken, evenals mijn kwastige wenkbrauwen. Ja, misschien moest ik eens durven afscheid nemen van al het haar dat mij nog restte; zoveel was het niet meer. Alles werd dunner en schaarser, ook en juist in de schaamstreek trouwens. Misschien dat Michael Q. Darling, of wie, – if anyone – er achter die naam ook schuilging, mij in deze adviseren kon. Hoe schoor een mens zijn rug en rectum? Wacht: niet te veel details graag, zo vroeg op de dag. Ik had wel wat anders aan mijn hoofd. Mijn tweede kop ijskoffie bijvoorbeeld.
'Hallo?'
Mijn kinderlijke begroeting klonk hol, en, nou ja, spiegelig. Er ging een siddering door mijn ruggenmerg toen ik mezelf honderd keer terugzag, op honderd verschillende manieren, of waren het er duizend, een miljoen wellicht? Ik zou ze nooit allemaal kunnen zien. Niet zozeer het idee van een kloon beangstigde me, maar mijn oneindige zelfbeeld. Dus zo zag de wereld mij: als een witte schim met bloed aan zijn poten.
'Hallo.' Waar het geluid vandaan kwam was niet duidelijk, maar wel dat dit hallo Nederlands werd uitgesproken.
De stem kwam me eveneens bekend voor.
'Ik ben Walter.'

8. Writers and frustration



Wat mocht ik verwachten? Er kwam geen einde aan de autorit naar waar dan ook. Op de Texaanse talk radio ging het uitvoerig over de brand die een gefrustreerde Japanse schrijver had gesticht bij een filmstudio in Kyoto; volgens de gefrustreerde Japanse schrijver hadden ze hem te weinig credits gegeven of iets dergelijks, niemand wist er het fijne van, ook de Texaanse kletsmajoors niet, maar dat er iemand gefrustreerd was, en dat die frustratie minstens 33 mensenlevens had gekost, daarover was iedereen het eens.
All writers are frustrated, riep ik tegen Erykah door mijn zwarte jute zak heen, but some are more frustrated than others.
Yeah riep ze terug. That's my impression as well. I know no other group of people so obsessed with their output and imprint. Perhaps their ego problem has something to do with the fact that the only compliment they take seriously is a compliment from themselves.
Eindelijk stopte de auto. De deur ging open, onmiddellijk drong een golf van hitte de auto binnen, alsof iemand een reuze föhn voor de portier hield. Erykah gespte me los en begeleidde me van de achterbank. Te oordelen naar de geur en de stoffigheid, bevonden we ons midden in de woestijn – of misschien toch op de filmset van een woestijn en verzon ik de geur en stoffigheid erbij.
Are you excited, vroeg Erykah op een toon die geen ruimte liet voor nee.
Sure, zei ik. But I don't know if it's the right kind of excitement.
You'll find out soon enough, zei ze en voerde me mee naar een donkere, koele ruimte.



7. Niet googlebaar



Meteen toen ik de Texaanse hitte instapte had ik spijt van mijn hagelwitte pak. Hoelang zou het nog duren voordat er een koepel over de wereld werd geplaatst, een virtuele koepel, waaronder permanente airconditioning op basis van zonne-energie? Leek mij een no-brainer maar wat wist ik? Erykah gaf me een haastige kushug op het parkeerterrein en wat er toen gebeurde was toch weer enigszins verrassend, dat wil zeggen, het stond niet in het contract kan ik me herinneren maar ik heb de kleine lettertjes niet gelezen, die lees ik nooit wat misschien een van mijn grote zwaktes is (Peter vindt dat ik überhaupt overal veel te onbezonnen instap, maar ja, leven is riskeren naar mijn bescheiden opvatting wie niets riskeert is dus eigenlijk dood, waarbij onmiddellijk moet worden aangetekend dat wie teveel riskeert misschien voortijdig afscheid moet nemen van datzelfde leven. Enfin.)
Nadat ik op de achterbank van de auto was neergezet schoof Erykah vliegensvlug een zwartjuten zak over mijn hoofd, die ze bovendien handig aansnoerde en vergrendelde bij de nek waardoor er geen mogelijkheid was om hem weer af te doen, hetgeen toch de eerste reflex is van elk mens bij wie iets ongevraagd wordt opgezet. Daarna gespte ze me behendig vast in de autogordel, nam plaats achter het stuur en reed weg.
Het is zaak normaal te blijven ademen, lachte Erykah.
Dat begrijp ik, zei ik, niet zonder angst maar ook niet zonder prettige spanning, maar waarom is dit nodig?
De gedachte vatte post dat Michael Q. Darling helemaal niet bestond. Het was me niet gelukt om hem te googelen (althans, de Michael Q. Darlings die wel googlebaar waren, voldeden op geen enkele wijze aan mijn profiel). Dit was ook precies het scenario dat Peter me alsmaar voorhield: U4U was een ordinaire scam, een betrekkelijk eenvoudige manier om goedgelovige, nieuwsgierige, licht depressieve en daardoor voor allerlei onzinnigheid gevoelige mensen geld af te troggelen.
Michael Q. Darling is een schuilnaam, zei Erykah boven de talk radio uit. We willen ook graag zijn precieze verblijfplaats geheimhouden om stalking te voorkomen.

6. Een foto liegt beter dan duizend woorden



Wat moest ik eigenlijk aan op de date met mijn dubbelganger? Die vraag drong zich bij me op toen ik mezelf in de lounge van het hotel in een spiegel zag: kaki korte broek, zwart t-shirt, eeuwige Jezus-sandalen. Moest ik me misschien wat, nou ja, ambitieuzer kleden? Want hoe ijdel je ook dacht dat je was, zelfs de minst ijdele moest toegeven dat een eerste indruk een tamelijk, nou ja, onuitwisbare beeld achterliet bij de ander, met name qua ambitie.
Wat zou Michael aanhebben?
Ik had van U4U geen foto's gekregen. Hier zat een gedachte achter, een foto gaf per definitie een draai aan de werkelijkheid, stolde de werkelijkheid op een willekeurig moment, waardoor het totale plaatje verdween, de Gestalt, en om die Gestalt ging het nu juist. Een foto, had Erykah gezegd, liegt beter dan duizend woorden. Michael Q. Darling was opgespoord dankzij U4U's gepatenteerde zoektechnologie, die bij het matchen slechts gedeeltelijk keek naar beschikbare foto's. Gedrag dat tevoorschijn kwam uit big data woog zwaarder. Er werd een profiel gemaakt niet bestaande uit leugenachtige selfies en impulsieve tweets, zoals in de sociale media te doen gebruikelijk, maar uit 'speciale coordinaten'. Hoe dat precies in zijn werk ging daar deed Erykah geheimzinnig over. Ik zou het vanzelf zien. Ze zweerde dat ik versteld zou staan van de striking resemblance die ik zou vertonen met Michael. Natuurlijk, er zouden ook een aantal belangrijke verschillen zijn, dat kon niet anders, taal om te beginnen en nog zo wat van die futiliteiten, maar die zouden in het niet vallen bij de Gestalt – die zou voelen als een kopie.
Ah, daar was ze eindelijk, Erykah, in haar teslaatje, om mij op te halen. In de gauwigheid had ik in mijn hotelkamer toch maar een hagelwit pak aangetrokken, met donkerpaarse loafers eronder die ik op het vliegveld had gekocht.

5. Transpirerende Tricia



Bij het ontbijt kwam er een vreemde neerslachtigheid over me. Niets was er meer over van de aanvankelijke, toegegeven: enigszins kinderachtige opwinding over de aanstaande ontmoeting met Michael Q. Darling. Ik voelde niet alleen dat ik deel uitmaakte van een totaal zinloze onderneming, die mij niets zou leren, alleen maar veel geld en tijd zou kosten, maar ook dat ik mijn energie, mijn aandacht als schrijver op volstrekt de verkeerde zaken richtte. Nu kon niemand een schrijver vertellen waar hij zijn aandacht op diende te vestigen, of zelfs maar welke boeken hij moest lezen, of welke routines hij zou moeten hebben. Schrijven is als zeilen op open zee zonder kompas, ik hoorde mezelf het cliché net nog in de saaie ontbijtzaal debiteren tegen de allercharmantste serveerster, Tricia genaamd, althans dat stond op haar naambordje, die, toen ze hoorde dat ik uit Nederland kwam (zelf had ze ook verre Nederlandse voorouders) en zei dat ik in Parijs woonde en schrijver was nog meer van haar charme ten toon spreidde (dat ik niet zo zolang geleden was verweduwd liet ik maar achterwege). De charme zat vooral in de zoete zweetgeur die ze verspreidde, deze Tricia, maar ook bijvoorbeeld in haar tongpiercing, die me op meer dan een manier fascineerde. Terwijl ze een gepocheerd eitje voor me maakte, fantaseerde ik over een toekomst met deze getongpiercede, transpirerende Tricia. Wat als ik nooit meer terug zou keren naar Parijs, laat staan naar Nederland (daar had ik helemaal niets meer te zoeken afgezien van een sporadisch bezoek aan mijn uitgever als die iets te vieren had bij voorkeur zijn eigen verjaardag; voor de rest deed ik alles per email), en een appartementje zou huren in Dallas en af en toe iets ging ondernemen met Tricia, zou ik dan gelukkig zijn? Waarschijnlijk niet, maar dat was ik nu ook niet. Ik begon toch weer meer zin te krijgen in mijn ontmoeting met mijn doppelgänger, misschien kon hij mij vertellen welke kant het met mij op moest.

4. De vuurzee in om de vuurzee te bedwingen



Ongelooflijk hoeveel tijd een mens tijd kan rekken door na te blijven denken, wakker te blijven, zich niet in slaap te laten sussen door welke verleidelijke tijdslurperij dan ook. Ik lag in mijn hotelbed te draaien. Niet zozeer omdat ik de airconditioning zoals altijd had uitgezet (ik lijd aan hypo-acusis, voor mij is elk geluid een geluid te veel; hoewel Peter zegt dat ik me aanstel) en dus onder een deken van humiditeit moest zien mijn bewustzijn uit te schakelen, wat nog niet meeviel, maar vooral ook omdat ik moest denken aan een artikel dat ik bij het saaie avondeten in de bepaald niet saaie Texas Jewish Post had gelezen over nota bene de Notre Dame. Hoe is het mogelijk dat de Texas Jewish Post beter geïnformeerd is over de brand in mijn geliefde kathedraal (ik ging er elke zaterdag heen om mijn vrouw te gedenken), dan Le Monde, Libé, etcetera? Hoe dan ook, een klein detail in de reconstructie van de brand en het blussen ervan hield me uit mijn slaap, namelijk dat de Parijse brandweer door vanuit een van de torens te blussen had voorkomen dat de hele godvergeten boel in elkaar denderde. Maar hiervoor moesten jonge brandweermensen dus eigenlijk de vuurzee in, en sommigen van hen, uit de banlieu, hadden dit geweigerd. De vuurzee in moeten om de vuurzee te bedwingen, dat komt in de buurt van vuur met vuur bestrijden. Ik vroeg me af wat ik had gedaan als ik geen ongebonden, verantwoordelijkheidsloze schrijver was geweest, recentelijk na de dood van zijn vrouw verhuisd naar Parijs, expat buurman van een Amerikaanse expat, etcetera, maar een gewone soldaat van het vuur uit de voorstad. Zou ik bereid zijn geweest mijn leven te geven voor een gebouw? Deze what if kon ik mooi voorleggen aan Michael Q. Darling morgen.

3. Jezelf tegenkomen



Jezelf tegenkomen op een verre reis – bestond er een groter cliché? Mij leek het juist logischer om jezelf tegen te komen in je eigen huis, in je eigen badkamer, voor je eigen spiegel. Dat je jezelf bestudeert, je rimpels onderzoekt, je gele tanden, je lodderige ogen vul zelf in, en dat je dan denkt: zo zo, ben ik dat? Hoe lang nog? En: zou ik niet toch eens mijn gezicht ergens voor veel geld kunnen laten verjongen?
Nee, de zelfontmoeting waar veelal solo-reizigers 'op een kruispunt in hun leven' op zoek waren was uiteraard van psychische en/of, en dat woord bezorgde me braakneigingen zelfs zonder inname van ayahuasca, spirituele aard. De mannen en vrouwen die in hun eentje de halve of hele wereld afreisden, die zich afbeulden, de eindeloze eenzaamheid opzochten of juist allerlei slaapverwekkende groepsrituelen om zichzelf tegen te komen waren uit op een dieper zelfinzicht dat hun duidelijkheid zou brengen over de te maken cruciale keuze waarvoor ze stonden, of zoiets. Ik geloofde er niet in. Ik geloofde nergens in, dat was in zeker opzicht ook mijn probleem, hoewel ik het tegelijkertijd bevrijdend vond dat het leven geen zin had of hoefde te hebben.
Toch moest ik mijn Parijse buurman Peter ongelijk geven: mijn Texaanse trip was geen narcistische expeditie. Mijn narcisme werd begrensd door mijn gebrek aan interesse in mezelf.
Jij bent gewoon bang om in je eigen ziel te kijken, had Peter toen gezegd. Je bent bang voor wat je daar aan zult treffen.
Ik wierp tegen dat ik liever naar mijn ziel keek via de ziel van mijn dubbelganger, dat ik van spiegels hield om het spiegeleffect.

2. Zelfonderzoek



Tijdens de saaie vlucht naar Dallas, maar ook nu weer, alleen op mijn saaie hotelkamer, heb ik uitentreure nagedacht, dacht ik, over de ontmoeting met Michael Q. Darling. Wat mij aantrok in het idee van een perfecte dubbelganger was niet wat een eeneiïge tweeling moest aantrekken in een hereniging na een jarenlange scheiding. Ik was niet uit op de fantasie hoe het zou zijn als ik mijn leven anders had geleefd, als de genen-set waarmee ik was gezegend (of belast), andere keuzes had gemaakt en dat de tweelingbroers dan bij samenkomst erachter zouden komen dat ze wonder boven wonder dezelfde soort partner hadden gekozen (paardenstaart), dezelfde soort auto reden (Prius), en dezelfde soort boeken op hun nachtkastje hadden liggen (Harari). Nee. Het ging me er nu juist om dat ik iemand wilde ontmoeten die niet dezelfde genetische make up had, maar wonder boven wonder erg op mij leek. Heel erg, zelfs. Iemand dus die via een volstrekt andere weg bij hetzelfde punt was aanbeland. Niet alleen qua uiterlijk, juist ook qua karakter. U4U maakte dit alles mogelijk dankzij 'gepatenteerde search-technologie' (waarover Erykah nogal geheimzinnig deed, het enige dat ze erover kwijt wilde was dat Google interesse had getoond in een overname van het kleine bedrijfje uit Glasgow, maar dat kon iedereen beweren).
Niettegenstaande mijn verklaarde filosofische motieven, kon Peter, mijn eveneens alleenstaande buurman in het 20ste in Parijs,  toen hij van mijn kostbare plan hoorde (dat ik had gefinancierd uit een erfenis) niet nalaten op te merken dat dit zogenaamde zelfonderzoek hem voorkwam als een nodeloos ingewikkelde vorm van narcisme.

1. Doppelgänger


Enigszins opgewonden en nerveus toch wel, maar op een goede manier opgewonden en nerveus, stapte ik uit het vliegtuig in Dallas, Texas, en begaf me per taxi naar het terras van restaurant Big Dipper, in het centrum, voorzover daar bij deze stad sprake van is, op een steenworp afstand van waar JFK's brein en plein public uit zijn schedel werd geschoten, voor mijn langverwachte afspraak met mijn Doppelgänger.
Dat wil zeggen, ik zou vandaag nog niet mijn Doppelgänger te zien krijgen, ik zou eerst contact hebben met een afgevaardigde van het bedrijf dat mij mijn Doppelgänger had bezorgd, U4U, en dan zouden we een dag later samen Michael Q. Darling, want zo bleek mijn dubbelganger te heten, een bezoek brengen. Hij woonde in een appartementencomplex in de wijk Preston Hollow, op zichzelf' Dat klopte alvast, dat hij op zichzelf woonde in een flat, want dat deed ik ook, en trouwens ook dat hij 'schreef' voor zijn 'werk', maar veel meer bijzonderheden dan dat had ik niet.
'So sir Viktor sir, are you at all jetlagged,' probeerde Erykah, de contactpersoon van U4U, conversatie te maken. Ik was niet verbaasd door het sir Viktor sir, want zo was ik vanaf het allereerste begin bejegend door U4U, en ik vond die aanspreektitel eigenlijk wel prettig. Viktor zou te intiem zijn geweest, en sir Frölke te zakelijk.
Erykah, een nors kijkende jonge vrouw met dreadlocks en Caraïbische roots (schatte ik),
Kinda, glimlachte ik, en dat was ook zo, al was ik aangenaam met de tijd mee gevlogen en kon ik dankzij de inslapertjes die ik mijn huisarts had laten voorschrijven, toch nog een paar uur mijn ogen dichtdoen. I'm really looking forward to tomorrow, slijmde ik, ik weet niet waarom, ik had helemaal geen reden om te slijmen aangezien ik U4U een vorstelijk bedrag had betaald voor hun diensten.
Erykah knikte, haalde de papieren erbij. I have to check: do you have a medical history that we need to be aware of?