19. Iets kraakte ergens



Het was voor het eerst dat ik wakker werd op een woonboot. Om zes uur 's ochtends helaas, en met een groggy mond van de oude, koude sushi die ik bij aankomst nog even snel voor de ijskast naar binnen had gewerkt,  maar toch. Het kan zijn dat de ongebruikelijke keten van gebeurtenissen van de afgelopen 20 uur me bijzonder had uitgeput, of dat het kwam door het zachtjes, heel zachtjes wiegen op het water (wellicht ingebeeld, want het schip lag met dikke kabels vastgesjord), of het vriendelijke gedoe der eenden vlak naast me aan de andere kant van de patrijspoort, maar voor mijn gevoel had ik nog nooit zo diep geslapen. Toch een wonderlijke afspraak in het complex der menselijke beschaving: een derde dagdeel of daaromtrent de stekker eruit en daarna vrolijk weer door alsof er niets gebeurd is. De stad kan zijn platgebrand, ouders kunnen zijn gestorven, vrienden geëmigreerd, maar de slaper slaapt. Lekker rustig, inderdaad.
Hoewel, zo lekker rustig was het nu ook weer niet. Iets kraakte ergens op Katalla (zo heette Bettina's boot), en ik kon het niet thuis brengen. Ik heb de deuren gecheckt. Die zaten op slot, maar je kon ze met enige goede wil wel zo intrappen. De dakluiken idem dito. Alleen de patrijspoorten, die kreeg je met geen mogelijkheid open.
Misschien was ik vannacht toch nog een keer wakker geworden, meende ik me nu te herinneren, van het gedroomde idee dat de romp waarin ik me thans bevond, langzaam volliep met grachtwater. Ik draaide me om op Bettina's twijfelaar, die ze helemaal achterin in een kleine bedstee had laten bouwen, en droomde dat het langzaam nat werd onder me, en dat ik die bedstee niet meer uit kon. Dat Titanic-scenario behoorde tot mijn netflix van nachtmerries. Niet het verzuipen, niet het opgesloten zitten, maar de combinatie.

18. Vluchtauto + onderduikadres



Ik tippelde soepeltjes binnendoor naar de parkeerkelder, stapte in mijn Jaguar en scheurde de straat uit. Nee, dat zeg ik verkeerd. Ik tippelde binnendoor naar de parkeerkelder, kwam via de alternatieve gang in de wijnkelder uit en stapte met een fles sancerre de keuken binnen, waar ik werd opgewacht door een giebelende want reeds ruimschoots aan de sancerre zittende Enna en Bettina. (Het keffertje liet zichzelf uit in de achtertuin.)
'Je gelooft niet wat er net is gebeurd,' zei ik, het restje van Enna achteroverslaand. Al dat gedoe in mijn bureau had me dorstig gemaakt. Naar alcohol, vooral, dat laatste bastion voor de verdoving zoekende bourgeois.
'God daalde neer op je laptop,' antwoordde Enna, zonder een moment na te denken. 'O nee, je hebt geen laptop, jij doet alles op je telefoon die je niet hebt.'
'Ja, omdat –... bijna. Nog eens?'
'De duivel trekt baantjes in Mastenbroeks zwembad,' probeerde Bettina.
'Fout. Fouter, eigenlijk. Mikkel heeft me gered met die drone van hem.'
Enna joeg een hand door haar haar. 'Is ook een briljante jongeling.' En tegen Bettina: 'Ik wou –'
'Ik kan helaas niet lang blijven,' kwam ik tussenbeide.
Daar had je het al: gehoest op de overloop, gestommel in de gang, beginnend traplopen in het trappenhuis – het openbare trappenhuis – dat onmiskenbaar zijn natuurlijk einde zou krijgen in de keuken, waar het allemaal was begonnen.
'Neem je de Jag?' vroeg Enna.
'Nee, jouw Birò, als je het goedvindt. Kan ik tegen het verkeer in, over de stoep, enzovoorts. In jouw birootje voel ik me een James Bondje.'
Bettina produceerde uit haar handtas een bos sleutels. 'Ik weet niet wat hier allemaal aan de hand is, en hoe jullie huwelijk precies in elkaar zit, maar je bent van harte welkom om even te schuilen in mijn woonboot.'
Dat was het mooie van Bettina, weliswaar reed ze tegen je op als ze praatte, en bleef ze overal waar ze was te lang plakken, maar ze deed ook niet moeilijk over het afstaan van haar heiligdom.
Aan de sleutelhanger bevond zich een doodshoofdje, zag ik, hetgeen niet verbazingwekkend was, want waar zag je tegenwoordig géén doodshoofd? De hele wereld was een doodshoofd geworden.

17. Deus ex machina



'Vindt u het ook niet vreemd, heer Wouters en heer Kamal, – laat u die kunstvoorwerpen even met rust, dank u vriendelijk – om mij te ondervragen en lastig te vallen en ter verantwoording te roepen, terwijl ik, of althans mijn vrouw, u heeft gebeld vanwege twee grote kale mannen die zich in ons huis bevinden, terwijl wij liever zouden hebben dat ze zich hier niet bevinden?'
Wouters snoof. Mijn oog viel op zijn misvormde oorlel. Hij had één misvormde oorlel, de andere was niet misvormd. Waarschijnlijk niet genetisch maar aangeboren. Of een ongeluk. Mogelijk een uit- of afgerukte oorbel, of, dat kon ook nog, was die lel door een kogel doorboord.
Kamal was twee stappen van de wandkast af gaan staan. Geen van beide agenten leek mij heel erg alert op enige onverwachte beweging van Tim of Tom, die nog altijd hun mobieltjes bepotelden. De mobiele verpozing, waaraan ik zelf uiteraard ook ten prooi viel (mits ik een telefoon had), kreeg bij hen iets infantiels, alsof ze een zuigfles beethielden.
Wouters borg zijn opschrijfboekje op. 'Heer, wij proberen de boel duidelijk te krijgen, dat is alles. Medewerking van uw kant wordt hierbij zeer op prijs gesteld.'
Toen gebeurde er dus weer iets waarvan je zou kunnen zeggen: kan niet, mag niet (volgens de wetten der vertelkunst), volstrekt onwaarschijnlijk, enzovoorts, 'en toch gebeurde het': door het openstaande raam vloog een drone mijn kantoor binnen. Hij zoemde kleine, beheerste rondjes onder het hoge plafond. Ik herkende er de hand in van Mikkel, de buurjongen, die ik wel eerder met zo'n ding in de weer had gezien, maar ik zei niets. Vijf volwassen mannen, twee met open mond (dat waren Tim en Tom, die zich hierdoor wel wat lieten kennen), staarden naar de drone als naar een wespachtige UFO.
De drone hing stil onder het hoge plafond, wierp een rookbom af en verdween weer door het raam. In no time vulde de hele ruimte zich met dikke rook. Dit was geen rookgordijn meer, maar een rook-donzen dekbed. Tim en Tom brulden door elkaar heen; iemand, ik dacht Kamal, hoestte. Dit alles gaf mij de gelegenheid om rustig door de geheime deur naast de open haard, zo een waar je een klein duwtje tegen moet geven om hem te openen, te ontsnappen naar het alternatieve trappenhuis.





16. Second Wife

Image result for semenov illustrator
Anton Semenov


'Het zat zo, beste Wouters, dat ik, om mijn eerste leven, namelijk dat van gearriveerde, binnengelopen ondernemer wat meer kruid te geven, wat meer jeu, of joie zo men wilt, er een tweede leven op nahield, en het zou zo maar kunnen dat deze twee heren, die zich voordoen als bonafide Belgen, maar dat zegt niets, optreden namens een derde partij die met mij nog een appeltje te schillen heeft.'
De agent had routineus zijn opschrijfboekje erbij gepakt en schreef nu, in ontroerende blokletters, zag ik, 'appeltje'. Ik wist niet dat de politie nog met zulke hulpmiddelen misdrijven trachtte op te lossen, maar misschien golden andere regels voor de politie te fiets; misschien mocht alleen de gemotoriseerde politie bijvoorbeeld zijn aantekeningen maken op een tablet of iets dergelijks.
Ik was eigenlijk wel gecharmeerd van dat opschrijfboekje.
Wouters keek naar mij op als een boer naar een koe die opgehouden is met melk geven. Zijn collega Kamal neusde ondertussen in mijn verzameling art macabre.
'U was actief op Second Wife, of zoiets? Zo'n site waar getrouwde mannen, hoe zal ik het zeggen...'
Ik begon hard te lachen. Het was een strategische lach, om aan Tim en Tom te laten zien dat ik mijn angst weer onder controle had, maar het was ook een gemeende lach. Ik had wel eens gelezen over Second Wife, en Bettina had ons eens smakelijk verteld dat ze al jaren plezier beleefde dankzij die website met ene Jan uit Overijssel, maar de premisse was zo bespottelijk dat ik er nooit een klik aan had vuilgemaakt. Wie een tweede leven leidt doet dat niet om op potsierlijke wijze de poten onder zijn eerste leven uit te zagen, of de zorgen uit dat eerste leven te verdubbelen, maar om er juist een verdieping aan te geven, om dat eerste leven te onderkelderen, om in makelaars-terminologie te blijven, opdat het eerste leven weer wat van zijn oorspronkelijke glans terugkrijgt.
'Wat moet ik me dan bij uw tweede leven voorstellen, meneer?' ging Wouters, toen ik was uitgelachen, bloedserieus door. Nu vond Kamal het tijd om weer iets te zeggen. 'Meer in het bijzonder meneer, acht u de vijanden die u daar heeft gemaakt vijandig genoeg om u een kopje kleiner te willen maken?'


15. Dubbellevens

MC. Escher, Viervlakplanetoïde


Het werd zo langzamerhand tijd om iets over mijn dubbelleven aan de wereld prijs te geven, om wat duidelijkheid te verschaffen over het achterhuis van mijn bestaan.
Iedereen heeft een dubbelleven, maar sommige mensen hebben een interessanter, dubbeler dubbelleven dan anderen, zijn ook beter in het compartmentaliseren (alweer zo'n nuttig anglicisme), het organiseren van het dubbelleven, het scheiden der boedels zogezegd. Enna is ervan op de hoogte dat er een ruimte is, een theater of arena, waar zij geen toegang toe heeft; zij heeft zelf ook zo'n arena, geloof ik. Het is met wederzijdse instemming dat wij elkaar in die arena's met rust laten, no questions asked, maar de komst van Tim en Tom, en daarna de politie te fiets, dwong mij om een kleine deur open te zetten naar dat andere leven, een deur die ik uiteraard liever had dichtgelaten.
Gelukkig bleef Enna beneden bij Bettina (die er een handje van had haar welkom te overstayen), dus van total information awareness hoefde nog geen sprake te zijn.
'Heeft u deze twee Belgen eerder gezien?' vroeg Wouters. De agenten stonden voor mijn bureau alsof ze voor me werkten – niet alsof ik voor hen werkte, wat misschien dichter bij de waarheid was.
'Ik heb geen flauw idee waar ze vandaan komen. Ik wist niet eens dat ze Belgen waren. Eerlijk gezegd zien ze er niet uit als Belgen.'
'Belgen kunnen er op allerlei manieren uitzien,' zei Kamal, de andere agent. Het was voor het eerst dat hij iets zei. 'Er is niet een manier waarop een Belg eruit ziet,' ging hij verder, om, ten overvloede, te besluiten met: 'Er zijn verschillende soorten Belgen.'
Wouters stak zijn hand omhoog, als om een einde te maken aan het betoog. 'Hebt u vijanden, meneer?'
'Wie heeft geen vijanden? Of,' ik stond op en ging voor het raam staan,' laat ik het zo zeggen: wie geen vijanden heeft, heeft niet geleefd. Ik heb hard geleefd, zoals dat heet, in het diepste geheim, onder een andere naam, om mijn reputatie niet te beschadigen, en het zou best kunnen dat daar ooit iets mis is gegaan.'

14. Paspoortcontrole


Image result for pistol artwork

De politie kwam eerder dan verwacht. Ik had graag geschreven dat de politie heel lang op zich liet wachten, dat het typisch zo’n geval was van: heb je ze niet nodig dan staan ze voor je neus en loop je levensgevaar, dan zijn ze in geen heinde en verre te bekennen, maar dat was 'gewoon' niet zo. Wouters en Kamal, zo stelden ze zichzelf voor. Van die frisse jongens. De een magere melkwit, de ander latte macchiato bruin. Op een of andere manier deden ze me erg denken aan Tim en Tom, maar dan in een jongere, beter verzorgde versie. En ze droegen wapens. Dat was het meest in het oog springende verschil. De politie is, buiten het leger, de enige instantie die ‘we’ bewapend hebben, aan wie we een geweldsmonopolie hebben toegekend. Ik ben altijd weer onder de indruk als ik die pistolen zie. Ik kan me zo slecht voorstellen dat ze worden gebruikt, maar misschien zou daar spoedig verandering in komen.
Wouters en Kamal waren voor komen rijden op fietsen. Als ik de politie te fiets zie moet ik soms lachen, denken aan slapstick, maar in Amsterdam is het misschien een goed idee. Enna had opengedaan, ik had boven gewacht. Tim en Tom hadden geen enkele aanstalten gemaakt om hun hielen te lichten. Ze leken zelfs niet nerveus, bepotelden nog steeds hun mobieltjes.
‘Mag ik weten wie u bent,’ vroeg Wouters, wijzend met zijn neus. ‘Heeft u misschien legitimatie?’
‘These gentlemen would like to see some identification,’ vertaalde ik vanachter mijn bureau. Enna was wijselijk beneden gebleven, ik hoorde haar giebelen met Bettina.
Tim en tom schoven van de ene bil op de andere in de clubfauteuils om uit hun kontzak de benodigde documenten te halen. Belgische paspoorten, dacht ik.
‘So you are… Tim Vandenhoven?’ vroeg Wouters aan Tim, de man met de sik, van wie ik dacht dat het de leider was. Je hebt altijd een leider in een groep, zelfs een groep bestaande uit twee leden; het is psychologisch onmogelijk om geen leider te hebben. Dus dat maakte ‘Tom Eerkens’ tot een onderdaan.
Wonderlijke namen, vond ik, maar, inderdaad, die van mij is wonderlijker. Het is maar wat je gewend bent.
‘What are you doing in this house,’ vroeg Wouters, zo nerveus dat hij de paspoorten uit zijn handen liet vallen. Hij raapte ze weer op. Tom glimlachte een geluidloze verkreukelde glimlach.
‘We were invited,’ zei Tim, terwijl hij recht ging zitten. ‘By Into M. Geniet. The man behind the desk.’
‘Is dat waar?’ vroeg Wouters. ‘Zijn ze hier op uitnodiging?’
‘Ja en nee,’ antwoordde ik.




13. Telefoontjes


Insigne de Police insigne de police – cliparts vectoriels et plus d'images de bouclier anti-émeute libre de droits

‘In that case I am going to call the police.’ Enna pakte meteen haar telefoon.
Mijn vrouw had onder een bepaalde werkhypothese gehandeld, en nu die hypothese onjuist bleek te zijn, paste ze met een jaloersmakende veerkracht haar handelingen aan. Ze verkwistte geen tijd aan verbazing, onderzoek of kritiek, maar kwam meteen in actie; daarom hield ik van haar.
Het woord politie maakte iets los in mij. Ik had natuurlijk eerder met de politie moeten dreigen. Waarom had ik niet naar Enna geluisterd en de politie gebeld toen dat autootje voor de deur stond? En waarom had ik ooit mijn vaste telefoon opgezegd, want daarnaar had ik nu, bij gebrek aan mobiele telefoon, kunnen grijpen.
‘Yes darling, why don’t you,’ zei ik, een hand op haar schouder leggend. En, voor het geval het explosieve woord niet goed was doorgekomen: ‘You just go ahead and call the police.’
Ik was benieuwd naar de reactie van de twee mannen in de clubfauteuils. Tim bleef verdiept in zijn telefoontje. Ik sluit niet uit dat hij een spelletje deed. Hij had zijn koekje al op, slurpte aan zijn thee. Tom nam muizenhapjes van zijn koekje, en die muizenhapjes verdwenen akelig traag in zijn verkreukelde mond, terwijl hij zijn ogen niet van Enna afhield, hij bleef haar volgen met zijn verkreukelde oogopslag. 
Zelf had ik die koekjes niet aangeraakt uit angst dat ze vergiftigd waren. Nee, ik  h o o p t e  dat ze vergiftigd waren en dat het gif zich een weg zou banen door Tims en Toms spijsverteringskanaal, om van daaruit een voor een hun vitale organen uit te schakelen, maar voorzover ik kon overzien waren die koekjes niet vergiftigd. Dat was misschien maar goed ook, anders had ik, of Enna, of Bettina, nog wel wat uit te leggen aan de politie, als die ooit kwam.



12. In de ban van de Grote Flauwtes


Related image


Na een kort driftig klopje ging de deur van mijn kantoor open. Enna, met thee. Enna is zo’n vrouw die op cruciale momenten ingrijpt in de geschiedenis, dikwijls zonder het te weten. Haar lange haar, dat achter haar aan golfde, had een troostrijke uitwerking op me.
‘In? Waarom reageer je niet op mijn appjes?’ Ze schoof het dienblad op mijn bureau en begon meteen in te schenken in het flinterdunne, porseleinen Lomonosov servies.
‘Tea?’ vroeg ze aan Tim en Tom, zonder ze aan te kijken. ‘With homemade cookies? My friend made them. Aren't they awesome?’
Tegen mij: ‘Misschien kun je ze vragen wat ze rekenen voor de reparatie van het dak in Ramatuelle… Ik denk echt dat het goedkoper is, In, en in elk geval beter, om deze flex-migranten subito naar de Côte te sturen… ik word gek van die Franse aannemer… hij krijgt het niet klaargespeeld maar wil het niet toegeven… en het moet echt gebeuren voor de herfst… je weet dat vorig jaar het dorp half is weggespoeld door de regenbuien… In? Luister je wel naar wat ik zeg?’
Ze zette een kop bloedhete thee voor mijn neus.
‘Wat is er met jou aan de hand, je ziet helemaal bleek. Ga je weer flauwvallen?’ Het had gekund, de laatste maanden was ik in de ban van de Grote Flauwtes. Ik kon op de vreemdste momenten ineens ter aarde storten. Dan stond ik een half uurtje later op om vrolijk door te leven, maar ik was wel helemaal weg geweest. Black out. Ik ben bij drie dokters geweest. De eerste zei dat ik aan een vorm van epilepsie leed waaraan hij helaas niets kon doen, afgezien van wat onderdrukkende medicijnen met nare bijwerkingen. De tweede zei dat ik oververmoeid was, hetgeen ik aantoonbaar niet ben, of kan zijn...  De derde dacht dat het in mijn voeding zat en heeft me op een sapdieet gezet dat ik precies één dag heb volgehouden.
‘En…’ zei ik. ‘Lieverd...’
‘Wat is er?’
‘Deze mannen zijn niet uit op home improvement. Niet in Amsterdam en al helemaal niet aan de Côte.’
‘Wat komen ze dan doen?’
Ze draaide zich naar mijn gedoodverfde terminators, een puntje van haar gitzwarte lokken streek als een penseel langs mijn gezicht.
Ze waren weer gaan zitten in de club fauteuils, Tim en Tom, met een kop thee en een koekje, en speelden met hun telefoons.

11. Tims dansje

Image result for dynamic pricing artwork
Daniela Schweinsberg, Raspberry dream


Terwijl O-been, hij leek me toch wel de helper, en niet de leider, van het tweekoppige moordcommando, de scherven van mijn telefoon opraapte en in de prullenbak wierp, zo netjes was hij dan weer wel, deed Sik een soort van huppeldansje naar het midden van mijn inderdaad kolossale werkkamer, en sprak met een zangerige intonatie die me niet eerder was opgevallen: ‘Dear Sir, we are only doing our job… As you may understand, we cannot divulge our taskmaster… our taskmaster, differently put, doesn’t want to be known, he would like to stay in the background. I’m sure you would too, if you were in his – or her – position. I suppose you will now object that you are going to be assassinated anyway, and, reasoning from our viewpoint, why not give you the small pleasure, in the last quarter of your life, to be informed of the precise circumstances and facts surrounding our assignment, but unfortunately we cannot help you in this regard, because we are unknowing of those circumstances and facts ourselves… we work for an agency… we are flexworkers in a gig economy… I can however disclose for the sake of your curiosity that our names are Tim and Tom – I am Tim and my friend here with the permanently astonished look on his face is Tom –, I agree, not very believable names, names that could easily have been made up, right here and now… but wouldn’t you say that is the case also of your own name, mister Into M. Geniet?’ Hier pauseerde hij even, om op adem te komen, de riedel had hem vermoeid, maar hij had er zo te zien ook plezier in, hij was nog niet klaar, hij had nog niet alle puntjes aangetikt, zoals dat heet. Tom ondertussen was naast Tim komen staan, met zijn armen over elkaar en zijn O-benen wijd. ‘As far as our price, to use your not so subtle terminology, is concerned… but of course, we could name you a price… everything has a price, has it not, mister Geniet, and the thing about pricing is, you can always make it dynamic… and I like dynamic pricing… but that is a different matter. I don’t know about you, mister Geniet, but even if we could get to a point where demand and supply are satisfied so to say in the marketplace of your office, there still remains a not so small problem we have to take care of…’
‘And that is,’ viel ik Tim in de rede, gewoon om in de rede te vallen, ik had aandachtig naar hem geluisterd, en me verbaasd over zijn precieze, bijna lawyerly manier van formuleren, maar zo langzamerhand vond ik dat er tenminste ook uit mijn mond geluid moest komen dat als een taalhandeling kon worden opgevat.
‘The body.’
‘What about it, mister Tim?’
‘We need to have a body.’ Hij kuchte. ‘Your body, to be exact.’

10. Homo phonus was niet meer.

brancusi sculture
Brancusi


Ik stond op, en stak mijn hand uit, om mijn woorden meer kracht bij te zetten. 'Could I have my phone back, please?'
Het was inderdaad een verzoek, maar een waarvan de niet-inwilligbaarheid ongeveer tegelijkertijd met het doen ervan tot uiting kwam.
Nu stond O-been ook op, we stonden alledrie, het parket kraakte, maar alleen ik had mijn hand nog steeds in de lucht hangen.
O-been haalde mijn telefoon uit zijn broekzak, opnieuw viel me de grootte ervan op, bekeek het apparaat kort en wierp hem toen op de vloer, niet zozeer mijn kant op, maar meer voor zijn voeten, als een leeg sigarettenpakje waar hij vanaf wilde. De telefoon overleefde de val met gemak. Niet alleen was hij zelf state of the art, zo ook de rubberhoes – ik herinner me dat ik er twee honderd euro voor had betaald. Maar wat hij niet overleefde, was de hak die O-been in mijn telefoon plantte. O-been had, misschien vanwege zijn O-benen, geen teenslippers aan, zoals Sik, maar echte schoenen, lelijke schoenen, maar wel echte, en op die schoenen zaten hakken, echte hakken, en die lieten zich niet eenvoudig, maar met een beetje doorzetten, toch wel door het scherm van mijn telefoon heen werken.
De telefoon leek het wonderwel nog te doen, dacht ik te kunnen zien, vanachter mijn bureau, totdat Sik zijn compagnon te hulp schoot met een stenen beeldje van Brancusi dat hij in de wandkast had gevonden. Kort maar hevig hamerde hij het beeldje in mijn telefoon, totdat het licht doofde.
Homo phonus was niet meer.
In een reflex draaide ik mij om en opende het grote raam dat uitzag op de binnentuinen en hapte naar lucht. Met geen mogelijkheid zag ik mezelf door dat raam naar buiten vluchten, daarvoor was ik niet lenig genoeg, en trouwens, de kans dat ik een beeld van Brancusi of iets anders achter me aan zou krijgen, was niet denkbeeldig.
'Who sent you? What's your price? Why are you doing this to me?'
Drie vragen, in de onlogische volgorde van de homo panicus, vragen die geen van drieën tot de categorie last requests konden worden gerekend, maar die toch moesten worden gesteld.

9. Project Geluk

Hundertwasser, Le jardin des morts heureux

Ik was net veertig godbetert! Wat was nou veertig, in het huidige tijdgewricht? Veertig was het nieuwe veertien. Met mijn gezondheid, die, los van een slechte rug en dito tanden, eigenlijk nog behoorlijk goed was, en ook beter werd, want het ondernemen had zijn tol geëist, en ik was de laatste jaren weer fanatiek gaan wielrennen, zou ik als ik zo doorging met gemak de negentig halen. Dat betekende dat ik nog niet eens op de helft was.
Ik had dus eigenlijk nog wel een laatste verzoek, nu ik erover nadacht. Het verzoek om nog even te blijven leven.
Ik werkte niet meer, dat was waar, ik was aan het oogsten. Veertig was misschien wat jong om te oogsten, maar daar kon ik weinig aan doen. Mijn onderneming, die ik in tien jaar tijd uit de grond had gestampt, werd overgenomen voor een bedrag waar niemand die kon rekenen nee tegen had gezegd. Mij werd ook specifiek te kennen gegeven dat ik achterover kon gaan leunen, me ab-so-luut niet meer met mijn geesteskind hoefde onledig te houden. Ik leefde, met andere woorden, als een keizer.
Geen kinderen, inderdaad, die waren erbij ingeschoten. We waren vergeten ons voort te planten, zeiden we tegen vrienden die, laat op de avond, bij een glas cognac, durfden te vragen: 'Waarom hebben jullie eigenlijk nooit kinderen gekregen?'
'Zeg jij het maar Enna.'
Enna: 'Zijn we vergeten.'
Vrienden. Ja – om vrienden was het allemaal te doen volgens de moderne psychologen, wat het Project Geluk betrof. Het contact met vrienden, etentjes, samen fietsen, uitjes met de jaarclub, dat waren de dingen die zoden aan de dijk zetten in Project Geluk, zoals het leven zich liet samenvatten. De rest was ruis.
Had ik vrienden? Enna had vrienden. Bettina bijvoorbeeld, ik hoorde haar keffertje beneden keffen.
Wanneer zou ze de moeite nemen om boven te komen kijken, vroeg ik me af. Wanneer zou ze zich afvragen wat ik, haar man, heer des huizes, netto waarde ettelijke tientallen miljoenen, met die twee vreemdelingen aan het doen was? Of wat zij met mij aan het doen waren?

8. Manifestatie van de angst

Image result for anthony fisher artist meat
Anthony Fisher, Meat


'Anthony Bourdain.'
Dat was het enige wat Sik zei. O-been knikte, met zijn O-knie. Het was niet helemaal duidelijk wanneer dit duo een reactie van mij verlangde en wanneer niet, maar als ik me weer eens had voorgenomen om helemaal niets te zeggen, alle initiatief aan mijn gesprekspartners te laten, dan verbrak ik dat voornemen vrijwel onmiddellijk; mijn talige brein kwam tussenbeide. 'What about him?'
'Died in his hotelroom,' antwoordde O-been.
'So?'
'All by himself,' vulde Sik aan, zijn oog uitwrijvend.
Enna had een hekel aan Anthony Bourdain, omdat hij zich een keer in een interview lang geleden had laten ontvallen dat hij vegetariërs haatte, omdat die 'het leven haatten'. 'Carnivoren zijn juist degenen die het leven haatten,' wierp zij dapper tegen, 'of althans, het leven van de dieren die ze doodmaken om hun tong te strelen.' Hoe dan ook, inmiddels was gebleken dat Anthony Bourdain het leven haatte om redenen die waarschijnlijk niets met zijn vleeslust van doen hadden.
'Perhaps somebody helped him,' ging Sik verder, terwijl hij door het raam keek naar de hoge populieren in de achtertuin, als om bewijs te zoeken voor zijn theorie.
O-been: 'It's much easier with a little help from your friends.'
Ik sloeg mijn armen over elkaar. 'I don't know what you're talking about.'
Dit was het punt waarop de angst, die ik vrij lang had weten te compartmentalizeren in mijn niet-talige brein, de angst die ik had opgeborgen, als het ware, in een rommelhok, in een stroeve la die moeilijk openging, zich toch langzaam begon te manifesteren. Angst is een slechte raadgever, en al helemaal voor ondernemers, alle ondernemen is angst onderdrukken, maar aangezien ik geen ondernemer meer was, slechts een luie aandeelhouder, was ik het angst onderdrukken enigszins verleerd. Mijn leven was te gemakkelijk geworden, zou je kunnen zeggen. Ik was mijn werkrelatie met de dood kwijtgeraakt.
Sik stond op en klakte met zijn teenslippers. 'Mister Into M. Geniet, do you have any last requests? Because my friend and I, we have to move forward at this point.'

7. Bekentenis

Jason Padgett, Fractal Drawing

Ik dacht er goed aan te doen mijn gedoodverfde moordenaars in mijn geliefde clubfauteuils bij de leestafel te installeren, terwijl ik plaatsnam achter mijn reusachtige, eikenhouten, obsessief opgeruimde bureau, een erfstuk van mijn grootvader.
Ze zaten nog niet, die twee, Sik en O-been, of ze haalden, alsof ze het hadden afgesproken, ieder een appel uit de zak van hun onmodieuze zomerjasje en zetten er ostentatief hun tanden in.
Misschien is dit een goed moment voor een bekentenis: ik, Into M. Geniet, verklaar hierbij schone handen te hebben. Ik ben geen lid van 'de onderwereld' of zoiets. Mijn onderwereld strekt zich niet verder uit dan de, toegegeven: ruime, parkeergarage die ik onder mijn villa heb laten aanleggen. Natuurlijk heb ik her en der schulden gemaakt, heb ik mensen benadeeld, ben ik ze te slim af geweest, enzovoorts, maar ik heb dit zo veel mogelijk binnen de kaders van de wet gedaan. Ik ben nooit in aanraking met de politie geweest afgezien van wat vergeten verkeersboetes, wat geluidsoverlast, inderdaad (maar niet dan nadat Mastenbroek eerst alle normen had overschreden en alleen bij feestjes), en ooit, in een ver verleden, een volstrekt uit de lucht gegrepen aanklacht wegens doorrijden na een ongeluk (de doorrijder na het ongeluk had ook een asgrijze Jaguar, net zoals ik, maar daar hield de overeenkomst op). Enna heeft eens de politie verwittigd toen ik in haar ogen iets te voortvarend met een kostbaar kleinood (een familie-diamant ter grootte van een chocoladerotsje, om precies te zijn) Nederland doorkruiste, maar alleen uit bezorgdheid; ze was bang dat mij, of, beter gezegd, de diamant, iets zou overkomen. Dat is allemaal alweer lang geleden, en de diamant is allang op het hoogtepunt verruild voor goud, dat veilig bij de bank ligt opgeslagen.
Over de reden die iemand ertoe gebracht heeft twee grote, kale mannen in een rood autootje mijn kant op te sturen, met het doel mij te executeren (aha) kan ik 'dus' met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeggen dat die niet financieel, of in het algemeen, materieel is. Behalve misschien de belastingdienst, heeft niemand met mij een rekening te vereffenen. Ik ben een 'eenvoudige ondernemer' die op het juiste moment heeft gecasht, dat is alles.
Plok.
Ik werd in mijn gedachtengang gestoord door een geluid in de prullenbak bij de deur. O-been keek me triomfantelijk aan. Het klokhuis van Sik kon ik daarna op mijn gemak volgen. Het beschreef kalmpjes, op zijn gemak, leek het, een baan door het luchtruim van mijn werkkamer die eveneens eindigde met een plok op de bodem van de mand.
2-0.
'Impressive,' was het enige wat ik wist uit te brengen.

6. Some privacy

Zabou, Privacy


Om de situatie ingewikkelder te maken, althans voor mij, kwam Bettina ook nog eens aanzetten, in haar kokerrok, met haar keffertje, gewoon, omdat ze in de straat was, waarschijnlijk wezen shoppen bij de deftige kaaswinkel om de hoek. Ze dacht dat wij dat 'wel leuk' zouden vinden, zo'n spontaan bezoekje. Ik heb niks tegen Bettina, of haar keffertje, allerminst, Bettina is zo'n vrouw tegen wie je niets  k u n t  hebben, al zou je willen, maar ze staat te dicht bij me, dat is het probleem. Ze rijdt tegen me op. Ik doe een stap naar achter, Bettina doet een stap naar voor. Ik doe een stap naar links, om haar te ontwijken; zij volgt me, alsof we aan het stijldansen zijn. Bettina is een onontwijkbare vrouw. Verder is ze heel aardig. Maar daar had ik nu 'dus' niets aan.
Hoewel, ik kon een rookgordijn van aardigheid aanleggen, door Bettina en haar keffertje naar voren te schuiven, die samen met Enna een keffende, keuvelende linie vormden tegen mijn gedoodverfde moordenaars. Als Bettina ook nog tegen de mannen aan zou rijden, zich aan hen zou opdringen één voor één...
Maar die kale met de O-benen en dat verkreukelde gezicht – de kreuk zat er nog steeds in – was me voor. Hij tikte iets met zijn vettige vingers op mijn telefoon. Een notitie. De notitie liet hij aan mij zien. 'If you prefer to have some privacy, let us know.'
De notitie verbaasde me. Ik nam aan dat mijn moordenaars meer behoefte hadden aan privacy dan ik, maar misschien was dit hun manier om dat aan mij duidelijk te maken. Ik had inderdaad behoefte aan privacy. Wat had het voor zin om Bettina of all people, haar keffertje, Enna, getuige te laten zijn van mijn liquidatie (ah, van dat woord begreep ik het Latijn wel, ongeveer, maar waar sloeg het op)?
Ik prikte met mijn pink naar boven, en fluisterde: 'Gentlemen, let's go to my office upstairs.'

5. Music and dance

Image result for cote d'azur gauguin
Pierre Bonnard, Cote d'azur


Welke opties had ik? Het raampje in de wc was beslist te klein, dat ging ik niet eens proberen, bovendien bracht dat me op de binnenplaats, en dan was ik nog nergens. Brandstichten? Brandstichten was beslist een goed idee, het zorgde voor chaos en verwarring, die op zijn beurt een dekmantel zou kunnen vormen voor mijn escapisme. Ik zou het ladekastje onder de wastafel, met daarin de wc-lectuur (Gummbah et al.) in brand kunnen steken, en dan roepende fire! fire! de gang op kunnen rennen, om door de tuindeuren via de achtertuin bij Mastenbroek of een andere buurman die zijn zaakjes niet op orde had, een schuilplaats zoeken. Maar ik had geen vuur bij me, was al jaren geleden gestopt met roken, en ik verbrandde uit principe geen lectuur. En misschien wel het belangrijkst: ik gunde Mastenbroek de verontwaardiging en het leedvermaak over mijn netelige situatie niet.
Trouwens, er kleefde aan het vluchtscenario nog een bezwaar. Wat zouden de 'flex-migranten' gaan doen als ze achterbleven met Enna? Nee, er zat niets anders op dan 'face the music and dance.'
Toen ik de keuken weer binnenkwam na uitvoerig mijn handen te hebben gewassen, was Enna drukdoende op mijn telefoon foto's te laten zien aan de twee aangekondigde moordenaars, die inmiddels onderuit in de design keukenstoelen hingen.
'I see you are making yourselves comfortable,' zei ik, de houder van de espresso-machine uitkloppend in de notenhouten bak onder het aanrecht.
De mannen reageerden niet op mijn poging tot ironie. Alleen de sik keek even omhoog naar mij, dit keer zonder minieme glimlach.
'And here you see clearly how easily you can reach the beach through this little alleyway,' hoorde ik mijn vrouw voortbeuzelen. 'It only takes two or three minutes to get to the water.' Waar had ze het over? Waarom toonde ze foto's van ons paradijsje aan de Côte d'Azur aan deze volslagen onbekende figuren?



4. De aard van de klus

Willem de Kooning, East Hampton

Daar zaten we dan, aan de lange keukentafel in de woonkeuken, met uitzicht op een zwierig titelloos schilderij met veel geel en roze van Willem de Kooning dat Enna niet lang geleden voor enkele tonnen op een Sotheby's veiling had gekocht, achter twee cappuccino's (voor onszelf), en twee dubbele espresso's (voor mijn moordenaars). Enna leefde in de veronderstelling dat ik gelijk had gehad met mijn oorspronkelijke inschatting, dat de grote kale mannen flex-migranten waren, voor een klus in Amsterdam, en dat ze, om zoveel mogelijk geld uit te sparen, gedwongen waren geweest om in hun autootje te slapen – maar over de aard van de klus was ze nog niet ingelicht.
'So you're for a job in Amsterdam,' ging ze opgeruimd van start, aanbiddelijk als altijd, terwijl ik nadrukkelijk niets zei, achter de rug van de gasten snijbewegingen maakte langs mijn keel, die ze niet begreep of weigerde te begrijpen, 'you must be hired by our neighbour to help with his... Into, wat is onderkeldering in het Engels?'
Aha. Enna was uit op wat fijne roddels over Mastenbroek, de overbuurman, die al twee jaar met een grootschalige verbouwing van zijn villa bezig was, en wiens plan om waarde toe te voegen aan zijn vastgoed enige tegenslagen hadden te verduren. Lekkages, verzakkingen, scheuren in draagmuren: Enna smulde ervan. Ik ook wel, moet ik toegeven.
Ik stond op en zei plompverloren: 'Gentlemen: I need to excuse myself.' Ik keek als een geslagen hond naar de mannen. Dat was mijn vaste strategie geweest, op tactische momenten vluchten naar de wc. Nu wilde ik van daaruit een paar telefoontjes plegen. Noodzakelijke telefoontjes. Op straat had ik overwogen om er als een kat tussenuit te knijpen, om de telefoontjes op een rustige plek te kunnen afwerken, maar ik wilde geen scène in de buurt. Er waren al genoeg scènes in de buurt (Mastenbroek die op hoge toon protesteerde tegen geluidsoverlast bijvoorbeeld, terwijl hij zelf de grootste overlastveroorzaker was, en niet alleen vanwege de verbouwing, hij had er ook een handje van, nu hij tijdelijk zijn intrek in het tuinhuis had moeten nemen, tot midden in de nacht te barbecquën en ordinair te spetteren in zijn niervormige zwembad).
De man met de sik slurpte zijn espressokopje leeg en keek me aan met één opgetrokken wenkbrauw. In het voorbijgaan slaagde hij erin mijn mobiel uit mijn hand te grissen. Ik had ook niet zo'n grote moeten kopen, dat enorme ding smeekte er zowat om uit mijn handen te worden gegrist.
Zonder een spoor van emotie gaf hij mijn telefoon bij de andere man in bewaring.
Enna was alweer bezig met nieuwe koffie.
Met de staart tussen mijn benen trok ik mij terug op de wc. Ik moest mij bezinnen op een nieuwe list.

3. Enna's uitnodiging



'Waarom komen jullie niet even binnen, dat praat gemakkelijker.' Enna stond in de deuropening en ging met een hand door haar scandalous lange, zwarte haar: bijna tot de billen. De lengte van haar haar was trouwens niet de belangrijkste eigenschap, het was de manier waarop het golfde, de weelderigheid, de wildheid ook: dit haar was met geen mogelijkheid te beteugelen, de enige manier was het afknippen, midden in de nacht, met een grote schaar, en verbranden.
De kale man met de sik was uitgestapt, zijn mobieltje als wapen in de hand. Hij droeg een vuilwitte 3/4 broek, en daaronder teenslippers met de Braziliaanse vlag. Niet echt de outfit van een killer, dacht ik, laat staan een assassinateur, maar je kon niet voorzichtig genoeg zijn. Hij bewoog met zijn sik naar Enna, zijn blik op mij gericht.
'My wife wants to know if you would care to come inside,' legde ik uit – overdreven formeel, dat was een afwijking van mij, een beroepsafwijking. Te laat bedacht ik dat ik Enna's uitnodiging ook anders had kunnen vertalen. Mijn vrouw wil dat jullie mij met rust laten, bijvoorbeeld. Of beter: mijn vrouw wil graag dat ik binnen kom.
De man stak zijn hoofd in het kleine autootje en overlegde kort met de andere man op de achterbank in een taal die ik niet verstond en ook niet kon thuisbrengen. Ik had mijn telefoon in de auto willen houden om Google een vertaling te laten maken. Al gaf Google een onvolmaakte vertaling, een onvolmaakte vertaling van wat je moordenaars met elkaar te overleggen hebben was beter dan helemaal geen vertaling.
De andere man stapte nu ook uit; zuchtend en steunend worstelde hij zich van de achterbank langs de passagiersstoel, zich aan de handgreep omhoog trekkend; zijn linkerbeen leek hierbij te haken achter iets op de achterbank. Toen hij eenmaal op straat stond, kaal en groot en verkreukeld, spreidde hij zijn O-benen en legde zijn compacte handen op zijn overhangende pens te rusten.
Enna had dit schouwspel niet afgewacht, was vast naar binnen gegaan, had de deur opengelaten.
In de verte hoorde ik de espresso-automaat, die mogelijk evenveel had gekost als het huurautootje van deze twee mannen, al sissen, blazen en gorgelen, als een monster dat zich opmaakt voor de strijd.

2. 'Are you sure?'

Hani Amir

Ik richtte me op, keek uit over de stille woonwijk en boog me toen weer voorover naar het autoraam. 'I beg your pardon?' Ik had de grote, kale man met de sik heus wel gehoord, ik was zelfs al bezig lijstjes op te stellen van mogelijke opdrachtgevers en motieven, maar ik moest tijd winnen. Als iemand aankondigt je te vermoorden is elke seconde tijdwinst.
'We are going to kill you. Understand?'
Ik gaf een miniem knikje. De andere man, die zich had opgevouwen op de achterbank, keek nogal verkreukeld uit zijn ogen, alsof hij net was ontwaakt uit een twaalf-uur durende droomloze slaap. Hij zag er niet uit als een moordenaar.
Mijn talige brein zag nog kans aandacht te schenken aan het verschil tussen assassinate en kill. Waar kwam dat assassinate vandaan? Ik herkende er geen Latijn in, maar dat kon aan mijn Latijn liggen. Assassineren had je niet in het Nederlands, hoewel assassineren een goed neologisme (of eigenlijk: anglicisme) zou zijn, een verrijking van de taal.
'Are you sure?'
De man met het sikje antwoordde door mij zijn mobiele telefoon te laten zien. Erop een foto van mijzelf van een paar jaar geleden, zo'n klein fotootje, waarschijnlijk geplukt van LinkedIn. Het was geen pr-foto, geen selfie, maar een spontane foto. Sympathieke oogopslag. Sproeten. Onbezorgde rossige krullen. Plat brilletje.
De man borg zijn telefoon weer op. 'Are you Into M. Geniet, date of birth April 20th, in the year 1978?' Into sprak hij uit als het Engelse into, Geniet sprak hij uit als 'kiniet'. Alleen de M sprak hij correct uit.
Opnieuw gaf ik een knikje. Ontkennen was even zinloos als ontkennen dat de huurauto die deze twee aspirant moordenaars hadden gehuurd aan de kleine kant was. Over het dak van het autootje staarde ik in de richting van ons huis. Een kapitale villa, heette zoiets in makelaarsjargon. Enna zat niet meer aan tafel.
Nu hard wegrennen, tegen het verkeer in?

1. Beslagen ramen

Julie Mecoli

Opeens stond er een rood autootje voor de deur, met twee grote, kale mannen erin. Ik weet ook wel dat je een verhaal zo niet kan beginnen, zo'n rood autootje dat uit de lucht komt vallen, compleet met twee passagiers, groot en kaal bovendien, maar toch was het zo. Die mannen pasten nauwelijks in dat autootje, maar ze bleven er urenlang in zitten, soms van plaats verwisselend, af en toe uitstappend om even in de achterbak te rommelen of een sigaret te roken. Ze droegen kleren die niet getuigden van enig modieus besef. Willekeurige kleren.
'Heb je die mannen gezien,' vroeg Enna bij de koffie. 'In dat autootje?'
'Ja, wat is daarmee?'
'Ze zitten er al de hele dag.'
'Ik denk flex-migranten, met een klus in Amsterdam. Ze willen geen geld uitgeven. Als je geen geld wilt uitgeven moet je binnenblijven en je niet verroeren. Zodra je je gaat bewegen, geef je geld uit. Ze willen alles wat ze met die klus verdienen mee terugnemen naar huis.'
Enna was er niet gerust op. Ze wilde de politie bellen.
'Waarom zou je de politie bellen? Die mannen zijn niemand tot last. We leven, last time I checked, in een vrij land.'
Die avond, voordat we naar bed gingen, deed ik de gordijnen opzij. Het autootje stond er nog, met de mannen erin. Ze hadden zich in allerlei bochten gewrongen, op zoek naar een slaaphouding. De ramen waren compleet beslagen. Ik vroeg me af hoeveel zuurstof twee grote mensen nodig hebben om de nacht door te komen. Waarom zetten ze geen raampje open?
De volgende ochtend ging ik naar buiten en tikte tegen het raam. Niet om ze weg te sturen, of om te zeggen dat wat ze deden illegaal was, maar uit nieuwsgierigheid. Soms denk ik: iets minder nieuwsgierig zou beter zijn voor iedereen, maar dan is het al te laat.
Het raampje ging open. De man achter het stuur droeg een ziekenfondsbrilletje. Onder aan zijn kin hing een plukje zuurkoolkleurig haar. Hij keek afwachtend naar me omhoog. Dit was het exacte moment waarop wij en zij elkaar tegenkwamen, het punt van menselijke interactie zogezegd, de confrontatie met de Ander.
'Good morning,' zei ik, zo vriendelijk mogelijk. Je weet nooit wat je aantreft, dus kun je maar het beste vriendelijk zijn, is mijn filosofie.
'Good morning,' zei de man met het sikje, met een onvervalst accent.
'May I ask what you are doing here?'
'You may.' Hij knikte. Ik meende een heel klein glimlachje te ontwaren achter de brillenglazen. 'Well?'
'We have come to assassinate you.'