Eerste oogst



Goede bedoelingen plaveien de weg naar de hel; zeker, maar vaker 'gewoon' die naar de overtolligheid. Zo zit ik hier op mijn sociale cohesiebank voor de deur, met mijn wijntje en mijn krantje, naast een ACTION-tas met compost. Wat doet die tas daar? Die was er zonder de goede bedoelingen, en vooral ook de goede werken, van de Grote Vreugdebrenger, niet geweest. Want zij en niemand anders heeft ervoor gezorgd dat ons buurtje beschikt over een heus Wormenhotel (drie sterren, roomservice, reserveren aanbevolen), en ja, de wormen hebben thans hun eerste product afgeleverd. Ziet er prachtig uit, dat spul, een beetje zoals je kak eruit ziet als je zwaar bent wezen stappen en daarna ook nog midden in de nacht allerlei vette happen naar binnen hebt staan schoffelen, maar het is toch echt het biologisch residu van 'ons' groente en fruitafval. Géén gekookte aardappelen of pastaresten, laat staan vlees of vis, in het Wormenhotel deponeren, alstublieft! Laat staan plastic zakjes, biologisch afbreekbaar of niet! Ik voeg dit toe, want als onbezoldigd, en ook ongesolliciteerd, haast ik mij toe te voegen, hoteldetective heb ik het WH dikwijls van abusievelijk ingeworpen plastic moeten ontdoen (en van lekke voetballen en andere artikelen die vooralsnog niet door die arme wormen kunnen worden verteerd; dadertjes, ik weet u te vinden). Dat was nog niet zo eenvoudig: probeer eens uw arm tot de oksel in de kleine ingang van het WH te steken, niet ongelijk een veearts die een weerspannig kalfje haalt uit het geboortekanaal van een koe, om de troep eruit te vissen. Maar goed, gisteren was het dan zover: de eerste oogst. Die dus, heb ik begrepen, heel goed is voor de tuin. Wij hebben een tuin, dus dat treft. Anderen die ook een tuin hebben, of zouden moeten hebben, leden van de selecte wormenhotelgemeenschap, hebben zich evenwel nog niet gemeld voor de compost, maar de dag is nog jong, en die compost loopt (geloof ik) niet weg. Ik weet niet of dit mag van de Grote Vreugdebrenger, maar hierbij bied ik ook niet-leden van die gezellige wormenhotelgemeenschap kostenloos een portie compost aan. Zelf afhalen, graag.

Geluk



We zijn al gelukkig op de cramping, ik met mijn 938 pagina's dundruk (ik ben op tweederde) in de strandstoel, en de kinderen met hun eeuwige duckies, maar tegen het einde van de middag overweeg ik dat hoger geluk wellicht binnen bereik is. We springen op de fiets naar het strand. De reis erheen door het desolate duinlandschap is een trip op zich, maar als we op het hoogste punt staan, met voor ons de verraderlijk kalme zee die zich uitstrekt tot aan de windmolens, en links de toch altijd weer onheilspellende Hoogovens, worden we verrast door twee paragliders, ik vermoed een echtpaar, de man zeilt eerst over onze hoofden heen, geruisloos, hij bungelt een beetje verloren onder zijn parachute, als een zak aardappelen, maar het moet geweldig zijn, stel ik me zo voor, om op een metertje of twintig langs de kust te glijden, met je vrouw achter je aan, want daar komt ze hoor, zij lijkt het vooral te ondergaan, maar geeft wel een thumbs up naar ons, niet glijdenden, beneden. We dalen af naar het vrijwel verlaten 'geheime' strand – hoe anders was dit een maand geleden, evenveel zon maar warmer, toen was het strand tot de laatste vierkante meter bezet – als de negenjarige aankondigt dat hij moet poepen. 'In de duinen,' stel ik voor, want er is verder niets. Het moet de eerste keer zijn, maar ik heb het niet bijgehouden, dat hij wildpoept. De omstandigheden hadden slechter gekund. Zijn vriendje grinnikt bij het neerdalende drolletje in de verte. 'Heb je je poep goed begraven in het zand?' Nee. Terug. Ze gaan nog zwemmen ook, de pre-tieners, terwijl ik de vijfjarige op haar verzoek ingraaf. Ik kijk op, de zwemmers zijn weg. Een hartverzakking. Gelukkig blijken ze alleen te zijn afgedreven. Dan, alsof we nog niet gelukkig genoeg zijn, nadert een zweefvliegtuigje uit een James Bond-film. Hij volgt dezelfde baan als die van de paragliders, maar nu zit de vlieger dus in een cockpitje en hij beweegt een stuk sneller. Worden we beschoten? Nog niet. Misschien bespioneerd. Aan het eind van zijn rit langs de kust draait hij om en vliegt terug. Dat gaat zo een tijdje door, hij krijgt er geen genoeg van, maar wij zijn alweer weg. Geen oorlog, of het moet een oorlog om geluk zijn.

Zevenentwintigste werkdag



Op weg naar de oud-bibliothecaresse koop ik een voorgerolde joint bij coffeeshop Flower Power op de Rozengracht. 'O, is het voor een zesentachtigjarige die nog nooit heeft geblowed? Wat leuk!' zegt de verkoopster die een tandvleespiercing heeft waar ik mijn ogen niet af kan houden. 'Ik hoop dat ze hem lekker vindt.'
Dat hoop ik ook.
De oud-bibliothecaresse ligt op de bank te rusten onder een stapel dekens als ik binnenkom. Om de drie minuten wijst ze naar de lucht: 'Kijk, daar heb je er weer een!' Vliegtuigen, bedoelt ze. Ze denkt dat het oorlog is.
De dienstdoende thuiszorger vertelt me dat mevrouw twee weken geleden tot twee keer toe brand heeft gesticht. Dat had ik al in een email gelezen. De brandplekken zitten in de vloerbedekking. 'Ik dacht dat er een muis was!' legt de oud-bibliothecaresse uit. 'Die wou ik wegjagen!'
De angst voor brand zit er nu goed in. Niet bij haar, maar bij het zorgteam. Die heeft haar subito onder nachtbewaking gesteld. De verhuizing naar een tehuis is onherroepelijk. Dit kan zo niet langer. Straks vliegt de halve Jordaan de lucht in.
Het zorgteam wil dat de oud-bibliothecaresse overschakelt op elektrisch roken. 'Ik pieker er niet over,' zegt ze.
Een andere maatregel is dat ze alleen onder toezicht een sigaret mag opsteken. 'Als je nog een sigaret wil, moet het nu, want ik neem de aansteker mee naar huis,' zegt de thuiszorger. De oud-bibliothecaresse rolt haar shaggie terwijl ik een sprookje voorlees geschreven voor mijn dochter. Mijn dochter vond er weinig aan (mijn schoonvader viel erbij in slaap), maar de oud-bibliothecaresse smult. Die smult altijd.
Dan opeens is de aansteker kwijt. 'Ik ga niet voordat ik die aansteker heb,' zegt de thuiszorger, 'anders word ik ontslagen.' We zijn ervan overtuigd dat de oud-bibliothecaresse hem verstopt heeft, misschien zelfs op haar geheimste plek; dat is junkie-gedrag, dat ik begrijp, maar hoe grondig de thuiszorger haar ook fouilleert, en het bed doorzoekt: geen aansteker.
'Misschien heeft ze hem in de buil gestopt,' suggereert de oud-roker in mij.
Terwijl de thuiszorger de buil doorzoekt, wisselt de oud-bibliothecaresse met mij veelbetekenende blikken uit. Ik zeg niks. Ik wil niet dat de halve Jordaan afbrandt, maar ik wil mijn vriendin ook haar laatste sigaret niet ontzeggen.
En ja hoor, de aansteker zit in de buil.
De oud-bibliothecaresse glimt als de thuiszorger de deur uit is, maar als ze haar geheime plekje aftast, blijkt daar niets te zitten.
De joint moet wachten tot de volgende keer.




Doodsobsessie



'Pappa, hoeveel dagen nog voordat we dood gaan?' Mijn dochter is net 5, haar verjaardag was een mijlpaal waar ze heel, heel erg lang en vurig naar verlangd had, maar na de verjaardag is ze geobsedeerd door de dood.
'O, dat weet ik niet,' antwoord ik diplomatiek. 'Dat weet niemand. Het precieze moment van sterven is voor iedereen een raadsel. Als je in God gelooft, dan zou je kunnen zeggen: God bepaalt wanneer je gaat, maar als je niet in God gelooft, dan moet je zeggen: we weten het niet.'
Haar doodsobsessie bestond al, maar zou verder aangewakkerd kunnen zijn door het bezoek dat we niet lang geleden brachten aan een begraafplaats in Vught. Behalve het graf van haar overgrootouders (dat ik ook nog nooit had gezien) zagen we ook kindergrafjes. De kindergrafjes fascineerden haar. Mij ook.
'Maar wanneer gaan we dood?' dringt ze aan. We zitten op de fiets naar school, het is prachtig weer, eigenlijk geen klimaat om het over de dood te hebben, of juist wel, natuurlijk.
'Jij leeft waarschijnlijk nog 95 jaar als je zo doorgaat. De levensverwachting van jouw generatie is 100.'
Die cijfers zeggen haar weinig.
'Jij gaat het eerste, toch?'
'Als alles verloopt zoals God of de statistieken hebben bepaald, dan ga ik inderdaad als eerste.'
'Of opa klokje.'
'Ja, opa klokje die zou nog wel eens eerder kunnen gaan dan iedereen, want die is bijna 90.'
'O, dus eerst opa klokje, en dan jij.'
'Misschien. We weten het niet. Het zal vanzelf blijken.'
Mijn dochter wil zekerheid. Maar die kan ik haar niet geven.
'Maar we gaan wel allemaal dood?'
Die zekerheid kan ik haar wel geven, maar dat is een schrale troost. En is het wel een zekerheid? Het is niet uitgesloten dat de dood niet meer bestaat als zij aan de beurt is, of er in elk geval heel anders uit ziet, maar met dat soort subtiliteiten val ik haar voorlopig niet lastig.

Bore out

Carla Bruni: Raphaël

Ik heb het eerder gezegd en zal het weer zeggen: een van de aardigste dingen van huizenruilen is de greep die je kunt doen uit andermans boekenkast. In het ruilhuis in Montpellier hoefde ik hiervoor weinig moeite te doen, want op het nachtkastje van Laurent (of was het Frédéric?) lag een boek dat me intrigeerde en enige uurtjes vertier heeft verschaft, voor het slapen gaan en bij het wakker worden, en dat ik, als we niet hadden geruild, waarschijnlijk nooit onder ogen had gekregen: de verzamelde columns van pop-filosoof Raphaël Enthoven, onder de intrigerende titel Morales provisoires. Het idee dat een moraal provisorisch kan zijn, spreekt me aan. Provisorisch moralisme is iets anders dan opportunisme. Het is het verschil tussen een poging doen om er iets van te maken maar wel meteen inzien dat het slechts een poging is, en er maar wat op los leven. Het idee dat een moraal vaststaat voor altijd en eeuwig lijkt me weer zo'n typisch christelijk idee (hoewel, je zou ook kunnen zeggen: Platoons), maar het is denk ik verstandig om bereid te zijn af en toe je moraal te herzien, onder de druk van voortschrijdend inzicht, bijvoorbeeld.
Enthoven sprak zijn verzamelde columns uit voor de radio, en ze zijn dus wat aan de toegankelijke kant, hetgeen voor filosofische onderzoek verdacht kan zijn, maar hij maakt vaak goede punten, hoewel hij soms iets te makkelijk scoort bijvoorbeeld bij het duiden van (fake) news, uit, vanzelfsprekend, de internationale (lees Amerikaanse) roddelpers. Op basis van één incident met een American Football-speler verklaart hij de wereld. Hij klinkt, voorzover ik zijn Frans goed begrijp, soms iets te tevreden met zichzelf en zijn interpretaties, maar goed, daar hebben wel meer columnisten last van. Enfin, dankzij een column van Enthoven (interessante naam trouwens; hij blijkt lees ik op Wikipedia een ex te zijn van Carla Bruni, maar dat kunnen er denkelijk wel meer zeggen) ben ik bekend gemaakt met het begrip bore out. Wellicht dat deze variatie op burn out op 'sociale media' allang een staande uitdrukking is, maar ik had hem nog niet gehoord. Heb ik een bore out? Dat is een vraag die elk mens zich, misschien niet dagelijks, zou moeten stellen. Ik werp me hierbij op als therapeut.

Rentrée littéraire



Het is weer zover. Er moet weer wat gebeuren, ergens, voor iemand of iets, dat nut lijkt te hebben. Of in elk geval zin. Er moet weer wat gebeuren om voor op te staan, om mensen van de straat te houden.
Welnu, dan kan het maar beter de Rentrée Littéraire zijn, wat mij betreft, die toch wel eigenaardige gewoonte van de Franse uitgeverij om alle boeken van het seizoen ineens op de markt te plempen. Je vraagt je af of dat voor somethingsellers zoals ikzelf gunstig zou zijn, of juist niet.
In een boekhandel in Montpellier kwam ik Reviens tegen van de mij onbekende Samuel Benchetrit. Ik probeer een boek nooit op zijn omslag te beoordelen, maar in een boekhandel heb je weinig meer om op af te gaan. Ik lees de omslagtekst, en de eerste pagina (zie onderaan als u wilt meelezen. Als u zich afvraagt wat 'begue' betekent, dan kan ik u vertellen 'stotteraar' omdat ik het heb opgezocht). Ik heb het boek niet gekocht, maar misschien doe ik dat ooit nog wel (als ik geld heb). Misschien ook niet.
Maar waarom deze titel opmerken? Ik kon een minieme glimlach niet onderdrukken toen ik hem aantrof in die boekhandel. Ten eerste deed het omslag me denken aan Aristide von Bienefeldt, mijn alweer enige jaren geleden ontvallen kunstvriend, collega romancier en provocateur. Ten tweede moest ik denken aan al die klassieke omslagen van Gallimard en andere serieuze uitgevers in Frankrijk (ik herinner me een novelle met geheel wit omslag met alleen de titel Suicide), die wars waren van auteursfoto's en andere publicitaire troep. Nee, Franse uitgevers, – en hun auteurs, mag je aannemen –, ging het Louter & Alleen om de Inhoud. Hoe of dat het mombakkes van de betreffende typist eruit zag, wat hij zijn poes te eten gaf en hoeveel vellen zij gebruikte om haar edele delen mee schoon te vegen, was van nul en generlei importantie. Nederlandse uitgevers, mind you, waren uiteraard allang gezwicht voor de macht van het beeld (afgezien van Van Oorschot, soms).
Zeker, de Fransen hebben bandjes. Ze zweren bij die soort van sigarenbandjes maar dan om het boek heen, waarmee ze het tekort aan marketingmiddelen enigszins trachten te compenseren. Dus daarop staan de blurbs, de outtakes en soms ook een fotootje ter verleiding van de consument.
Zie nu waarmee uitgever Grasset, niet de eerste de beste, het onderhavige werkje aan de wereld prijsgeeft: weer zo'n boekband, maar niet zo'n kleintje, en met de auteursfoto frontaal, maar niet de lezer aankijkend.
De auteur is hier niet alleen dandy, maar ook fotomodel, filmacteur en kunstwerk ineen. Deze foto zou niet misstaan als selfie, of nog beter, portret op een dating site (voor auteurs? gat in de markt!).
Maar zie hier het voordeel: de band laat zich afstropen en wegflikkeren. Een goed systeem. Laat de auteur hoereren wat hij wil in de boekwinkel, maar zodra de lezer thuis is, is eindelijk het woord aan het woord en aan het woord alleen.

Verdomd, deze had je ook nog. Hier voor wie nog meer Benchetrit wil.