Om het huis te ontvluchten, en voor gratis theater, heeft Groeninx van Zoelen plaatsgenomen in de lokale Eglise Gothique, die als een enorme steenpuist boven op het heuvelachtige dorpje ligt. Is het hypocriet, vraagt hij zich af, om als nietsist een katholieke mis bij te wonen? Misschien, maar de poort stond open, en hij zal zich niet, zoals bij de evangelisten, openlijk hoeven te verantwoorden. Hij is ruim op tijd. Als de klokken allang zijn opgehouden met luiden, blijkt hij de enige kerkganger te zijn. Vanuit de sacristie komt een schim tevoorschijn, in wie hij al snel de vierkante vrouw herkent. Over deze nevenfunctie was hem niets bekend. Op een schoolbord noteert ze, in kinderlijk handschrift, de nummers van de liederen die gezongen moeten worden, rommelt wat met de stereoinstallatie en gaat, zonder op of om te kijken, zitten. De volgende schim die opdoemt vanuit de sacristie moet de magere man zijn. Oui, c'est lui. Hij draagt een lange witte jurk, hijst met zijn oude vingers de rok op om niet te struikelen en maakt een minieme knieval voor het kruis. Als het eerste lied is voorgezongen door de vierkante vrouw – niet alleen vals, maar ook lelijk – neemt de magere man het woord. Hij is volmaakt onverstaanbaar. Na enkele minuten gebaart hij naar de vierkante vrouw. Zij verdwijnt naar achter en draait het licht uit.
6. Alleen een herbivoor weet zeker dat aan zijn maaltijd geen moord is voorafgegaan.
De maaltijd die de vierkante vrouw Groeninx van Zoelen iedere dag na gedane arbeid voorzet zou je eenvoudig doch voedzaam kunnen noemen. Je zou hem ook dégueulasse kunnen noemen, maar alleen als je ervan gegeten hebt. Groeninx van Zoelen mag trots melden dat hij sinds zijn veertiende vegetariër is, toen zijn vader met zelfgeschoten wild aan kwam zetten en Frédéric voor het eerst de connectie legde tussen carnivorisme en kannibalisme. De vraag is waar de ene soort begint en de andere ophoudt. Alleen een herbivoor weet zeker dat aan zijn maaltijd geen moord is voorafgegaan. Het vegetarisme is niet iets dat de vierkante vrouw bijzonder bezighoudt. Groente is veevoer; zij leeft bij vlees. De worst die op Groeninx van Zoelens bord ligt, naast een grote aardappel, en een handvol champignons uit blik, ziet er niet uit alsof hij gemaakt is van mensenbloed, maar hem zou je alles wijs kunnen maken. Zoals iedereen die ooit zijn wonden heeft schoon moeten likken, kent Groeninx van Zoelen alleen de ijzerachtige smaak van vers mensenbloed. Hij doet alsof hij kauwt. Als de vrouw niet kijkt, spuugt hij het vlees op de grond en schuift het met zijn schoenpunt onder de bank. Als zij vraagt hoe het gesmaakt heeft, put hij zich uit in complimenten.
5. Het leven en de dood
De volgende dag, als Groeninx van Zoelen aan het werk is, mompelt hij bij zichzelf: 'Ik heb nog nooit gewerkt.' En daarin heeft Groeninx van Zoelen gelijk. Hij heeft nog nooit gewerkt. Het is niet zo dat hij trots is op zijn lege CV. Als hij anderen ziet werken stelt hij zichzelf vrij snel de vraag: waarom is hiervoor nog geen machine uitgevonden, die het beter kan? Groeninx van Zoelen is bescheiden. Hij zou maar wat graag willen dat er een machine was uitgevonden voor het werk dat hij nu doet, want elk mens is lui, en hij is een mens, ergo, enzovoort, tegelijkertijd beseft hij ook dat hij niet degene is, of ooit zal zijn, om een machine uit te vinden die dit werk zou kunnen overnemen. Ook al heeft hij nooit gewerkt, en zeker niet met zijn handen – kijk maar hoe delicaat ze zijn, het zijn pianohanden; helaas was Groeninx van Zoelen te lui om piano te leren spelen hoewel zijn moeder pianolerares was – hij heeft grenzeloos respect voor ingenieurs die met hun machines het leven hebben vergemakkelijkt, veraangenaamd, verlicht. Striktgenomen hebben ingenieurs het leven mogelijk gemaakt. En de dood, niet te vergeten.
4. Een wandelend lijk.
Midden in de nacht wordt Groeninx van Zoelen wakker, met zijn kleren, en het licht, nog aan. Zijn mooie blonde haartjes zitten helemaal door de war. 1984 is op de grond gevallen. In de deuropening verschijnt een lange, magere man. De magere man heeft grijze stoppels, en uitstekende jukbeenderen en diepe oogkassen. Een wandelend lijk. Hij lacht. 'Goed dat je er bent, Frédéric,' zegt hij, schor. 'Waar was u?' vraagt Groeninx van Zoelen, 'waarom heeft u me niet ontvangen?' De magere man schudt zijn hoofd. 'Het is beter zo. Dat zul je vanzelf zien. Is er nog iets dat je wil weten?' Nu schudt Groeninx van Zoelen zijn hoofd. Hij hoeft niets te weten. Voorzover hij niet alles weet, kunnen deze lacunes later, op een andere manier worden gevuld. Voordat de magere man de deur weer achter zich dichttrekt zegt hij: 'Ik ga nu weg. Je zult me voorlopig niet zien. Ik zal jou wel zien. Ik zal elke stap zien die je zet. Als je een stap zet die mij niet bevalt, grijp ik in. Maar het liefst laat ik alles aan jou over. Het liefst had ik je nu ook laten slapen. Dit soort arrangementen vereist subordinatie, discretie, minimale disruptie. Dat begrijp jij ook wel. Wij kennen elkaar niet. Wij hebben elkaar nooit ontmoet. Dit is nooit gebeurd. Dit huis bestaat niet eens.'
3. – no escape.
'Mag ik me even terugtrekken?' vraagt Groeninx van Zoelen aan de vierkante vrouw. 'Ik heb een lange nachtelijke reis achter de rug, ik heb het een en ander voor de boeg, zoals u zult begrijpen, dus ik zou graag even gaan liggen als u het niet erg vindt.' De vrouw knikt, met haar vierkante oogleden; althans zo interpreteert Groeninx van Zoelen haar minieme gelaatsuitdrukking. Nochtans maakt ze geen enkele aanstalten hem zijn kamer te laten zien. Daar zijn ook geen afspraken over gemaakt. Hij gaat er gemakshalve van uit dat hij zich een ruimte van het huis tijdelijk toe mag eigenen. Als de vierkante vrouw in een bijvertrek verdwijnt, staat Groeninx van Zoelen op, rekt zich uit, en loopt richting de gang, waar hij een stenen trap aantreft. Langzaam sjokt hij de treden op. Alle muren van het huis, dus ook die in de gang, worden in beslag genomen door tot de rand gevulde boekenplanken. Een bont behang. Twee van de vier deuren op de eerste verdieping staan open. Achter de ene open deur een rommelige studeerkamer met een vooroorlogse computer. Achter de andere een slaapkamer met onopgemaakt bed, met opnieuw muren vol boeken. Groeninx van Zoelen trekt een boek uit de muur en leest: 'Always the eyes watching you, asleep or awake, working or eating, indoors or out of doors, in bath or in bed – no escape. Nothing was your own except the few cubic centimeters inside your skull.'
2. Vierkant
'Excusez moi?' zegt Frédéric Groeninx van Zoelen, met een moe hoofd, door de poort van het ommuurde oude huis in Caux, waarop met bonte letters KILL is gekalkt. Het is hem al eerder opgevallen, die ochtend, de graffiti op het Franse platteland. Graffiti op het Franse platteland is zoiets als Hepie en Hepie op het Holland Festival: je verwacht het niet. 'Allo!' roept hij nog maar eens, nu iets luider, als op de beleefdere aanspreekvorm geen respons komt. Als hij zich afvraagt of hij niet aan het verkeerde adres is, ziet hij in de struiken iets bewegen. Een vrouw verschijnt, van middelbare leeftijd, met een zwarte jurk aan, een zwart hoedje op, en een hark in haar hand. Langzaam, heel langzaam komt ze naar de poort gesloft en opent deze. 'Bonjour,' zeg hij, en steekt zijn hand uit. 'Groeninx van Zoelen? Ik moet hier zijn.' De vrouw, die een vierkant gezicht heeft, pakt zijn hand met drie vingers aan bij de pols, alsof het een verzopen katje is. Zij heeft zwarte handen, die van hem zijn klam; zo hoeven ze elkaar niet te besmeuren. Daarna neemt ze hem van top tot teen op. Haar vierkante ogen gaan nauwelijks open. Als hij is goedgekeurd, sloft ze langzaam naar het huis. Even later zit hij aan een lage, rommelige keukentafel. De vierkante vrouw maakt koffie, scheurt stokbrood. De vrouw heeft nog altijd niets gezegd. Striktgenomen was het ook niet nodig.
1. Het is voorlopig het beste om helemaal in je omgeving op te gaan.
Op zijn geheime email-account ontving Frédéric Groeninx van Zoelen, rusteloos gelukszoeker te Amsterdam, gisteravond de volgende email: 'Print dit bericht uit en voer stap voor stap de hiernavolgende opdrachten uit. Vertel niemand wat je van plan bent. Geen grappen. Sluit het huis goed af. Stap in de auto. Toets het volgende adres in: 16, Avenue de la Gare, Caux (Frankrijk). Ga niet over Parijs, maar over Metz-Nancy. Duw Miles Ahead in de cd-speler en draai de A2 op, maar neem geen onnodige risico's en hou je aan de snelheidslimiet. Niet omdat je je zorgen zou moeten maken over de boetes, maar omdat we niet willen dat je wordt gefotografeerd. Het is voorlopig het beste om helemaal in je omgeving op te gaan. Rijd in een keer door via Eindhoven naar Luik. Pauzeer bij de eerstvolgende benzinepomp langs de E25. Drink koffie. Geen Red Bull. Met niemand aanpappen. Volgende stop is voorbij Dijon. Dat lijkt ver, maar er is nauwelijks verkeer. Rijd als een god door Frankrijk: groot licht aan en blazen maar. Zorg dat de halve maan rechts van je blijft hangen aan de paarszwarte hemel. Bij Valence heb je, het zal dan rond 7 uur in de ochtend zijn, de keuze tussen een McDonald's en een imitatie-Café de France. Kies voor de laatste. Sop croissants en jam in lauwe café au lait. Neem een powernap op de achterbank zodat je rond elven aankomt op de plaats van bestemming met een relatief fris hoofd.'
Werkgeven
Net als ik met beeldend kunstenaar Arjen het terras rond mijn schrijfhuis aan het leggen ben – een schrijfhuis zonder terras is als een bed zonder poten – staat ineens André van de botenpaniekdienst voor mijn neus met een verroeste startmotor in zijn hand. In de keuken achter hem zie ik nog net hoe Maria de ijskast aan het uitmesten is. Het wachten is op tuinarchitect Dick. Nooit eerder heb ik zoveel mensen aan het werk gehad. Ik voel me... werkgever. Eindelijk. Dat moet toch het doel zijn van elke werknemer: dat hij zich vroeg of laat ook eens tot de werkgevers mag rekenen, al is het maar voor een middag. Arjen wil weten of ik het erg vind als het terras niet 100 % waterpas is. André wil weten of hij een nieuwe startmotor mag aanschaffen, aangezien met deze toch overduidelijk geen enkel scheepje meer op te starten is. Wat Maria wil weten weet ik niet. Volgens mij hoeft ze niets te weten; het ijskast uitmesten lukt zo ook wel. Ik antwoord Arjen dat het leven een beetje scheef is, een niet helemaal waterpas terras hoort daarbij. Ik antwoord André dat ik het hem mogelijk zal maken een nieuwe startmotor aan te schaffen. Dick ontwerpt een tuin. Lang leve het grootkapitaal.
Vain, door Arjen Lancel.
Een mens lult wat af op een dag
Het eerste gesprekje: op het schoolplein. Met de vader van een klasgenootje van zoonlief. Over of hij wel of niet. Hij komt moeilijk uit zijn woorden. Het is nog vroeg. Boven bij het lokaal nog een gesprekje met een andere vader over de zin en onzin van luizenzakken. We houden het kort.
Intake van nieuwe tortelduiven aan de Van Tuyll van Serooskerkenweg. Welke non-native Netherlander krijgt die straatnaam uit zijn strot? Er ligt een croissantje voor me. Ik praat teveel. Het verhaal van de vioolbouwer en de violiste: te mooi om hier te verklappen.
Inval bij de uitgever wegens inlevering ener manuscript, dat in welkome dankbaarheid in ontvangst wordt genomen. Praatje met redacteur/pusher op het achterplatje, onder het genot ener Camel. Heeft hij nog een Grøndahltje voor me? 'Je moet zijn vroegere werk hebben. Later krijgt hij dat zelfingenomen toontje. Maar zijn onlangs verschenen jeugdmemoires zijn weer wel goed.'
Langs bij het tijdschrift dat me inhuurde voor de spoedklus. Ik voel me allang geen Winston Wolf meer. De hoofdredacteur belooft mijn nota 'af te tikken'. Je gulp staat open, zeg ik, naar waarheid, er is te weinig plaats voor je mannelijkheid. 'Er is juist teveel plaats, en te weinig mannelijkheid.' Bij de uitgang stuit ik op de bevriende redactrice die me de klus had bezorgd. Ze straalt. Ze komt van een Joodse begrafenis. Haar ex moest een keppeltje op.
Nummertje 6. Hampe op 't Spui. Daar was ik al twintig jaar niet geweest. Verkoopt u ook muziekinstrumenten voor 10 maanden oude zuigelingen? 'Probeert u het eens bij Tinkerbel op de Nieuwe Spiegelgracht.'
Vertrouwd terrein. Zuslief op de Wallen. Als ik bovenkom staat het enorme kantoorraam zo ver open, dat ik meteen weer weg wil vliegen, maar ik heb mijn vleugels niet bij me. Teerbeminde met een boodschap aan de telefoon. Dat gesprek moet ook worden meegeteld. Ik spreek zus A. in haar hopelijk hermetisch afgesloten vergaderhok. 'Wat? Ping pong jij?' had een klant tegen haar gezegd. 'Maar ping pong is toch totáál niet sexy?'
Gesprek acht. Of negen. De dame van de chocolaterie/souvenirwinkel weet te vertellen dat Droste af wil van zijn Cacao, en dus van het Droste meisje, en –effect. 'Waanzin. Een of andere Duitse graaf die daar de scepter zwaait wil er een streep door zetten. Het doet me denken aan de Hopjes van Rademakers, die ook bijna dreigden te verdwijnen. Hopjes is een wereldproduct!'
# 10. @ Tinkerbel. De verkoper tijdens het inpakken van het muziekinstrument voor 10-maanden oude zuigelingen: 'Je vraagt je af hoelang die straat nog opgebroken blijft. Ik vind het niet erg, maar wel dat het zo inefficiënt gebeurt.'
't 11e. Vriendschappelijk diner. Uitgeluld, zou je zeggen. Maar nee. 'Kibbelen is heerlijk!' kraait de gastvrouw kibbelend met de -heer. Dat kan ik beamen. Ik hoor mezelf lullen: 'Weet je hoeveel gesprekjes ik vandaag heb gevoerd? Zal wel door de lente komen.' Waar vandaag overigens niet veel meer van over is.
Deel 20 (slot): Vrije val
Ik zit in een bomvolle Transavia-vlucht van Nice naar Rotterdam. Voor mij huilen zuigelingen, achter mij huilen zuigelingen, links en rechts huilen zuigelingen. Zuigelingen zijn een groeimarkt, en niet alleen voor Transavia, maar ik kan mijn gedachten niet houden bij Jonathan Littells magistrale boekhoudersproza. Littells hoofdpersoon, een oude nazi, lijdt aan een chronische neiging tot braken. Ik lijd aan een acute neiging tot braken, maar dat komt door de turbulentie boven de Alpen. Het broodje dat ik at op het vliegveld komt terug in het vliegtuigtoilet, waar het met geweld wordt opgezogen. Op de terugweg naar mijn stoel, bij de achterste nooduitgang, word ik staande gehouden door een man die zich uitgeeft voor recherche. Hij wil weten waarom ik mijn vlucht heb omgeboekt van 16 maart 2010 naar 16 oktober 2009. Ik zeg dat ik mijn sabbatical wegens omstandigheden vroegtijdig heb moeten afbreken. 'Welke omstandigheden?' De rechercheur werpt een blik door het piepkleine raampje van de nooduitgang. Ik leg uit dat de puissant rijke cliënt van wie ik de villa mocht lenen, tamelijk plotseling in de problemen is gekomen, een vrije val zogezegd. Gebrek aan vertrouwen. 'Hij wil zo snel mogelijk van zijn villa af. Er waren al kijkers uit Duitsland.' 'Welke villa?' 'De villa waar ik sliep en de villa die ik had moeten slapen bleken een en dezelfde. Met een druk op de knop schoof er een vloer over het zwembad en kwam de driving range omhoog. Maar ik moet zeggen: dan nog heeft ze het vernuftig gedaan.' 'Wie?' 'Eternité van Protection 24/7.' 'Dit gelooft u?' 'Ik moet dit geloven.' De man komt dicht tegen mij aanstaan om een passagier te laten passeren. 'Er dreef een lichaam in het zwembad,' fluistert hij. Hij stinkt uit zijn mond. Net zoals ik, waarschijnlijk. In één katachtige beweging duw ik de man van me af, breek de nooduitgang open, ik weet ook wel dat dit niet kan, maar het moet kunnen, het moet gebeuren, onmiddellijk, en vlieg op eigen kracht door een gat in de wolken naar de leegte waar ik thuis hoor.
Abonneren op:
Posts (Atom)









