Lekker snijden



In het kostelijke, van anekdotes uitpuilende, lekker onsmakelijke (veel pus en dergelijke), opmerkelijk vlot geschreven – voor een chirurg dan – Onder het mes, een alternatieve geschiedenis van de heelkunde*, behandelt Arnold van de Laar, helemaal aan het eind, bij de bespreking van de perianale fistel van Lodewijk de Veertiende, een aandoening die mij bekend voorkomt, ik wist alleen niet dat die zo heette: sinus pilonidalis , ook wel haarnetcyste genaamd.
Is het nodig op deze plek mijn medisch dossier door te nemen? Nee, maar pijnlijk was het destijds wel. Ik dacht dat het een steenpuist was, die bovenin mijn bilnaad zat en mij het zitten belemmerde. De chirurg van dienst, een beer van een man verbonden aan NYU Medical Center, legde uit dat mijn kwaal ook wel jeep disease wordt genoemd: een karbonkel op die plek kwam typisch voor bij soldaten die nogal lang in een Jeep zaten; door al dat gebonk op hun stuitje lag een ingegroeide haar met bijbehorende ontsteking op de loer.
Van de Laar meent dat zo'n buitengewoon onplezierige, onderhuidse ontsteking met pus juist daar voorkomt omdat op die plek van het menselijk lichaam eigenijk een staart had moeten zitten; de huid wordt er minder goed doorbloed. Se non è vero è ben trovato. Mijn New Yorkse chirurg groef hem bij mij uit onder plaatselijke verdoving. Ik heb niet via een monitor meegekeken, maar het voelde alsof hij een spade in mijn onderrug stak, om Het Ding met wortel en tak eruit te krijgen. Ik kon na afloop alleen maar dankbaar zijn. Wel moest ik de aldus ontstane kuil wekenlang wassen en spoelen om te voorkomen dat hij weer vol zou stromen met pus. Poepen ging zittend op een soort fietsband, kan ik me herinneren. Tot zover.
Als u smult van dit soort verhalen, maar dan bloederiger en over beroemde patiënten (de paus!), in wie nog veel dieper gesneden wordt en waaraan nog veel meer pus te pas komt, dan is Onder het mes iets voor u. In 2014 verscheen Van de Laars sappige geschiedenis voor het eerst bij Thomas Rap, maar bleef toentertijd vrijwel onopgemerkt; thans is het boek opnieuw uitgebracht en aan meerdere landen verkocht, wat niet elke Rap-auteur kan zeggen.

(Fop- en scherts)vuurwerk



'Ben je gelukkig?' vraag ik aan mijn tienjarige, die het vuurwerk dat we hebben gekocht keurig netjes voor zijn moeder en zichzelf heeft uitgestald op de zitbank.
Hij glimt. 'Ja.'
Ik herinner me dat geluk, nee: de extase. Ik raakte als kind ook in hogere sferen in de aanloop naar zalig uiteinde dankzij de unieke combinatie van laat opblijven, gevaar en (de belofte van) drank.
De zesjarige is ook extatisch. Meteen na aankoop heb ik ze beiden een doosje knalerwten gegeven om te oefenen. Die hadden wij vroeger niet, of we haalden er onze neus voor op: kleine bolletjes (een soort heroïnebolletjes maar dan zonder heroïne) die een knal geven als je ze op de grond gooit. Hoe harder je gooit hoe harder de knal, lijkt het. Fop- en schertsvuurwerk vermeldt de verpakking. Maar er is meer: honderd rotjes voor boven de zestien. De tienjarige heeft het pak in zijn hand alsof het een relikwie is, en dat is het ook, je moet je relikwieën ergens vandaan halen als de kerk in een restaurant veranderd is en het kerstverhaal een sprookje blijkt te zijn. Gisteravond hebben we stiekem twee rotjes afgestoken om te zien hoe hard ze gingen. Best hard. Aan de overzijde kwam net een politie-auto voorbij.
'Ik haat rotjes,' zegt de moeder.
Jongens niet, die zijn dol op destructie, oorlog – zelfs een zachtmoedige jongen, zoals mijn zoon.
Voor mijzelf en de moeder heb ik pijlen gekocht. Ze zien er veelbelovend uit. De belofte zal, zoals altijd, uiteenvallen in een teleurstellend son et lumière à la méthode chinoise.
Kosten van dit alles: €37,50. Ik heb slechtere tijden gekend.
Nu nog gratis vuurwerkbrillen halen bij de Pearl om te voorkomen wat naar verluid niet lang geleden gebeurde bij een man die, in kennelijke staat, boven zijn zojuist ontstoken vuurwerk hing om te zien waar het bleef. Het vloog recht in  b e i d e  ogen.

Prullaria



Mijn vader rommelt met zijn slanke, gekalknagelde duimen in een vintage blikken sigarettendoos (Gold Flake, doet $17,79 op eBay zie ik) gevuld met speldjes, medailles en andere prullaria. Af en toe houdt hij er eentje omhoog en zegt: 'En dit is...' Ik neem het kleinood van hem over, bekijk het met een loep en vul aan: 'Iets katholieks.' Of: 'Iets sportiefs.' Of: 'Iets meligs van de carnavalsvereniging.'
Als hij een piepklein, metalen beeldje van een ibis in de lucht houdt: 'Dit kreeg ik omdat ik het meisjesdispuut IBIS had geholpen bij de organisatie van een feest.'
Mijn ouders ruimen hun huis op. Wie wat bewaart die heeft wat inderdaad; daar staat tegenover dat wie niets heeft ook niets hoeft te bewaren. Puur het feit dat iets bewaard is, maakt het al iets waard – voor de bewaarder, dan.
'Krijg ik die liefdesbrieven van jou nog te zien?' vraag ik aan mijn moeder. Ze schudt haar hoofd. 'Even wachten... bekijk eerst dit maar eens.' Ze overhandigt me een tasje met mijn allereerste schrijfsels, rekensels, tekensels en andere fröbelarijen. Bijna verontschuldigend, zegt ze: 'Van jou heb ik alles bewaard.' Na drie zoons en een dochter – 'die kwamen zo'n beetje vanzelf' - wilde mijn moeder nog één keer gaan voor een meisje. Er zat dus weer een piemel aan, maar dat deed kennelijk weinig af aan mijn status als liefdesbaby. 'Voor het eerst genoot ik ervan.'
Marie Kondo, volgens wie al onze bezittingen vreugde moeten brengen, zou het tasje dumpen, vermoedelijk, en ik ook, vrees ik, afgezien van twee verhaaltjes, een getiteld 'Het laatste stuk kaas' en een flard bekentenislektuur, waarin de ik-persoon in slordig handschrift opschept over een paar biertjes die hij stiekem met vriendjes heeft gedronken. Twaalf moet ik zijn geweest en toen dus al in overtreding.

Brodsky




Op de snelweg naar Rotterdam, de skyline was al in zicht – altijd weer een stuk imposanter dan die van Amsterdam, dank gaat daarbij uit naar de bombardementen – keken we naar rechts en lazen, hoog op een gebouw: STEDEN SCHUILEN NIET WANNEER HET REGENT.
'Wat een stupide tekst,' zei ik, onnadenkend.
Lieftallige was het roerend, en even onnadenkend, met me eens.
Welk bedrijf probeert hier aandacht te trekken? Wat probeert iemand hier te verkopen? Het kan alles zijn, en het is allemaal even grote flauwekul, dachten wij.
Wij namen niet de tijd om na te denken.
Rotterdam heeft een traditie hoog te houden als poëzieverspreider via gebouwen, men denke aan Alles van waarde is weerloos (na Luceberts ontmaskering herdoopt in Alles van waarde is Wehrmacht), en natuurlijk de regel van Jules Deelder – God mocht willen dat Hij zijn ziel had –: De omgeving van de mens is de medemens.
Waarheden als koeien, die door Rotterdammers, en niet alleen door hen, elke dag opnieuw gelezen mogen worden.
Welke ware koe zat in de regel over de steden die niet schuilen wanneer het regent? Wel, het licht brak bij mij pas door toen ik diezelfde avond het enige zinnige kerstcadeau, mijn schoonvader aangeboden, onder ogen kreeg, Lees!, een bundel gedichten samengesteld door Ahmed Aboutaleb. Bovenstaande regel blijkt deel uit te maken van Rotterdams Dagboek van Joseph Brodsky. Een vertaling overigens, uit het Russisch en het Engels.
Cities –
not people and not hiding in the stairwell
during a downpour.
Bij Brodsky regent het bommen.





Broer

Image result for langspeelplaat kunst



Bij Concerto probeer ik op het allerlaatste moment nog een kerstcadeau te scoren voor mijn svigermor, mede om mijn reputatie als ideale schoonzoon niet (opnieuw) in gevaar te brengen. Een CD dus, een hopeloos ouderwets cadeau besef ik nu, eigenlijk nog ouderwetser dan een langspeelplaat. YT en Spotify hebben de CD om zeep gebracht – vooral ook als cadeau, maar dat terzijde.
'Heb jij een broer,' vraagt de vriendelijke verkoper, een man met een wat verwrongen gezicht en een Amsterdams accent vanachter de toonbank. Hij heeft me eerder geholpen. Je kunt jaren in een winkel geholpen worden door iemand wiens naam je niet weet.
Ik knik. 'Meerdere zelfs.' Meer dan me lief is denk ik wel eens, maar dat zeg ik er niet bij.
'Ik zeg dit omdat jij en hij ongeveer dezelfde muzieksmaak hebben. Jullie kunnen allebei erg enthousiast zijn over muziek.'
'O ja?'
'Ja, en jullie lijken ook op elkaar.'
'Oké.'
'Hij komt hier geregeld.'
'Werkelijk?'
'Ja. En hij werkt bij de bank.'
Ik heb geen broer die bij de bank werkt en ik stel van dit feit de verkoper op de hoogte, maar die laat zich niet zo makkelijk uit het veld slaan.
'Hij werkt in de financiële sector.'
Dat zou al iets beter kunnen, hoewel eigenlijk nog steeds: nee, maar ik wil de verkoper niet teleurstellen.
'Hoe heet jij?'
Ik vertel de Concerto-verkoper hoe ik heet. De verkoper ziet geen reden om zichzelf voor te stellen.
'Ik zal je broer, als hij er weer is, vragen of hij een broer heeft die zo heet.'
'Doe dat. Ik ben benieuwd.'
Zo heb ik weer een reden om binnenkort nog eens naar Concerto te gaan. Ik wil niet dat die winkel verdwijnt. Dat zou een ramp zijn voor mij. En mijn broer.

Wat kan ik DOEN?

Jean Baptiste Siméon Chardin

Na tweeënhalf uur in de ochtend te hebben gebuisd en met de belofte om later vandaag ook nog een 'k-film' te gaan bekijken, plus het vooruitzicht van een speelafspraak met haar vriendin, eist de zesjarige de iPad op, 'of anders je telefoon'.
Ik weiger. Over een kwartier stappen we op de fiets naar haar afspraak; die tijd zou ze zonder scherm moeten kunnen doorbrengen.
'Wat kan ik doen?' vraagt ze.
'Niks. Niksen. Niks mis mee. Het is maar voor vijftien minuten.'
Ze grist mijn telefoon van het tafeltje. Ik trek hem op tijd weer uit haar klauwtjes.
Ze begint te huilen, vrij hard zelfs voor haar doen.
'Wil je op je kamer gaan huilen, ik probeer een gesprek te voeren met je broer.'
Ze stampvoet, briest, maar ik houd voet bij stuk.
'Wat kan ik DOEN?' Ze klinkt wanhopig.
'Misschien wil je broer een spelletje met je doen.' Ik vlucht naar de keuken.
De informaticus blijkt bereid, aardig van hem, een potje met haar te kwartetten.
Krijgt ze toch weer haar zin; daar is ze goed in.
Als ik haar naar haar vriendinnen-afspraak fiets, vraag ik me af of die continue prikkelbehoefte iets is van haar leeftijd, iets van deze tijd of van de vakantietijd. Waarschijnlijk van alle drie iets.
Nietsen raakt uit de mode.
Een gemis.

Oorlog als waanzin



Toen ik in de zaal zat in afwachting van Apocalypse Now: Final Cut, verbaasde het me hoe weinig ik nog van het origineel afwist, dat ik in de jaren tachtig moet hebben gezien. Het enige wat ik me nog voor de geest kon halen, waren de helikopters, en dat was niet zo gek, de film is te beschouwen als een grote (gevechts)helikopter-commercial. Maar misschien doe ik de film onrecht. Apocalypse Now is de geschiedenis in gegaan als staaltje van oorlog als waanzin, waanzin als oorlog, of de waanzin van het geweld, maar in dit opzicht viel het me enigszins tegen. Natuurlijk, er is de scene waarbij Killgore (Dennis Hopper) verordonneert dat zijn soldaten surfen terwijl de gevechten 'vrolijk' verdergaan, er is de scene waarin bij een routine-controle van een vissersboot 'per ongeluk' de visser en zijn vrouw en werklui met mitrailleurs worden neergemaaid. De grote waanzin moet van Marlon Brando alias Walter Kurtz komen, die zich diep in de bossen op de grens met Cambodja heeft verschanst temidden van 'inboorlingen' (dat woord kan ook niet meer), en, – waanzinniger –, talrijke rondslingerende lijken en afgehakte koppen, een grand guignol dat me op bepaalde manier ook aan Italiaans carnaval deed denken. Kurtz, monsterachtig kaal, en sfeervol bijgelicht, slaat uiteraard filosofische en poëtische teksten uit, want dat doen gekken, teksten die mij helaas niet vermochten te imponeren, of, belangrijker: beangstigen. Nee, angstiger, en gekker, vond ik in dit genre de Russisch roulette scene uit The Deer Hunter, maar misschien valt die ook wel tegen, zoveel jaar na dato. We zijn aan dit soort waanzin gewend geraakt, vrees ik.

Autopsierapport



De rat, nat van de regen waarschijnlijk, lag op zijn rechterflank uitgeperst op de klinkers, parallel aan de goot. Het leek alsof hij in zijn vlucht was gepakt, en dat zal ook wel het geval zijn geweest, ik geloof niet dat ratten zich vrijwillig laten pletten, dat ze erom vragen te worden geplet, dat ze de aankomende auto's aanmoedigen: plet me, maar zijn vluchtrichting deugde niet, hij had 90 graden de andere kant op gemoeten om in het water of bij mijn voordeur te komen.
Zijn voorpoten waren verbrijzeld. Ze roerden in een zwarte soep van bloed. Uit zijn borstkas waren ingewanden gefloept; ook ingewanden moeten ergens heen als er opeens grote druk op ze wordt uitgeoefend, en meestal gaan ze dan naar buiten.
Zijn linkerwang was aangetast. De vacht ontbrak leek daar te ontbreken en kleurde rood.
De rat had zijn ogen open, maar je kon hem niet in de ogen kijken. Met zijn standpunt was zijn uitzicht gedaald en gekanteld.
De staart lag naar beneden gekromd, als een haak. Was hij gebroken? Het had er alle schijn van. Op meerdere plaatsen misschien zelfs.
De achterpoten waren ongeschonden gebleven en oogden schoon en wit.
Het bontje onder de staart oogde nog witter – sneeuwwit. Geen vuil te bekennen aan deze zijde, wat toch wel enigszins opmerkelijk mag worden genoemd.
Zijn bekje was halfopen, alsof hij naar lucht hapte, of alsof de rat op het laatste moment nog wat iets wilde zeggen, alsof hij een boodschap had voor mij.

Koloniale erfenis



In de grote kartonnen doos die ik redde van de zolder van mijn ouderlijk huis vind ik twee beenkappen die mijn grootvader gedragen moet hebben in Indië. Ik wist wel van het bestaan van die dingen, en ik herinner me ze ook nog uit het grootouderlijk huis aan de Amstel (een ingenieurswoning bij de Zuidergasfabriek, waar grootvader directeur was), maar ik ben verrast ze tussen mijn zooi aan te treffen.
Ik pel ze van elkaar en doe ze een voor een om. Dit gaat vlugger dan het aantrekken van de scheenbeschermers van mijn tienjarige, behalve dan dat het leren bandje, om de beenkap om de kuit te bevestigen, afbreekt als ik er aan trek. Hm. Hoe oud zullen die dingen zijn? Mijn grootvader was van 1901, hij ging in 1928 naar Indië, dus een jaar of tachtig zeker, denk ik, misschien negentig, of misschien wel honderd als hij ze op zijn beurt weer had overgenomen van zijn voorganger.
Waarvoor had hij ze nodig? Om zich zonder kleerscheuren en beenverwondingen door de rimboe een weg te banen, denkelijk, maar ik zou wat meer details kunnen gebruiken om me daarvan een beeld te vormen. Grootvader zat in de palmolie en in de suiker voor de Handelsvereniging van Amsterdam op Java en Sumatra. Hij was chemiker. Verder weet ik er weinig vanaf. Ik heb hem dertig jaar geleden, toen ik me voor kolonialisme begon te interesseren, nog wel wat vragen gesteld, maar uitgebreide antwoorden gaf hij niet. Grootvader vond niet dat hij koelies uitbuitte. Hij was van mening dat het kolonialisme in de Oost, dat een verbijsterende drieënhalve eeuw standhield, vooral ten bate kwam van de inlanders. Een tegenwoordig lastig vol te houden standpunt.
Heeft mijn grootvader die beenkappen mee het kamp in genomen? Dat moet haast wel, want verder is er uit die tijd niets bewaard gebleven. Een eigenaardig souvenir.

Voettastelijkheden




Ruprechts fetisj bestond eruit zo dicht achter iemand aan te zwemmen, dat zij, soms ook wel een hij, gedwongen was om hem in zijn kruis te trappen. Uit ervaring wist hij dat hij twee keer bij dezelfde zwemmer een 'pootje' kon halen, zoals hij dat noemde (met een flinke tussenpoos). Bij de derde keer kon het geen toeval meer zijn.
Hij zocht zijn slachtoffer, of dader, zorgvuldig uit. Met zijn zwembril-, -muts en -neusklem op leek hij een reguliere borstcrawler, die fanatiek zijn baantjes trok en daarbij onvermijdelijk af en toe in aanraking kwam met medebaantjestrekkers of -treksters, zoals gezegd was hij wat betreft geslacht van de trapper niet erg kieskeurig. Leeftijd evenmin.
De aanraking betekende voor getrapte meer dan voor de trapper.
De trapper verontschuldigde zich vrijwel altijd, zeker de tweede keer, voor de voettastelijkheid. 'Geeft niet,' zei Ruprecht dan. 'Niet erg.' Of: 'Ik heb het niet gemerkt.'
Elk pootje bracht hem dichter bij waar hij zijn wilde. Hij hield de klok in de gaten, vijftig minuten had hij nodig voor zijn onbewust geassisteerde, maar volmaakt geregisseerde spel.
In het beste geval liet hij zich door vijf zwemmers twee keer in zijn kruis trappen; als dat gebeurde, was hij gelukkig.
Een keer floepte zijn erectie op zijn kwetsbaarste moment uit zijn slip. Het ejaculaat zweefde als een kwalletje door het toch al troebele water.
Toen hij zich uit het water hees, had hij in de blikken van de badmeesters afkeuring gelezen.

Diskriminasi



Weinig sectoren worden gekenmerkt door zo'n ongebreidelde tentoonstelling van ijdelheid en, toegegeven: afgunst, als de vaderlandse letteren, of wat daar nog van over is. Een mooi bewijs vormde de groepsfoto van De Bezige Bij, afgelopen zaterdag paginagroot afgedrukt in NRC Handelsblad. Een student antropologie of psychologie zou een studie kunnen wijden aan de manier waarop deze schrijvers poseren, waar ze staan op de trappen, en welke literaire pikorde hierachter schuilgaat.
De ware schrijver wil nergens bij horen, maar niets menselijks is mij vreemd, dus toen ik werd uitgenodigd voor het 75-jarige verjaardagsfeest van de Bezige Bij, waarvan de fotoshoot in de bibliotheek van het Rijksmuseum de opmaat zou zijn, informeerde ik (publicerend bij Thomas Rap, een imprint van de Bij sinds 1999) voorzichtig bij mijn redacteur hoe laat ik mij diende te melden om verzekerd te zijn van een plek in de literaire erehemel.
'Ha Viktor. De foto is alleen voor auteurs die bij de Bij publiceren. We zien elkaar op de dansvloer.' Diskriminasi! mailde ik per ommegaande, maar goed, ik begreep ook wel dat er redenen zijn om te voorkomen dat mensen als Youp van 't Hek (dankzij wie Thomas Rap bestaat, maar die bezwaarlijk de nieuwe Emile Zola kan worden genoemd) en een horde voetbalschrijvers, die thans de bestsellerlijsten bestormen, het iconische groepsportret zouden domineren. Nee, daardoor zouden Jan Jaap Ferwerda, K.P. Brummen en Ulli Hung alleen maar in de verdrukking komen.
Wie schetst mijn verbazing, toen ik de krant opensloeg? Voornoemde redacteur alsmede mijn bloedeigen uitgever, stonden wèl keurig netjes op de foto – en niet achter een pilaar. Hebben zij wellicht een nauwelijks verhulde sleutelroman in de pen, te verschijnen bij de Bij, waarin verongelijkte, om aandacht smekende auteurs op de hak worden genomen?


De Taal der Manipulatie



Harvey Weinstein, zo blijkt uit de documentaire-aanklacht Untouchable, is een klassieke narcist. Maar is hij ook een monsterlijke verkrachter? In de film werd al meteen de toon gezet door een zeer recente foto te laten zien, waarop deze pokdalige, corpulente straatvechter en gevallen filmbons, er wel heel ongunstig uitkwam. Een zieke mafioso. Later kwamen oudere foto's en andere foto's in beeld, waarop hij er zowaar nog enigszins aantrekkelijk uitzag, soort van, voor wie van het genre houdt. Maar het ging niet om zijn uiterlijk, het ging om de tachtig vrouwen die hem hebben aangeklaagd wegens grensoverschrijdend gedrag gedurende de afgelopen dertig jaar; in januari staat hij in New York terecht wegens verkrachting. 'Waarom wil je hier naar kijken,' vroeg lieftallige, die meekeek over haar laptop-klep, 'je weet toch?' 'Ja, maar ik wil weten hoe.' Het is fascinerend om te zien (behalve voor de slachtoffers) wat dit seksuele roofdier uit de kast trok, hoe zijn manipulaties hun beslag kregen. Macht is overal, en kan dus in theorie overal worden geruild tegen seks en andere gunsten, maar nergens was die ruil zo expliciet als in het filmwereldje rond Miramax. Soms verliep de ruil wat moeizaam. Uit niets blijkt dat Harvey vrouwen tegen de grond heeft gedrukt, met messen bedreigd, gedrogeerd heeft (zoals Bill Cosby kennelijk wel), opgesloten of op andere wijze fysiek zijn wil heeft opgelegd. Hij deed het met taal. Dreigende taal, verleidende taal, chanterende taal, psychopathologische taal. Als hij ging schreeuwen wist je, en hijzelf denklijk ook, dat hij verloren had. Vrouwen die met naar bed gingen, hoewel ze van hem walgden, zoals Paz de la Huertas getuigt in de film, hadden al eerder verloren, maar er is nog wel een klein dingetje zoals individuele verantwoordelijkheid. Er bestaan geen relaties zonder quid pro quo.

Nostalgie



Ik rijd naar het ouderlijk huis om mijn laatste troep op te halen. Mijn ouders verhuizen binnenkort naar een appartement in de stad. Ze gaan op kamers.
In de hal van het 'op toplocatie gelegen goed onderhouden, vrijstaand woonhuis met grote inpandige garage', zoals de makelaar het ouderlijk huis heeft omschreven, zit mijn vader met zijn jas aan op zijn rollator. Hij had iemand anders verwacht, iemand die hem naar zijn praatclub brengt.
'Ik kan maar een uur blijven want die schöne Führerin heeft de auto nodig om een duurzame boom op te halen in Laren,' verklaar ik maar meteen, om de klokken gelijk te zetten.
Als ik in een mum van tijd mijn troep (een grote doos, t.w. mijn archief, 'een schrijver zonder archief is geen knip voor de neus waard') in de auto heb gepropt, zitten mijn moeder en ik aan de thee in de living. Onwerkelijk idee dat over een maand, na zoveel jaar, geen Frölkes meer in deze living zullen zitten. Er is een cesuur nodig om nostalgie in opperste hevigheid te doen oplaaien.
Ze moet weg, een vriendin naar het vliegveld brengen. Uber zou een uitkomst zijn voor mijn moeder en haar vriendinnen, maar ze willen er niet aan.
Als ik alleen ben, keert bij mij kortstondig het gevoel terug van jaren geleden. Het gevoel van het rijk alleen. Die mix van opwinding en vrijheid en onrust, omdat je niet goed weet wat met die vrijheid te doen.
Ik banjer wat door het huis, neus in de ijskast in de bijkeuken. Basic lasagna van de Albert Heijn. Twee plakken bloedworst à € 0,99. Een doosje spekdobbeltjes.
Terug aan de eettafel zit ik wat voor me uit te kijken. Ineens staat ze weer voor me. 'Heb je niet in dat mapje gekeken?' 'Welk mapje?' 'Nou, dit mapje.' Ze pakt een bruin plastic mapje van tafel. Ik sla het open, mijn oog valt op een keurig getypt vel met als aanhef: 'Allerliefste schat.' Een liefdesbrief uit 1958. Die wil ik wel lezen.
Ze trekt het mapje uit mijn handen. 'Ik wil het eerst zelf lezen.'
Ik wist niet dat deze brieven er nog waren. Ik dacht dat alle liefdesbrieven waren verbrand. 'Beloof me dat je deze niet verbrandt.'
Dat belooft ze.

Gehaakt



Maarten had zijn koptelefoon opgezet; dat had hij beter niet kunnen doen. Woensdag, aan het begin van de avond, zo rond zessen, het was al pikdonker, was hij Hugo en zijn vriendje gaan ophalen van de voetbalclub. Ze hadden nog staan hannessen met verlichting, omdat Maarten zich had voorgenomen om dat nu eens goed te regelen voor zijn zoon. Hij had zijn eigen lichtjes aan Hugo gegeven, omdat die van hem het niet deden (daar voelde hij zich al wat schuldig over), maar die lichtjes waren nogal zwak geweest, vooral het witte voorlichtje was op sterven na dood, maar daar had hij verder niet bij stilgestaan. Wie bekommerde zich om licht in zijn tijd?
Het vriendje, Timon, had goede verlichting, zijn vader lette kennelijk wel op de kleintjes, maar goed, Timon fietste aan de binnenkant, en het ging nu juist om de buitenkant. De buitenkant was de kwetsbare kant.
Hij was goed geluimd, Maarten, en de jongens ook. Het was koud, maar het was aangenaam koud, Hugo en Timon hadden zoals altijd lekker gevoetbald, Hugo had zelfs gescoord, wat ook niet vaak voorkwam, en de verlichte huizen aan de overkant, de nieuwe zelfbouwvilla's hadden hun kerstbomen al hadden tentoongesteld achter hun gigantische gordijnloze ramen.
Maarten luisterde naar Hou je bek en bef me van Merol op zijn koptelefoon, had hij later gereconstrueerd (uit nieuwsgierigheid trouwens, maar het bleef gênant). Want twintig, dertig meter achter hem bleef Hugo haken aan de spiegel van een tegemoetkomende scooter, zo'n veel te hard rijdende scooter, die ook nog zigzaggend over het tweebaansfietsbad langs de Weespertrekvaart zeilde, onder zijn helm ongetwijfeld keiharde hiphop of iets anders geestdodends, maar dat viel niet meer te achterhalen.
Maarten wist pas dat er iets was bij het stoplicht. Timon tikte hem op de schouder, trekken was het meer eigenlijk. Hij was buiten adem, hij had hem proberen in te halen. 'U moet nu met mij meekomen, er is iets vreselijks gebeurd.'

Kopen kopen kopen, niet kijken

Floris Tilanus' illustratie uit De vertellingen van duizend-en-één-nacht

N. en ik zijn nog niet aangeschoven voor de lunch bij Luxembourg, of Jan Mulder loopt langs over straat, in zijn jasje, met zijn bril op, en stapt het grand café binnen. Jan Mulder is zich bewust van zijn Jan Mulderschap, Jan Mulder is de hele dag Jan Mulder, zou hij niet ook eens af en toe niet Jan Mulder willen zijn? Dat kan ik me zo voorstellen. Jan Mulder snelt naar de leestafel en slaat een krant open en na die even te hebben doorgekeken verdwijnt hij weer, Jan Mulder.
Als het droog is, banen N. en ik ons een weg over het hopeloos overhoopgehaalde Spui om bij Atheneum te komen, N.'s favoriete winkel. Hoewel N.'s rollator grote voorwielen heeft, die dus makkelijk stoepen en dergelijke zouden moeten kunnen nemen, help ik haar de obstakels over. Bij het Nieuwscentrum aangekomen, bedenk ik dat het aardig zou zijn een Corriere della Sera te kopen, dan kan N. haar Italiaans oefenen. De eerste de beste krant uit de schappen blijkt van vandaag te zijn. Hoe is dat mogelijk? Corriere della Sera is toch een avondkrant? Hoe kan die dan al 's ochtends in Amsterdam verkrijgbaar zijn?
Even verderop, bij de boekhandel, vragen we naar een boek van een Georgische schrijfster dat recent is vertaald, met in de titel iets met peren erin. Meer wist N. niet. De verkoper haalt moeiteloos het boek tevoorschijn. Goede boekverkopers outsmarten google. Daarna valt mijn oog op Arabische sprookjes geïllustreerd door Floris Tilanus. Zo wil ik ook wel kunnen tekenen. Kopen. En, omdat ik dat al heel lang van plan was, de verzamelde verhalen van Platonov uit de Russische Bibliotheek van Van Oorschot. Ik wou dat ik het me kon veroorloven.

Een soort dingetjes. Une réduction de Jasper Blom

Bronmateriaal hier.

Koop die man zijn CD's, u zult er geen spijt van hebben.

Vernissage

A hotelroom with Hugo, Sylvia and Olympia laying on her belly


Ik overtref mezelf – geloof me, dit gebeurt niet vaak – vind ik, door naar de vernissage te gaan van Mariecke van der Linden, die me, achteloos, op het schoolplein een uitnodiging in de hand had gedrukt voor haar show in een galerie aan de Veemkade. Toch twintig minuten fietsen door harde wind en pisregen. Maar als ik op de fiets zit met Nick Drake op mijn koptelefoon, bedenk ik dat alleen al de fietstocht de moeite waard was.
'Glaasje champagne?' vraagt een jongeman.
Het blijkt om crémant te gaan maar van een goed merk dus mij hoor je niet klagen.
De kunstenares straalt in haar zwarte, interessant uitgesneden, jurk. Ik wil al meteen een kritische noot kraken over haar werk, maar besef op tijd dat dit not done is. Niet op een vernissage. Niet tegen de kunstenares zelve. Dat is zoiets als op een boekpresentatie de auteur feliciteren met: weet je wat  o o k  goed is?
Nadat ik in gesprek raak met Justine van Lawick, een ervaren gezinspsycholoog over wat te doen bij geen of slechte omgang met je ex, en vervolgens met saxofonist en – weer iets geleerd – beeldhouwer Yuri Honing over compromisloosheid, knalt er tot overmaat van gezelligheid een fles rode wijn tegen de vlakte. Ik kan met gerust hart de terugtocht aanvaarden.
Vrijwel altijd is het beter om niets te doen. Soms kan een klein besluit om toch iets te doen onvermoede gevolgen hebben.

Surprise surprise-avond

Muizenhuis
De eerste surprise-avond met het samengesteld gezin was een geslaagd experiment. Eigenlijk werd er in de voorafgaande stress nauwelijks gehuild; ik herinner me alleen een gilpartij van de tienjarige toen de zesjarige zijn (begin van een) surprise had gezien (in een muizenhuis is het lastig geheime operaties uit te voeren), en een zenuwachtige snik van dezelfde tienjarige toen hij vreesde zijn surprise niet af te krijgen (laat staan zijn gedicht), maar toen hij zag hoe de negentienjarige dezelfde avond nog zijn surprise in elkaar timmerde, ontspande hij.
Ik had de zesjarige getrokken. Wat te maken? Geld in een doosje? Werd 'm niet. Ik kneedde een stuk klei in de vorm van een iPad (haar verslaving), plakte er een spiegeltje tegenaan en noemde deze in mijn gedicht (dat ze deels zelf voorlas, lang leve het basisonderwijs als er niet wordt gestaakt) 'model selfie'. Niet helemaal gender-neutraal, dit, besefte ik pas later, maar goed. Ze sloeg mijn surprise niet meteen op mijn hoofd stuk.
Het succes van onze eerste gezinssurprise-avond werd onherroepelijk toen de tienjarige in een deuk lag terwijl zijn surprise de negentienjarige eerst vieze vingers liet maken in een pizzadoos, en toen middels piepkleine briefjes van hot naar her stuurde op zoek naar zijn cadeautje. Werkt zelfs in een muizenhuis.
En o ja, lieftallige had mij tuk. Ze dicht ze helemaal niet slecht – voor een fotograaf.

Guilty pleasure



Toen N. en ik ons weer eens voor de lunch in Morlang hadden geïnstalleerd, bij het raam, en ik op weg naar de wc daar in de catacomben van dat prachtige grachtenpand een stapel spelletjes zag liggen, trok ik die oude vertrouwde rode doos uit de stapel, nam hem mee naar ons tafeltje en zei: 'We gaan scrabbelen.'
'Leuk!' zei N.
Ik schoof onze glazen witte wijn aan de kant, klapte het bord open, gaf haar en mezelf een balkje en zeven letters uit het zakje (waarbij ik oplette niet alleen E's te trekken), en KLABANG, daar gingen we.
'Ik geloof niet dat ik dit ooit heb gedaan,' zei N., met haar licht gekromde vingers spelend met haar blokjes.
'Wat, nog nooit gescrabbeld? Daar zie ik van op.'
'Bij ons werd nogal neergekeken op spelletjes. Ik voel me nog steeds schuldig als ik de scrypto, de crypto en de weet ik hoe die puzzels heten uit de krant zit te maken.'
'Een guilty pleasure.'
'Ja. En ik ben natuurlijk dyslectisch.'
Dat is een nogal vreemd iets, dat zelfverklaarde dyslecticisme van haar, want ze verslindt boeken, een van de redenen dat ik zo op haar gesteld ben geraakt.
Ze legt een P op het middelste roze vakje van het bord, dan een U op het vakje daar schuin onder (twee keer letterwaarde), en dan een T op het vakje daar weer schuin onder (drie keer letterwaarde), vervolgens T (2 x woordwaarde) en E (idem) en N (idem). Bij elkaar opgeteld 63 punten. Stralend kijkt ze me aan.
Ik neem een slok wijn. 'Sorry, diagonaal mag niet. Alleen horizontaal en verticaal.'
Ze is enigszins verbaasd, maar goed, oké. Later probeert ze nog haar X kwijt te raken door NIX te leggen, en hoewel dat mijn voorkeursspelling is, mag ook dat niet. SH en daarna SHE zie ik door de vingers.
Ik laat haar uiteraard winnen, zo zijn de kaarten geschud, maar kan niet de verleiding weerstaan om VANGNET te leggen op een plek waar dit veel punten oplevert.
Volgens mij hebben we een nieuwe hobby.


Vijfendertigste werkdag



Het eerste wat opvalt als ik de oud-bibliothecaresse kom ophalen voor het uitje naar Brummen is haar nagellak. De rose-rode verf is alweer een beetje afgesleten. Ik heb haar nog nooit met make up op gezien, en zeker niet met nagellak.
Het tweede wat opvalt is haar schoeisel: snowboots. Niet te warm? Nee, lekker juist. Heeft iemand van het zorgcentrum voor haar gekocht.
Als ik mijn hoofd recht in het gezicht van de oud-bibliothecaresse steek en met luide stem verklaar: 'Hier is de man met de hoed, maar nu zonder hoed!' lacht ze. Een goed teken. Hebben we er zin in? We hebben er zin in.
We gaan een oude vriendin opzoeken, een ruim tien jaar jongere oud-bibliothecaresse die enige jaren geleden in Brummen is neergestreken met haar man.
Waarom in Brummen, zou je je af kunnen vragen, maar als ik in Brummen ben, vraag ik me af: waarom  n i e t  in Brummen?
De jonge oud-bibliothecaresse groet de oude oud-bibliothecaresse hartelijk, maar de communicatie blijft beperkt.
De oude wordt in de grootste fauteuil geïnstalleerd maar wil meteen weer opstaan. Nu alweer weg? Dat zou wat zijn. Nee, even de benen strekken. Ze rommelt wat door het huis, achter haar rollator aan, snuffelt aan boeken en pakt een iPad op alsof het een antieke schaaltje is. Als ze alle stoelen heeft uitgeprobeerd nestelt ze zich, toch nog verrassend, als een bibberend kind dat net uit het zwembad komt, heel dicht tegen mij aan. Ik sla een arm om haar heen. 'Neem het niet persoonlijk,' zeg ik nog tegen de jonge oud-bibliothecaresse.
Ze vertelt een verhaal dat ik nog niet kende, namelijk dat de oude langgeleden in Amsterdam-West een workshop voor dakloze schrijvers verzorgde. Ze leerde daar een Britse dakloze schrijver kennen die ze in huis nam.
Niet veel later overleed hij.
Een liefde?
'Hoe heette die Britse dakloze schrijver die jij ooit in huis nam?' roep ik in het oor van de oud-bibliothecaresse naast me.
Zonder een moment na te denken zegt ze: 'James.'

Andere lijven



Behalve door het water en de warmte in de sauna, word ik getroost door de lijven die ik zie. Tenminste, als ik over de lichte schaamte voor de tentoonstelling van mijn eigen lijf heen ben. Ik  schaam me niet zozeer voor mijn buik of moobs, maar voor mijn hamer- en klokkenspel. De afmetingen. Size matters; dat zijn de genadeloze wetten der biologie. Ik had mijn badjas nog niet opgehangen of er stapt een man onder de douche met een enorme knuppel tussen zijn benen, een politieknuppel van een penis, zo een die breder wordt aan het einde. Ik wil graag geloven dat wat slap klein lijkt, in erecte staat nog wat kan worden – en omgekeerd – maar dit. Konten, ook zoiets. Als je nooit naar de sauna gaat, naar het naaktstrand of een andere plek waar naakten vrij te bezichtigen zijn, zoals bij een fotoshoot van Spencer Tunick, kun je gemakkelijk gaan geloven dat de kont van je bedgenoot maatgevend is. Maar vandaag zag ik een lege kont met een rare vouw erin, die ik nog nooit gezien had. Of er een stuk vlees uitgehaald was. Misschien was dat ook zo. Schedes: of je er nu zin in hebt of niet, in een dag sauna maak je kennis met pakweg honderd schedes, en, o God, o Schepper, o Onbewogen Beweger, hoeveel variatie hebt Gij hierin weer aangebracht! What were Thou thinking? Ik heb het nog niet over borsten gehad. Zelfs wie keurig zijn blik afwendt, zoals ik toch wel af en toe probeer te doen, ontkomt niet aan de borsten. 'Denk je dat ze echt waren,' vraagt mijn favoriete sauna-ganger, nadat we een lauwwarm bad waren ontvlucht waarin een zwaargetatoeëerde spierbundel zijn rondborstige liefje aan het opvrijen was (verboden dit, maar houd je er maar eens aan). 'Nee,' zei ik, 'daarvoor stonden ze te strak, toch? Maar, om met de verteller uit FAKE te spreken: Waren ze echt? Ze waren er.'

Geen surprise



Opa en oma willen graag de tienjarige en de zesjarige bij ons aanstaande bezoekje 'rijden'  – dat wil zeggen, een surprise voor hen maken inclusief gedicht, maar hoe dan?
'Een leeg pakje met een briefje erin gefopt,' zeg ik tegen mijn moeder aan de telefoon. 'Dat kennen ze van malle pietje van het Sinterklaasjournaal.'
Mijn moeder geeft van alles en nog wat, maar een leeg pakje zal je haar niet zien geven, ook al is het de running gag van het Sinterklaasjournaal.
Na het avondeten haalt ze twee pakjes tevoorschijn. 'Die zijn door Zwarte Piet afgeleverd,' zegt ze.
'Veegpiet zul je bedoelen,' zeg ik. 'Zwarte Piet die kennen wij niet.'
De gezichten van de kinderen lichten op. Als je een pakje laat zien aan een kind, interesseert die zich niet meer voor de herkomst van dat pakje, alleen voor de bestemming; hetzelfde effect dat gratis heeft op winkelende volwassenen.
Eerst de gedichten. De reden dat deze pakjes niet via de schoen gaan (die avond mochten ze van Dieuwertje weer worden gezet) maar nu al worden uitgepakt, is dat opa, die de gedichten schreef en benieuwd is naar hun uitwerking, niet bij de schoenpakjesonthulling kan zijn (opa is niet zo matineus). Welnu, de gedichten komen goed aan. En wat zit er in de pakjes? Een hoop snippers en als je goed zoekt een envelop met een bankbiljet.
De tienjarige is zeer opgetogen. Hij weet nu al wat hij van dat geld gaat kopen.
De zesjarige is hevig verontwaardigd. 'Dat is toch geen surprise!' roept ze uit.

Lootje

Damien Hirst: False idol

De opwinding van het lootjes trekken in het gezin, de opmaat voor dat alleraardigste Nederlandse ritueel, namelijk dat van de surprise avond, kwam bij de tienjarige helemaal binnen. Hij begreep het concept. Op school hadden ze het ook gedaan. Maar kon hij zijn geheim bewaren? Hij wel, als ik hem moest geloven, maar zijn vriendjes konden de verleiding minder goed weerstaan, of het interesseerde ze minder, en al deducerend (ziehier de pedagogische bonus) kon de tienjarige van vrijwel alle klasgenootjes voorspellen wie ze getrokken hadden.
De zesjarige had een andere, fascinerende reactie op het lootjes trekken in het gezin, namelijk stress. Het lootje – i.e. het geheim – dat ze nu droeg, samen met mij, want ik zou haar helpen met dichten en knutselen, was iets dat ze zo snel mogelijk van zich af wenste te werpen als ware het een tak op haar schouder.
Kennis is macht, zou je denken, maar daarvan is ze nog niet doordrongen. Iets weten wat de ander niet weet, iets weten wat de anderen graag zouden willen weten… het voordeel hiervan heeft ze nog onvoldoende ontdekt.
Met haar kalverliefde in de klas heeft ze wel al wat geheimen gedeeld, maar die waren van korte duur. De opwinding van het hebben van het geheim ging vrijwel gelijk op in de opwinding van het verklappen van het geheim. Ook leuk, maar anders.
Dat ik onlangs aan de eettafel een van haar kalverliefdesgeheimen verklapte beschouwde ze daarentegen duidelijk als een inbreuk op haar privacy.
Misschien moeten we van geluk spreken dat haar geheimhouding voorlopig nog niet optimaal functioneert.

Gentle reminder


Van de bladeren resteert nog een natte troep
in het verlaten parkje.

Aan de kade steekt een reusachtig skelet
dreigend in de lucht.

Maar vandaag schijnt de zon, want ik heb je gezien.
Plotseling stond je voor me, als een geestverschijning,
bij de bloemist op de hoek.

Geen gewone graffiti, maar Kunst, zoveel is zeker,
van iemand die wist waar hij (was het een zij? in mijn dromen) mede bezig was.

Jeugdig oog je, alsof je bij de pojisie zit,
lid van een katholieke knokploeg.

Ik dacht: wie weet nog wie Gerard Reve is?
Ik dacht: hoe lang ben jij al Doodt?

Lieve hemel, dat is waar ook – en het is ook zo –:
het wordt alweer tijd voor De avonden.



Sorry we missed you



Herkenbaar: de muren waar de hoofdpersoon van Sorry we missed you, de laatste film van Ken Loach, tegenaan loopt als 'zelfstandig pakketbezorger'. Rennen om je tijden te halen, dan voor dichte deuren staan, mensen die geen pakje willen aannemen voor de buren, nergens kunnen pissen, een hufterige baas, onderlinge concurrentie op depot. En de wissel die deze moderne zware fysieke arbeid trekt op, om maar iets te noemen, het gezin. De spiraal van ellende waarin alle leden van zo'n gezin terechtkomen doordat pappie en mammie (werkzaam in de thuiszorg) als verftubes worden leeggeknepen door hun veeleisende, structureel onderbetaalde werk (nog afgezien van de boetes!).
Een sociaal drama dus, een genre waarin Loach is gespecialiseerd.
Mooie scene: de vader die de puberzoon, die van school dreigt te worden getrapt, probeert over te halen zijn best te doen, want dan heeft hij tenminste kansen om er iets van te maken straks. 'Anders word je net zoals...' 'Jou?' hoont de zoon. Al eerder had de zoon hoofdschuddend kennisgenomen van vaders nieuwe bullshitjob.
De puberzoon die beter begrijpt hoe de bullshiteconomie in elkaar zit dan zijn vader.
Loach geeft ons geen troost, de spiraal wordt niet gebroken, zelfs de spaarzame muziek in de film troost niet. De humor, die gelukkig wel in de film zit, lijkt hier en daar onbedoeld.
Jammer dat Loach er een bijbelse (het boek Job comes to mind) vertelling van heeft gemaakt waarin vanaf de eerste shot duidelijk is wie goed is en wie slecht. De film was interessanter geweest als hij zijn moderne held, want dat is de pakketbezorger, iets verdorvens had meegegeven en de moderne schurk, zijn baas, iets ontroerends.
Toen Dagboek van een postbode uitkwam in 2016 sprak ik diverse film- en televisiemensen die er wat in zagen, maar toen werd het stil. Op basis van dat boek zou je een Nederlandse Sorry we missed you kunnen maken. Minder hard. Subtieler.

Andere roman

Jake Mosher

De kogel lijkt door de kerk: deze auteur maakt voor volk en vaderland, herstel uitgever en agent, een knieval voor de toegankelijkheid.
Het belangrijke deel van mijn tweeledige manuscript is bij nader inzien misschien toch niet zo belangrijk. Of: belangrijk voor de auteur, maar niet onmisbaar of 'gewoon irritant', voor de lezer.
Maar wacht, dat belangrijk deel was toch mijn roman? En dan zou nu het compendium bij die roman op zichzelf staand worden uitgegeven? Moest het niet andersom zijn? Wellicht niet, wellicht moest de roman worden geschrapt om een andere, betere roman tevoorschijn te laten komen. Want, zo heb ik me laten vertellen en ik begin er langzaam zelf ook in te geloven: dat compendium is een roman. Een bijzondere zelfs. 'Zoiets heb ik nog nooit gelezen.' Dit hoort een schrijver, behalve een zelfhatende, graag.
Nu ik langzaam wen aan mijn sterk vermagerde vorm (maar stiekem ook nog steeds in rouw ben voor het kind dat ik – zonder badwater hoop ik – heb weggegooid; of omgekeerd, ach laat ook maar), probeer ik rechtvaardigingen te vinden voor de gemaakte keuze. Zelfrechtvaardiging: de noodzakelijke bias van de homo sapiens, anders wordt hij gec.
Om een ster goed te zien moet je niet naar die ster kijken, maar net ernaast.
Less clothes is more nudity.
Toch?

De blokfluitist




Terwijl ik in een broodje haring met uitjes en zuur bijt bij Stubbe's haring, aan het begin van de Haarlemmerstraat, zie ik dat passerende toeristen of Amsterdammers - het verschil wordt kleiner - hard moeten lachen om de straatmuzikant even verderop. Er wordt druk gefilmd en gefotografeerd want dit is hilarisch, dit hebben we nog nooit gezien. Wat hebben we nog nooit gezien? Een oud mannetje met een olifantenmuts op die een witte plastic blokfluit bespeelt voor geld. Omdat hij leren handschoenen draagt kan hij geen afzonderlijke gaatjes dichten, laat staan in de buurt komen van een melodie. Daar lijkt hij ook in het geheel niet op uit: hij blijft staccato de cis spelen (die hoor je als alle gaatjes open blijven) en dan vaag met een aantal vingers tegelijk over de onderste gaatjes gaan, zodat er een soort van triller ontstaat.
Philip Glass, maar dan anders.
Ik gooi een vijftig cent munt (ik ben vrijgevig de laatste tijd) in zijn bakje maar de munt springt uit het redelijk goed gevulde bakje, landt op de tas van de blokfluitist. De blokfluitist onderbreekt zijn performance, pakt de munt.
Opgezwollen benen, zegt hij, terwijl hij de pijpen van zijn skibroek optrekt en inderdaad, zijn benen zijn opgezwollen. Allebei. Dat niet alleen, ik zie ook wonden . Binnenkort naar dokter, zegt hij. Benen omhooghouden, is het enige advies dat mij te binnen schiet. Hij knikt driftig, maar wat heeft hij eraan? Ik op straat slapen. Koud! Ja. Koud! Waar kom je vandaan? Oostenrijk. Hoe heet je? Paul. Ik weet voorlopig genoeg en wens hem het allerbeste. Het blijft een uitdaging om de mens niet te bespotten, niet te benijden en ook niet te betreuren maar te nemen als elk ander.

Respectloos



Terwijl mijn blondjes voetballen in de kille regen, zit ik in een kleine ruimte van de belendende club, die zo vriendelijk zijn kunstgrasvelden ter beschikking heeft gesteld, op een stoel te lezen. Er zitten nog meer soccer-moms in deze ruimte, die nog het meest wegheeft van een wachtkamer bij de tandarts, maar, moet ik er helaas bij vermelden (de relevantie zal straks blijken), ze zijn allemaal bruin en niet blond. Alle voetballertjes van deze club zijn bruin, terwijl de meeste voetballertjes van onze club, honderd meter verderop, blond zijn. Ik denk niet dat racisme daarvan de oorzaak is, of het moet een luie vorm van racisme zijn; soort zoekt soort. (Overigens is het wel zo, valt me op, dat een aantal fanatieke trainers bij deze club weer wit zijn, zul je net zien.)
'Wilt u alstublieft weggaan,' zegt iemand tegen mij.
Ik kijk op van mijn boek. Een bruine man van een jaar of dertig staat voor me. Hij heeft het inderdaad tegen mij. 'Waarom?'
'Dit is een privéruimte.'
Een privéruimte? En al zou het een privéruimte zijn, waarom zou dit arme voetbalvadertje dan niet mogen schuilen? Mi casa es su casa enzovoorts?
Schoorvoetend, mokkend, tsk-tsk-end, verlaat ik de ruimte – evenals trouwens een trosje witte voetbalmoeders met kleine, witte kinderen op de arm, dat niet zoals ik brutaal een stoel had uitgekozen maar zich in het halletje ophield.
Als ik buiten sta, voegt de bruine man me nog toe: 'Ik vind het respectloos, dat u niet meteen opstaat en weggaat.'
Ik kauw na op het woord 'respectloos' en dat is denk ik waar de rassenrelaties (wat een verschrikkelijk woord, maar er is geen beter) toch weer relevantie krijgen. Want tot het moment dat de man de term 'respectloos' in de mond nam, had hij net zo goed wit kunnen zijn, een witte zeikerd. Nu was het een bruine zeikerd – die het op het laatst niet kon laten de rassenkaart te trekken.
Maar dat ik daar überhaupt durfde te gaan zitten, getuigde in zijn ogen misschien wel weer van white privilege.


Seksleven

Bordspel van de Rutgersstichting

De vraag kwam onverwacht om het zacht te zeggen, als een harpoen uit de donkerte schoot hij op me af: 'Hoe is jouw seksleven?'
Ik zat ruimschoots na afloop van de herfstborrel van mijn uitgeverij in een luie fauteuil bij het nephaardvuur in de IJsbreeker min of meer per ongeluk in een huisgemaakte, in jus badende gehaktbal met Amsterdams zuur te prikken. Per ongeluk omdat ik al een keer naar huis was gegaan om halverwege terug te keren omdat ik een aldaar uitgedeelde Russische novelle was vergeten (ik keer altijd terug voor de Russische literatuur), het al laat was en mijn aanbiddelijke thuiszitter zei dat ze eten voor me had.
Ik keek de vragenstelster aan, een donkerharige vrouw van in de dertig met een scherpe neus en getatoeerde armen en een minieme, sardonische glimlach op haar gezicht, en begon uit te weiden over mijn seksleven.
Er waren nog twee andere vrouwen aanwezig: een redacteur, die ik nog nooit eerder gezien had maar met wie ik wel al buiten een gebietst sigaretje had staan paffen en een blonde vrouw met een kuiltje in haar wang, die net een contract had voor een boek over haar falen op de liefdesmarkt (waarin vast ook wel haar seksleven aan bod kwam); hoe dan ook, ze bleef verdiept in haar gebarsten telefoonschermpje.
Toen ik een stuk was gevorderd over mijn seksleven, dat toch, hoe je het ook wendt of keert, het seksleven van een getrouwde vijftiger met drie kinderen is, hoorde ik mezelf een aantal gemeenplaatsen debiteren over de verschillen tussen mannen en vrouwen. Er viel een stilte, maar geen lange, want ik oreerde alweer verder. Ik vond het een goede vraag, de vraag naar mijn seksleven, een vraag die ik niet zo vaak krijg, zeker niet in zo'n setting, maar pas toen ik naar huis fietste schoot me te binnen dat ik de vragenstelster had moeten vragen naar haar seksleven.



Turks Fruit revisited



Het eerste wat me opviel na mijn herlezing van Turks Fruit – toegegeven: long overdue – was de ongehoorde vaart van Wolkers' vertelling. Elk hoofdstuk is een lange tirade, zonder alinea-indeling, de woorden blijven komen, als mitrailleurvuur. De auteur schakelt moeiteloos heen en weer in de tijd, en dit schakelen komt niet over als een bedachte literaire constructie, maar als natuurlijke, zeer menselijke chaos, het op en neer, het rafelige patroon van een verhaal zoals je ook in de kroeg aan je buurman zou kunnen vertellen.
Na tweehonderdpagina's en nog wat is het bam! afgelopen. De kanker van de heldin, haar kaalgeschoren kop met het luikje, Wolkers besteedt er maar weinig woorden aan. Des te harder komen ze aan, denk ik. Wie durft heden ten dage nog zo beknopt te zijn? Dimitri Verhulst comes to mind.
Het uitspinnen van scenes, dat in de literatuur zo populair is, en waar ik me ook wel schuldig aan heb gemaakt – zou dat de invloed van film en televisie kunnen zijn? Wolkers raast door de handelingen, met een enorme rijkdom aan anekdotes; T.F., schijnt om die reden ook wel een parelketting van anekdotes te worden genoemd, las ik in Onno Blom's biografie. Zelden werden in een boek zo gretig moppen getapt (wie voorziet zijn literaire meesterstuk van een motto uit Kuifje?). En laten we wel wezen, moppen zijn ook heerlijk, mits goed verteld, maar nogmaals, wie durft dat nog?
'Midden in de nacht werd ik wakker van de kou en zat toen met mijn pik in haar aars.' Dat is op het randje van de geloofwaardigheid, en afgezien van Wolkers' machismo en gebrek aan zelfspot is er weinig gedateerd aan de manier waarop er in T.F. wordt 'geërotiekt'.


De vinger

Hill and Adamson: The fairy tree at Colinton

Gisteren kreeg ik de vinger van mijn zelfgehuwde vrouw. Eerder al had ik de vinger gekregen van mijn zelfverwekte kind, maar dat was niet gemeend want onderdeel van een goocheltruc: ze hield haar opgestoken hand met de rug naar me toe en zei, de vingers één voor één aflopend, 'blaadje, blaadje, boompje, blaadje, blaadje. Blaas eens.' Ik blies. Alleen het boompje bleef overeind. De vinger van de zelfgehuwde vrouw kwam op de Damstraat ter hoogte van de Pillenbrug. Heb ik eerder gezegd dat het wel meevalt met het toerisme in Amsterdam, dat we niet moeten zeuren? Toen sprak ik zeker niet over de Damstraat en toen probeerde ik zeker niet met voornoemde vrouw en kinderen die straat door te fietsen in de richting van de Dam op een zonnige zondagmiddag in november. Gisteren probeerde ik dat dus wel en kreeg ik de vinger toen ik omkeek naar mijn vrouw nadat ik had moeten stoppen omdat de stapvoets bewegende auto's ons langzaam tussen autoband en stoeprand bezig waren te vermalen. Had ik niet een rustigere route kunnen nemen, over het Rokin bijvoorbeeld? Maar had ze dan niet gezien dat het fietspad langs de Amstel naar de Munt, dat ik, komende uit de Halvemaansteeg, wilde nemen, niet meer bestond, dat dit fietspad zonder dat we waren geïnformeerd geruisloos was verdwenen in een voetpad vol toeristen? Nee, dat had ze niet gezien. Natuurlijk was hier sprake van shit, maar ik denk in zulke situaties: when shit happens, embrace shit. Zij denkt: when shit happens, blame husband. Er zijn meer mogelijkheden.

Een naar verhaal waar niemand op zit te wachten

Janos Valentiny: The beggar

Voordat ik het kantorencomplex van mijn agent betreed op de Korte Leidsedwarsstraat, word ik aangesproken door een jongeman die scheef loopt, scheel kijkt en vieze, kapotte kleren draagt.
Ik banjer al de hele middag door de binnenstad, iets wat ik iedereen kan aanraden die even niet meer weet wat hij met zichzelf aanmoet en die zich afvraagt waarom hij ook alweer in een stad als Amsterdam woont.
Dat van die  overlast van toeristen is onzin. Toeristen horen bij een stad als luizen op een kinderhoofd.
'Sir, can I ask you for some money, I haven't eaten yet, the place at the Leger des Heils didn't have the kind of food that I need.'
De jongeman houdt zijn hand open om te laten zien wat hij heeft: vijf cent. Een goede truc.
'Hoe oud ben je?'
'O, u spreekt Nederlands! Ik dacht dat u een toerist was, u ziet er zo toeristisch uit.'
'Dank je. Maar hoe oud.'
'Vijfentwintig.'
Ah, denk ik en haal mijn portemonnee tevoorschijn, die nu eens niet helemaal leeg is, – een meevaller – even overweeg ik hem €5 te geven, maar ik bedenk op tijd dat een donateur moet doneren naar draagkracht en niet naar dromenland, dus ik houd het op €2. Hij steekt het gretig in zijn zak.
'Denk je dat bedelen de toekomst heeft?'
Een deel van zijn scheve gezicht wil ja knikken, dan lijkt in een ander deel van zijn hoofd het kwartje te vallen en op de toon van een gestraft kind zegt hij: 'Nee.'
'Je zou het eens bij Oudezijds100 moeten proberen, een soort klooster op de wallen, daar kun je gratis eten en volgens mij ook slapen.'
Hij begint te stralen. Hij zou erachter aan gaan. Ik hoop niet dat ik teveel heb beloofd.
Als ik in het kantoor van mijn agent plaatsneem, hoor ik mezelf zeggen: 'Ik heb een titel voor het deel van mijn manuscript waar mijn uitgever niet doorheen komt. Een naar verhaal waar niemand op zit te wachten.'

Majesteitelijke lunch



Ik kreeg een dichtgetapete helm op mijn hoofd en werd voor de zekerheid nog even wat om mijn as gedraaid, nog altijd een vrije goede methode om mij te desoriënteren. Op geluiden kon ik ook niet meer afgaan, want door de oortjes in de helm hoorde ik alleen nog onduidelijke repeterende klanken die waarschijnlijk voor muziek moesten doorgaan. Men loodste mij de deur uit, zoveel had ik nog wel kunnen opmaken, een auto in, een voertuig moet je dan geloof ik zeggen, want het had net zo goed een bus kunnen zijn (geen koets). Volgde een rit die ik maar tot op zekere hoogte met de mentale kaarten in mijn hoofd kon volgen. Ik ben er vrijwel zeker van dat ze af en toe onlogische afslagen maakten, of zelfs rondjes reden, om mij nog verder van het pad af te krijgen. Na een uur of wat stopten we en mocht ik de helm eindelijk afzetten. De stilte was ronduit weldadig, en het licht zaligmakend. Ik was in een ruimte die heel erg op mijn huis leek, maar dit kon mijn huis niet zijn, want aan tafel zat de ZKH de koning, met naast zich HM de koningin. Ik wilde uitschreeuwen: wat doen jullie hier, ik geloof niet in overgeërfde functies, bovendien zit er een gat in mijn trui en moet ik hoognodig naar de kapper, maar in plaats daarvan schreeuwde ik niets, ik boog, ik kowtowde zelfs, heerlijk om dat ook weer eens te doen, en beleefde een opmerkelijk plezier aan het uitvoerig handkussen van HM de koningin, die helaas een lange witleren handschoenen droeg, maar dan nog. Ik meende dat ze me een goedkeurend kneepje gaf na afloop maar dat zal wel weer ingebeeld zijn. Ik mocht tussen ZKH en de HM plaatsnemen. Een lakei informeerde wat ik wilde drinken maar hij verontschuldigde zich meteen al, omdat er niet zoveel in huis was (dus het was toch mijn huis). Ik bestelde een kop rooibos, meer trek had ik ook niet. De koning, links van mij, veegde zijn lippen af, – hij had kennelijk een worteltje met hummus weten op te knabbelen, dat de lakei in de ijskast gevonden had –, en zei: 'Vertelt u eens, heer Viktor, wat houdt u dezer dagen bezig?' De geamuseerde glimlach die op zijn gezicht stond gebeiteld zal ik niet gauw vergeten.

Reader's block

Jan Jutte: Wat je niet allemaal kunt verzinnen

De aimabele receptioniste van mijn uitgeverij verzucht: 'Ik lijd denk ik aan reader's block.' Ze weet niet meer wat ze moet lezen; waar ze ook aan begint, het kan haar niet boeien. Er is ook zoveel. De stapels slinken niet, maar groeien. 'Ken je dat, Viktor, reader's block?'
Ik geloof het niet. Ik lees altijd, overal en van alles en nog wat, liefst door elkaar heen. Ik kan niet niet lezen. Ook een afwijking.
Ik kan de rust niet vinden om te lezen, zegt ze. En waar moet ik aan beginnen? Wat moet ik uitlezen, wat moet ik na zoveel pagina's laten schieten?
Wat te lezen is inderdaad een lastige vraag, om nog maar te zwijgen over wat uit te lezen.
Waarom eigenlijk lezen? Dat laat zich m.i. aldus beantwoorden: je leest om jezelf te vergeten. Selbstvergessenheit heet dat bij Thomas Mann. Tuuk, met film kan het ook, met theater, het circus en wat al niet, maar literatuur lijkt gemaakt voor dit doel, de intieme relatie tussen schrijver en lezer enzovoorts. 'Lees een klassieker,' probeer ik nog. 'En als je het echt niet meer weet, grijp dan terug naar de sprookjes van Andersen. Die doen het altijd. Daar is niet lang geleden een schitterende uitgave van verschenen, geïllustreerd door Jan Jutte en in het Nederlands vertaald door dr. Annelies van Hees.
De receptioniste zal het overwegen, keert terug naar haar telefoon.
Mijn redacteur verschijnt. Mijn uitgever. Ik ben op de uitgeverij om mijn volgende roman te bespreken. Wat blijkt? Voor het eerst in mijn schrijverscarrière krijg ik te horen dat mijn manuscript, althans een belangrijk deel ervan, niet om door te komen is.

Hond

Art and Dogs
Lavinia Fontana: Portrait of a noblewoman


'Pappa, mag ik een hond?' Mijn zesjarige zit voorop de fiets op weg naar school. 'Ik wil zo graag een hond! Toe nou, mag het?'
Ze weet dat ik haar niet nu al die hond door de neus ga boren, ze weet dat ik dat onnodig wreed vind, om die droom nu al aan diggelen te slaan, dus ze zeurt door. Ze is goed in zeuren en drammen trouwens, ik vraag me af van wie ze dat heeft (nee, dat vraag ik me niet af).
Ja, een hond, die willen we allemaal wel, maar we wonen te klein. 'We kunnen zelf nauwelijks onze kont keren in huis, laat staan met een hond erbij. Bovendien we hebben al een rode kater. En trouwens, wie gaat die hond uitlaten? Jij misschien de eerste paar keer, maar als de nieuwigheid eraf is, zijn wij de klos. Ik ben dol op wandelen, maar niet op commando.'
'En als de poes er niet meer is?'
'Ja, als de poes er niet meer is, dan is er een nieuwe situatie. Dan kunnen we het er misschien weer over hebben.'
Wacht even, suggereert mijn zesjarige hier dat we het ene huisdier alvast richting huisdierenhemel zouden kunnen dirigeren om plaats te maken voor het volgende?
Ik denk aan mijn eigen hond, die kwam toen ik zeven was en die mijn jeugd draaglijk maakte. Nee, ik ben de eerste om toe te geven dat het onthouden van een hond aan een kind grenst aan emotionele verwaarlozing, maar, nou ja, enzovoorts. Er zijn nogal veel honden, overal. Genoeg eigenlijk. En je weet nooit of er een bij zit die jouw kind doodbijt.
Die middag, alsof de God der Honden ermee speelt, zie ik op de Reguliersgracht mijn oude hond lopen, dat wil zeggen: een kopie. Ook een lichtbruin exemplaar, ook niet helemaal ras, waarschijnlijk, en ook nog in bezit van staart (die destijds nogal eens werd 'gecoupeerd'; jakkes, ik hoop dat dat dankzij de PvdD tegenwoordig verboden is).
Ik buk om te aaien. 'Leuk beestje, zo een had ik ook vroeger.'
'Ja, echt een héérlijke hond!' kraait de hondenbezitster, een vrouw van in de veertig, met wapperend haar. 'Hij komt ook bij mij in bed! Héérlijk!'
Too much information.

Dankwoord




Gisteren kreeg ik een lintje. In mijn linkerhand. Het was niet helemaal onverwacht dat ik zou worden onderscheiden wegens bewezen diensten aan de lieve stad; toch was ik verrast door het tijdstip en de vormgeving. Het was een satijnen lintje, dubbelgestrikt (kennelijk uit zorg voor wegwaaien of in verkeerde handen vallen). Ik was er blij mede, met mijn lintje, maar ik was tegelijk bedroefd omdat ik wist dat het lintje niet kon blijven, ik moest het teruggeven aan de gemeenschap, en ja, al ruimschoots voor mijn dood. Wie al te lang blijft hangen, leunen, rusten op zijn lauweren, komt niet meer vooruit en kan net zo goed meteen temidden van zes planken plaatsnemen. Dus ik wierp het lintje al fietsend over mijn schouder, fietsend door de Pijp, een toepasselijke wijk om lintjes over de schouder te werpen. Ik heb niet omgekeken, maar wel nagedacht, omdat ik altijd nadenk. Het lintje was en werd een soort luchtpost zoals luchtpost bedoeld is en ik houd erg van luchtpost, ook van flessenpost trouwens, er wordt te weinig lucht- en flessenpost verstuurd dezer dagen naar mijn bescheiden mening, we kunnen denkelijk niet meer tegen de onzekerheid, enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen, maar laat me met een vrolijke noot eindigen.

Reflecties



Ik zat precies op tijd in het nieuwe restaurant op het nieuwe plein en probeerde niets te doen. Eigenlijk was ik te vroeg, ik had nog wat rond gedraald over het plein, ik was hier nog nooit geweest. In het midden stond een kunstwerk. Vanuit de verte leek het op een samengeraapt zootje, troep die je zou verwachten bij de vuilcontainer: ijskasten, fietsen, een fauteuil, etc. Toen ik wat dichterbij kwam (het was donker), zag ik dat alle objecten in brons waren gegoten en toen ik nog wat beter keek, zag ik dat het een fontein moest zijn (want gaatjes). Ik liep om het geheel heen, nergens een bord met uitleg.
De ober die mijn jas aannam kon me ook niet verder helpen.
Hoe lang zat ik hier al aan dit tafeltje? Een paar minuten. En degene met wie ik had afgesproken had net laten weten nog een paar minuten later te komen. Was het mogelijk tien minuten niets te doen? Ja, dat was mogelijk, al dacht ik dat ik om die reden door belendende eters werd aangestaard. Waarom kijkt die man niet op zijn telefoon? Is hij niet nieuwsgierig naar wat er op zijn telefoon gebeurt? Gebeurt er niets op zijn telefoon?
Ik keek naar het wijnglas bier dat de ober mij had gegeven, ik keek naar het wijnglas in het spiegelende tafelblad, ik draaide het wijnglas om zijn as, ik draaide het andere glas, gevuld met kraanwater, om zijn as. Heel boeiende reflecties leverde dit niet op. Ineens schoot me te binnen dat ik kon googelen hoe het kunstwerk heette, ik pakte mijn telefoon, maar legde hem weer weg, want ik had me voorgenomen om niets te doen, al was het maar voor een paar minuten. Het voelde als een verlossing toen degene met wie ik had afgesproken eindelijk in mijn gezichtsveld verscheen.

Het kunstwerk (op het vernieuwde Stadionplein) is dus van Matthew Darbyshire en heet 11 Rue Simon Crubellier.

Toegankelijkheid




N., N.'s rollator en ik proberen het Allard Pierson Museum binnen te komen, wat nog niet meevalt. Komende vanaf Hotel de l'Europe gaan we een deur in waarboven Allard Pierson Museum staat, maar die eindigt in een steile trap naar beneden. Even verderop verschijnt er een Allard Pierson-ingang met een hellend vlak naar beneden. Aantrekkelijk. Eenmaal bij de balie aangekomen, krijgen we te horen dat we de hoofdingang moeten hebben, aan het begin, of het eind, van de Oude Turfmarkt.
Eerst maar lunchen, besluiten we, dat kan daar beneden namelijk ook, in de nieuwe lunchroom. Die is, op een verdwaalde studente en een vergaderend drietal na, leeg. Al snel blijkt waarom. Eten en sfeer hebben iets weg van een gevangeniskantine. Service is überhaupt afwezig, maar de prijzen zijn er dan ook naar.
N. duwt haar rollator hetzelfde hellende vlak weer op naar buiten. Bij de hoofdingang stuiten we op het klassieke trapgewelf, dat ik me nog herinner uit mijn studententijd. 'U moet een ingang terug hebben,' zegt een ongeschoren jongeman met een oorbel.
'Daar komen we vandaan, we werden hierheen gestuurd.'
De ongeschoren jongeman is zo vriendelijk ons te begeleiden. Opnieuw het hellend vlak af, langs de portier die dus ongelijk heeft gehad maar ja, dan de lift in. Eindelijk kan het bezoek aan de tentoonstelling, over de Egyptische huisgod Bes, waarvan wij geen van beiden ooit gehoord hebben, beginnen.
'Ik heb in deze gebouwen dertig jaar geleden nog colleges gevolgd in de Griekse tragedie bij Van Erp Taalman Kip,' zeg ik.
N.'s ogen lichten op. 'Die ken ik,' zegt ze.

De mens is de taart die zichzelf bakt en opeet en het recept is scheiding.



Pas laat in Lanark, de Schotse klassieker van Alasdair Gray  – wat een geweldige auteursnaam trouwens, een pseudoniem waardig–, roept iemand, misschien toch de hoofdpersoon, nadat hij eindeloos naar een volstrekt onbegrijpelijke speech heeft geluisterd waarin de geschiedenis van de beschaving min of meer wordt 'samengevat', gehouden door een zekere, leugenachtige Lord Monboddo tot een tamelijk absurde 'raadsvergadering': 'Die man is krankzinnig.'
Die conclusie had de lezer al in een eerder stadium kunnen trekken ten aanzien van de hoofdpersoon, die in een nachtmerrie terecht lijkt te zijn gekomen die maar niet wil stoppen.
Gelukkig is de hel die Gray laat neerdalen op Unthank (Glasgow), niet alleen wrang, eng en mistroostig maar ook bij tijd en wijle erg geestig. Nu kan een krankzinnig universum geestig zijn mits goed beschreven (zie Maarten Biesheuvel). Maar die binnenste buitenwereld moet niet alleen geestig zijn, maar ook gruwelijk. Het idee, of gevoel misschien eerder, dat de werkelijkheid je ontglipt, dat iedereen tegen je samenspant ('Dat je paranoïde bent wil niet zeggen dat ze niet tegen je samenspannen'), inclusief je dierbaren (of van wie je dacht dat ze je dierbaren waren), dat je niet tot werk in staat bent omdat je geest te vertroebeld is of omdat je simpelweg niet kan bewegen, of omdat je niet kan slapen hoewel je dodelijk vermoeid bent; dat je niet weet waar je heen gaat of waar je bent, dat je eigenlijk helemaal niets begrijpt van wat anderen om je heen aan het doen zijn en wat er van jou wordt verwacht... dit alles en meer wordt op geniale wijze verteld en verbeeld (Gray kan tekenen en schilderen en heeft proeven daarvan in zijn boek verwerkt) in Lanark. Een leven in vier boeken, onlangs in het Nederlands vertaald door David Grävling en schitterend uitgebracht door de liefhebbende uitgeverij Koppernik.

EXEXEX

Lanark begint al meteen unheimisch, macaber en somber, met Lanark die probeert in een duistere stad waar de zon nooit schijnt aansluiting te vinden bij handigere mannen dan hij zoals Sludden (ook alweer zo'n mooie naam) en sluwe vrouwen als Rima (een anagram van Irma, lijkt me). Hij bewoont een naargeestig appartement, bij een kreng van een hospita, ligt de hele dag in bed en vervuilt. Hij is niet eens in staat om alcoholicus te worden. Hij slaagt er 'gewoon' niet in zijn leven op de rails te krijgen, in geen enkel opzicht. Daarbij komt dat hij lijdt aan astma, en aan drakenziekte, zijn arm verandert langzaam in drakenhuid.
'Ik zat in de hel. Zonder ogen probeerde ik te huilen, zonder lippen te schreeuwen, en met alle kracht die mijn veronachtzaamde hart op kon brengen riep ik om hulp.'
Zo eindigt de gitzwarte, onheilspellende, maar prachtig surreële proloog van Lanark. Menigmaal vraag je je af als lezer in welke angstdroom je nu weer terecht bent gekomen; bij alles wat Gray verzint verbleekt W.F. Hermans' 'Manuscript in een gekkenhuis gevonden' maar ook Gogols, Tolstojs, Tsjechovs en Dostojevski's pogingen om gekte geloofwaardig weer te geven. Gray legt de gekte achter op je tong, je wordt gedwongen hem uit te spugen of door te slikken.
Tijdelijke verlossing volgt, na 130 pagina's, in Boek Een. Dit is een betrekkelijk traditioneel vertelde flashback naar de jongere jaren van de hoofdpersoon, nu Duncan Thaw geheten, die opgroeit met een liefhebbende vader en een zus (moeder overlijdt opeens). Hij slaagt erin om aangenomen te worden op de kunstacademie, zich te omringen met enkele eveneens getalenteerde vrienden en uit te groeien tot een redelijk succesvol beeldend kunstenaar. Deze kunstenaarsgeschiedenis duurt tot hoofdstuk 29 (van de 44), maar tegen die tijd heeft Thaw zichzelf natuurlijk alweer – excusez le mot – in een hoek geschilderd. Een opdracht die hij gretig heeft aangenomen voor een muurschildering in een kathedraal drijft hem tot wanhoop. Het is een groots en meeslepende opdracht, maar hij blijkt ook onmogelijk uit te voeren, zeker voor een jonge perfectionist als hij. Ondertussen wordt hij van de kunstacademie afgetrapt, en ook de kerk, zijn aanvankelijke mecenas, verliest zijn geduld met hem. Iedereen verliest zijn geduld met Thaw. Hij vergeet dat tijd een relatieve factor is, hij weigert in te zien dat ook kunst en liefde aan elkaar hangen van rafeligheid, van compromissen, van imperfecte samenwerkingen, van een beetje geluk hier en een beetje geld daar – net zoals het leven, trouwens. Zijn absolutisme wordt zijn ondergang.

EXEXEX

Zijn dit spoilers? Nauwelijks, lijkt me. De componenten die deel uitmaken van de plot zijn irrelevant. Gray bespeelt het orgel van de eenzaamheid. Niet alleen de eenzaamheid van de opsluiting, maar ook en vooral die van het er niet bij horen, het niet begrijpen van wat er aan de hand is, van het erbuiten staan – niet vanwege een gebrek aan intelligentie, eerder wellicht vanwege een teveel eraan – ja, de eenzaamheid van de goede bedoelingen. Wie zijn privéwereld en de maatschappij maar ook de kosmos wil doorgronden raakt makkelijk het spoor bijster. Leven is accepteren dat er niets valt te doorgronden; keep calm and carry on. Lanark protesteert zinloos tegen de zinloosheid en de wreedheid van het alledaagse, de idiotie van de traditie en de malle gebruiken, de inherente onrechtvaardigheid van het machtsspel dat alleen gewonnen, of zelfs maar gespeeld, kan worden door de tacticus die hij haat.

EXEXEX

Lanark, dat in 1981 verscheen en waaraan de schrijver, zelf van 1934, naar verluid dertig jaar heeft gewerkt, is niet alleen naar de inhoud maar ook naar de vorm een jaloersmakend goed geschreven en originele roman. Uiteraard bevat een boek waarin gekte een zo grote rol speelt allerlei vormen van recursie, van slangen die zichzelf in de staart bijten. Mooi is de scene waarin Lanark met zijn schepper, de Goochelaar, in discussie gaat over het einde van het boek. Lanark wil dat het goed afloopt met hem, maar de schrijver vindt dat niet zo interessant. Ze hebben verschillende belangen. Laat elke recensent en interviewer die naarstig op zoek is naar autobiografische elementen in een roman dit goed inprenten. Een schrijver legt de hoofdpersoon die hij wil zijn en tegelijk niet zijn op de pijnbank.
Over recensies gesproken, gewaagd is de 'recensie' die Gray alvast zelf geeft van zijn werk (niet mals). Potsierlijk wordt het niet, hooguit getuigt het van valse bescheidenheid, want ook grootheidswaanzin is de schrijver niet vreemd. Een heel hoofdstuk wijdt hij aan de diverse vormen van plagiaat die hij heeft gepleegd, en dit is misschien wel een spoiler maar een spoiler waar je wat aan hebt: hij sluit een register bij van alle schrijvers bij wie hij heeft geleend, gejat en gekeken. Dat alleen al is een mer à boire aan referenties, een literatuurhistorisch geschenk, natuurlijk valt het zwaartepunt bij Anglosaksische titels maar ja. Opvallend is dat hij Flan O'Brien, wiens The Third Policeman verwant is aan Lanark, meerdere malen aanhaalt.
Net als Ulysses kun je Lanark eindeloos herlezen, en, ook fijn, je kunt er middenin vallen. Lanark is niet verslavend omdat je benieuwd bent 'hoe het verder gaat' of hoe het zal aflopen (dat zou onzin zijn want het einde wordt alsmaar aangekondigd, op allerlei verschillende manieren; het is trouwens niet zo geruststellend als je misschien stiekem toch zou willen, en toch ontroert het), maar omdat het zo rijk is aan scherpzinnige inzichten, mooi geformuleerde zinnen en mantra's (zie de titel boven dit stuk).
Ongelooflijk hoe actueel de politieke discussie – hoe onnavolgbaar gevoerd ook – nog is, bijna veertig jaar na dato. Hoe idealistisch kan een mens zijn? Is engagement een uiting van domheid of juist intelligentie? De onmogelijkheid van de waarachtige politieke stellingname, maar ook het gevaar van opportunisme en lethargie, is een terugkerend thema.


EXEXEX




Volgens de flaptekst gaat Lanark vooral 'over de onmogelijkheid van de mens om lief te hebben en de innerlijke dwang om het te blijven proberen.' Geldt dat niet voor alle werken uit de moderne literatuur? Waarschijnlijk, maar het geldt in het bijzonder voor de kleine, schurende, meedogenloze subplot rondom Lanarks vaderschap. Wie dit boek niet leest is gek.