Dag van verschijnen


Jaren geleden heeft mijn geliefde costumière een changeant indigo pak voor me gekocht van Martin Margiela. Een bijzonder pak, omdat het van hout is gemaakt. De snit is zodanig, dat hij nogal ruim valt over de schouders, met wijde pijpen enzovoorts; niet de strakke look, dus, waarin men thans menig gekostumeerd baardje in de stad ziet. Daar komt bij dat het jasje gek genoeg weer krap is in de armen, waardoor het onmogelijk is om iets van de grond te rapen, maar dat moet je misschien ook niet willen.
Ik heb dat pak nog nooit aangehad, maar het leek me een goed idee om het nog een kans te geven. Voor mijn gevoel was ik naar dat pak toegegroeid. Het is immers ook een bijzondere gelegenheid, zo'n dag van verschijnen. Het is de vierde dag van verschijnen in mijn leven, en je weet nooit hoeveel er nog volgen. Als Kim Jong-Un bijvoorbeeld al dan niet per ongeluk zijn raket niet op Alaska richt, maar op de Amsterdamse Rivièra, dan is dit denkelijk de laatste voor mij.
Toen ik vanochtend bij de koffie mijn nieuwe ouwe pak kwam showen, riep mijn geliefde costumière verschrikt uit: 'Wat heb je  n u  weer aan? Je ziet er uit als een clown!' Ik sputterde tegen dat dit toch echt het pak was dat ze jaren geleden voor mij had gekocht. 'Om te beginnen moet je het strijken! Die broek is een en al kreuk. En dat jasje ook!' 'En mijn overhemd?' vroeg ik. 'Ook.'
Ik weet dus wat mij te doen staat. 

Hij is er:



Hij is er, want ik heb hem in mijn hand. Vers van de pers. U, lezer, zult nog tot donderdag op mijn roman moeten wachten, maar dat lijkt me een overbrugbare periode (volgens mij kun je hem wel alvast bestellen, bijvoorbeeld hier).
Ik word ondertussen vervuld van een vreemd mengsel van trots en, ja, van wat eigenlijk? Droefheid, vrees ik toch wel. Droefheid om het afscheid van de tekst, denk ik, waar ik vier jaar aan heb gewerkt, eerst heel intensief, en daarna eindeloos schavend. Een zelfde droefheid misschien die een moeder overvalt die afscheid neemt van een kind dat gaat studeren.
En twijfel, eeuwige twijfel, over wat nu te doen: diep onder de lakens duiken (wat ik eigenlijk wil), of de wereld in om iedereen van deze nieuwe titel op de hoogte te brengen (wat moet).
Eerst maar eens een glaasje. Eins zwei drei saufen!

De Redding van het Schorre Poesje

Toen de gastheer en ik neerploften in de media room van zijn nieuwe Haarlemse huis om zijn laatste cadeau aan zichzelf te zien/horen – een state of the art geluidsinstallatie –, stak zijn vrouw haar hoofd tussen de schuifdeuren en zei: 'Er miauwt een poes in het schuurtje bij de buren.'
'Wat wil je dat ik daaraan doe?'
'Weet ik ook niet.'
De gastheer wachtte tot zijn vrouw de schuifdeuren weer had gesloten en draaide het volume omhoog, Charles Mingus' The Black Saint and the Sinner Lady.
Nu was het mijn vrouw die haar hoofd tussen de schuifdeuren stak om te zeggen dat er een poes miauwde in het schuurtje van de buren, met de toevoeging: 'Hij is schor van het miauwen.'
Wat bleek, het gemiauw was al drie weken te horen geweest.
Ik liep de tuin in, klom over het muurtje en opende het schuurtje. Een zwarte, broodmagere poes kwam naar buiten met een air van 'what took you so long, wise guy?' Hij was door een opening onder het dak het schuurtje in geglipt of gegleden en zat sindsdien als een rat in de val.
De gastheer reikte me over het muurtje een kom melk aan, die ik voor de poes neerzette, maar hij verdween meteen door het kattenluik naar binnen.
Later kwam degene die was aangewezen om de poes van de buren te verzorgen, de poes verzorgen. 'We vroegen ons al af waar het poesje was.'

Als ik niet denk aan datgene waaraan Murakami denkt als hij denkt aan rennen

Ooit huldigde ik de mening dat sport (door mij althans) niet beschreven maar bedreven dient te worden, maar nu voel ik de behoefte om over rennen te schrijven. Mijn rennen, het dagelijkse rennen waaraan ik een maand of wat geleden ben begonnen.
Aan het huis in Normandië lag een tamelijk groot gazon, en om dat gazon rende ik 's ochtends, met de dauw in het gras, rondjes. Halfnaakt en blootvoets. Dit geeft een voldoening die grenst aan het erotische. In Florence rende ik ook rond in de tuin, alleen was die tuin kurkdroog; hier bleven geen grassprietjes aan mijn edele voetzooltjes plakken, maar vreesde ik daarentegen verrast te worden door verdekt opgestelde horzels, schorpioenen en slangen. Ik stelde me voor hoe omwonende Florentijnen ontwaakten, de luiken voor hun ramen openden en een melkwitte man door hun binnentuin zagen rennen, met alleen een slipje aan.
Op tennisschoenen rond het water in Amsterdam is minder opvallend – bijna normaal zelfs. Minder erotisch ook. Als nieuwkomende renner word ik nu eens bejegend met een welwillend 'join the club'-knikje, dan weer met ronduit vijandige blikken, maar het vaakst word ik volkomen genegeerd. Zo zijn de wetten van de stad.
Mijn ademhaling: door de neus in – pa-dam – en door de mond uit, en die cadans proberen vol te houden.
En: hoelang nog?
En: hoe groot is de kans dat ik dood neerval?
Dat is waar ik aan denk, als ik niet denk aan datgene waaraan Murakami denkt als hij denkt aan rennen.

Molkamer

Ik lees dat in Manhattan sinds een paar maanden een wreckage room ofwel molkamer beschikbaar is voor mensen die eens rustig op hun gemak dingen willen slopen (de eerste was overigens in Dallas, in 2008). Op zulke momenten verlang ik terug naar New York. Dingen straffeloos mollen is een oude, en terugkerende wens van mij, een die teruggaat op mijn pubertijd, en ik vermoed dat ik niet de enige ben. Wie wil er nu niet af en toe uit pure frustratie, of gewoon voor de decadente lol een vaas stuk gooien tegen de muur of een bijl zetten in een computer? In deze nette, veilige tijden (de tijden zijn nog nooit zo net en veilig geweest), wordt die behoefte alleen maar groter, zou je denken.
Zeker, het mollen in zo'n molkamer is gecontroleerd mollen. Piñata voor volwassenen. Je molt eigenlijk niks want de spullen die je mag mollen zijn er om gemold te worden (afgezien van de laptop dan die de organisator in New York per ongeluk in de kamer had laten liggen). Dat geeft wel iets minder voldoening, vrees ik, maar het grootste probleem van het concept van de molkamer lijkt me dat sloopwoede zich niet laat regisseren. Op het moment dat je van flat screens aan gruzelementen slaan een date maakt, is, vrees ik, de aardigheid er van af, maar dat weet ik niet zeker.
Misschien is het, als tegenwicht voor al dat constructieve gedoe in ons opbouwende bestaan, wel  a l t i j d  fijn om te slopen, en komt in de molkamer de molbehoefte als, nou ja, een mol in je naar boven.

Ik hoef hiervoor niet naar New York, zie ik. In Tilburg kan het ook. Kijkende naar de promofilmpjes ben ik alleen bang dat ik, door dingen te mollen, misschien ook een stukje van mezelf mol, en daar heb ik geen molkamer voor nodig.

Dertiende werkdag

Omdat vakantie hard werken is, en werk een vorm van vakantie, neem ik mijn kleintjes mee naar de oud-bibliothecaresse in de Jordaan.
Ze is niet alleen; een man met een grijze Chriet Titulaerbaard komt van zolder naar beneden met de was. 'Ah, de schrijver,' zegt hij toonloos.
'Ben jij van Cordaan?' vraag ik.
'Nee. Ik ben van niemand.'
De oud-bibliothecaresse staart ondertussen mijn kleintjes aan vanuit haar verstelbare stoel alsof het buitenaardse wezens zijn, creaturen uit een ander universum, ontsnapt uit een onvermoed wormgat. Gebiologeerd kijkt ze toe hoe ze aanvallen op de donuts die ik in de keuken aantrof. Ik kijk mee. Het is ook een schouwspel. Beter dan televisie, zoals hun moeder pleegt te zeggen.
Op hun beurt verbazen de kleintjes zich over de manier waarop de oma die geen oma is smult van een kiwi die ik voor haar in partjes heb gesneden. 'O, o, o, wat lekker is dit, zeg!'
Dan is het stil. Ik nodig de acht-jarige uit om wat moppen te tappen.
'Wat is het tegenovergestelde van framboos? Framblij!'
De oud-bibliothecaresse lacht hard. Te hard.
'Hoe noem je een skelet in een kast? Iemand die honderd jaar geleden heeft gewonnen met verstoppertje!' Ik vind hem wel aardig, maar de oud-bibliothecaresse kan er niet om lachen.
Nog niet.
De moppen raken op. De oud-bibliothecaresse grijpt naar haar shag; wij gaan op zolder kijken.
Als we weer beneden zijn, en nog even getuige zijn van haar ouderdom, barst ze ineens opnieuw in lachen uit. Weer die harde lach. De lach van een krankzinnige. De drie-jarige klimt verschrikt op mijn schoot. De achtjarige is alleen verbaasd dat het zolang duurde.

Streep door kippenplan

Ondanks Chickfriend-gate wordt me van alle kanten afgeraden vleugellamme tweevoeters als huisdier te nemen – eierleggend en lid van de dameskerk of niet.
'Heb je enig idee hoeveel troep en zooi die kippen geven?' waarschuwt mijn moeder in haar eerste email dienaangaande.
Haar tweede email onmiddellijk erachteraan gooit het over een andere boeg: 'Wij moesten onze kippen heel snel wegdoen vanwege klachten van Steenkamp!'
Dat moeten de kippen zijn geweest die veertig jaar geleden voor Medische Broer werden besteld. Twee hennen en een haan. Die haan verklaart waarom de oprichter van het CDA hinder ondervond, ook al woonde hij drie villa's verderop. Het kan hem niet te doen zijn geweest om de troep en zooi, want die bleven buiten zijn gezichts- en reukveld. Kukeleku is storend, zelfs voor een christendemocraat, met name als de kukeleku op een onchristelijk tijdstip klinkt.
Het pluimvee werd bij een boer ingeruild tegen twee albino konijnen, maar van die schatjes kan ik me niets herinneren. Ik kan me alleen nog het konijn herinneren dat eerst door de hond in het bos was gevangen (en per ongeluk dood gebeten, want doden lag niet in haar aard), en dat vervolgens in de achtertuin op indrukwekkende wijze werd ontleed door – wie anders – Medische Broer, met het kookboek erbij. De vacht werd tussen een fietswiel gespannen om te drogen. Van dat bontje is later nog een mutsje genaaid, waarmee ik voor gek liep.
Mijn zuster vertelt dat ze buren had met kippen. Die vraten de hele tuin op. Bovendien pikte de ene gemeen in de ander. Om die pikorde te verstoren kreeg de butch een ringetje om haar snavel, die pikken naar eten nog net wel mogelijk maakte, maar pijnlijk pikken niet.
Toen ik op internet ook nog las dat er bij sommige kippensoorten risico bestaat dat hun kam bevriest in de winter, dacht ik: laat maar.
Nu alleen nog even het kippenplan uit het bewustzijn van mijn drie- en achtjarige wissen.


Hokken

Sinds ik mij tijdens de Grote Vakantie in een vlaag van verstandsverbijstering had laten ontvallen dat het wellicht leuk zou zijn om aan de Amsterdamse Rivièra ook kippen te nemen, word ik door de peuter en de achtjarige gecornerd om een kippenhok aan te schaffen. Prima, ze willen best accepteren dat ik nog andere plannen heb, en vooral ook bedenkingen bij het kippenplan, maar eerst moeten we naar de winkel voor het kippenhok, dus voor ik het weet sta ik in de Intratuin, een winkel die ik doorgaans probeer te mijden, en luister naar een medewerkster die niet onvriendelijk maar beslist zonder enthousiasme uitlegt welke typen kippenhokken er zoal zijn en wat ze kosten. Om met het laatste te beginnen, ik stijger nogal bij prijzen van rond de 300 euro voor een paar plankjes en wat gaas, want dat is toch wat een kippenhok in de grond behelst, schat ik zo in, met mijn, toegegeven, beperkte, kennis van kippen en hun habitat. Ik besef dat ook de markt voor dierenbehuizingen er een is die wordt beheerst door vraag en aanbod  en constante innovatie om de concurrentie voor te blijven. Een van die hokken heeft twee slaapkamers. Dat lijkt me wat teveel van het goede. De twee kippen die ik maximaal in mijn achtertuin tolereer, zullen het met één slaapkamer moeten doen. Van de dameskerk dus. (En eieren leggen anders zwaait er wat.)
Bij de firma Ranzijn dwalen mijn gedachten af naar de geprononceerde achillispezen van de medewerkster die mij voorgaat de trap op naar de mezzanine, waar een schappelijker geprijsd kippenhok staat.
De driejarige en de achtjarige bestuderen een vogelkooi waar ze zelf makkelijk in zouden passen; erin en eruit door het krappe deurtje wordt wel een beetje proppen, maar dat is een kwestie van oefenen. 'Die kopen we,' zeg ik tegen de achtjarige. 'En dan stoppen we daar jouw zusje in.'
Dat lijkt ze wel wat.

Vechten in de liefde

Behalve een examen om kinderen op te mogen voeden, moet de overheid ook vechtcursussen aanbieden aan echtelieden.
Verliefd worden is zo gebeurd, maar om een liefde in stand te houden is vechtkunst onontbeerlijk. Examen-onderdelen: de welluidende klap, de goedgeplaatste stomp, de stevige maar niet te stevige duw. Dus niet meteen gaan krabben, haren trekken en bijten. Krabben, haren trekken en bijten mag alleen als de tedere technieken zijn uitgeput. Hoe dan ook niet schoppen en met de dood bedreigen.*
Trouwens: verbaal geweld is ook geweld, maar fysiek geweld, mits ingehouden, met stijl en compenserend voor elkaars tekortkomingen, is zoveel bevredigender.
Ik moest hieraan denken bij het herzien van een scène uit Scenes uit een huwelijk bij Zomergasten. Bergman was waarschijnlijk met vijf huwelijken ervaringsdeskundige, maar elk echt huwelijk moet eraan geloven. Ik wil zelfs zover gaan om te stellen dat echtelieden die niet vechten geen echtelieden zijn, maar aandeelhouders of huisgenoten. Ook prima, en lekker rustig inderdaad, maar van een andere orde. Liefde maakt dierlijke gevoelens los. Een marsmannetje dat die Marianne en Johann zag vechten in Scenes uit een huwelijk, zou denken dat het om een een hogere diersoort ging. (En dat is natuurlijk ook zo.)
Vechten in de liefde is seks voortgezet met andere middelen.

*Hier is de hele scene, die verontrustender is dan het stukje dat Zomergasten liet zien, en nog beter de emotionele chaos blootlegt. Zo moet vechten tussen geliefden dus  n i e t, want ze gaan scheiden, en dan heb je het gevecht dus opgegeven.

Internetdagboek en zelfcensuur

'Kun je niet een keer wat aardigs over me schrijven?' had teerbeminde lieftallige Reiseführer tijdens de Grote Vakantie uitgeroepen.
'Je bent altijd zo gemeen.'
En: 'Ik wil niet meer dat je me aanduidt met LT.'
Een internetdagboek heeft voor- en nadelen. Om met de voordelen te beginnen: je wordt gelezen. Al was het maar door de hoofdpersoon uit des internetdagboekers leven. Maar daar zit ook meteen het nadeel. Want de internetdagboeker gaat rekening houden met die hoofdpersoon. Die gaat aan zelfcensuur doen. Dat levert geen literatuur op, – zelfs niet op internet –, want literatuur verdraagt geen censuur. Literatuur vereist wrijving. Niemand zit te wachten op zoetsappige liefkozingen en uitingen van intense tederheid. Ja, geliefden natuurlijk wel, maar dan kun je ze beter verpakken in een brief, of in een persoonlijk opgedragen gedicht. Of nog beter, je kunt ze mondeling overbrengen. 'Ik vind je lief.' 'Wat zie je er verrukkelijk uit vandaag.' En: 'Wat heb je de Grote Vakantie toch fantastisch geregeld.'
Zo.
Nu tevreden?
Vast niet, want A. zei ook nog: 'Ik wil niet meer dat je over me schrijft.'

Le défaut des clignoteurs

Vandaag de terugtocht aanvaarden zonder werkende clignoteurs.
Dat de richtingaanwijzers niet meer werkten wisten we al toen we uit Parijs vertrokken, maar we moesten toch alsmaar rechtdoor, dus ik voorzag geen problemen. In Normandië aangekomen, kreeg ik hier en daar in het verkeer toch wel te maken met links- en rechtsaf, waardoor de behoefte om de richtingaanwijzers te fixen toenam.
Het geval wilde dat L., de kippenslachter en man van de vriendin uit Amsterdam, bijzonder handig bleek te zijn, en bereid om even naar mijn auto te kijken.
Hij deed de pet af, die min of meer verkleefd was met zijn schedel, trok zijn t-shirt uit, en wurmde zich onder het dashboardkastje met de lantaarn uit zijn telefoon, op zoek naar zekeringen. Ik stond erbij en keek naar zijn wonderlijk vergroeide navel, maar die deed niet ter zake.
L. vond de zekeringen, maar dat hielp niet.
In de buurt vond ik een Renault garage. Daar dook opnieuw een man onder het dashboard, nu met zijn kont omhoog zodat ik zowel zijn workman's cleavage als onderbroekband kon bewonderen, waarop FREEMAN of zoiets stond, maar ook dat deed niet ter zake. Hij raadde me aan een Volvo-dealer op te zoeken.
De Volvo-dealer te Le Havre, een hippe vogel met talrijke onleesbare tattoo's op de armen, zag meteen dat het probleem dieper zat dan een zekering vervangen.
'Voorzichtig rijden,' raadde hij aan.
Ik ga mijn best doen. Mocht er iemand achter mij aanrijden en denken wat een aso, dan weet zij: ik bedoel het goed.

Wulk

Zoals de meeste vormen van geplande gezelligheid, is uiteten een kwestie van verwachtingen managen. Mij leek het verstandig om de verwachtingen ten aanzien van visrestaurant Chez Nounoute te Fécamp waar we op aanraden van onze AirBnB-host en kippenhouder David hadden gereserveerd enigszins naar beneden bij te stellen toen we door een forse, norse serveerster naar onze tafel waren gedirigeerd in een doorzichtige plastic terrastent, maar de Reiseführer wilde graag tot het allerlaatst blijven geloven in de uitstekende keuze die wij/zij hadden/had gemaakt.
'Quoi?' blafte de serveerster met schorre stem, toen ik voor LT extra pommes frites wilde bestellen.
'Pommes frites,' verduidelijkte ik.
'Ah, des FRITES!' riep ze uit.
'Oui, des frites,' mompelde ik verbaasd. 'Ma femme aime des frites.'
De borden werden vervolgens, vond ik, nogal liefdeloos voor onze neus neergeplempt.
Ik had bulots (wulk) besteld, een lokale specialiteit. Ik had nog nooit wulk gegeten. Kinkhoorn is een andere benaming voor wulk, en hoewel ik zowel wulk als kinkhoorn interessante benamingen vind (het woord kieuwslak al minder), deed mijn gerecht het meest denken aan lauw rubber met zweetsmaak.
LT was na afloop misnoegd over mijn kritische kanttekeningen. 'Jij weet altijd iets negatiefs te vinden,' zei ze. 'Het is voor jou nooit goed.'
Mijn gymnasiast knikte.
Soms denk ik dat ik niet geschikt ben voor gezelligheid.

Een bepaald rukje

'Als je doorgaat met die kippen vet te mesten, teken je hun doodvonnis,' zegt L., de man van de vriendin uit Amsterdam die langskomt met de camper in Normandië. Hij weet waar hij het over heeft. Hij had ooit zelf '6, 4, 3, 1, 0' kippen, toen hij in de Italiaanse Alpen woonde.
Ik had hier niet bij stil gestaan. Ik dacht dat ik mijn kippen aan het verwennen was, uit dankbaarheid voor hun perfecte eitjes en hun nou ja, blote bestaan. Ik heb ze zelfs een restje chips gegeven. Naturel. Daar haalden ze eerst hun neus voor op, bleven doorjammeren op die typische pluimvee-achtige manier, een soort lang aangehouden kakel, alsof er iets vast zit in hun keel waardoor ze niet door kunnen kakelen, met als boodschap: kom eens met iets beters, zoals die pasta bolognese van gister, die was lekker, niet deze kleurloze rommel, maar toen ik een paar uur later weer in hun ren ging kijken, was er van de chips niets meer over. Rijst voer ik Kip & Pik sinds LT rijst maakte, – ze is een fantastische kok maar rijst koken is niet haar fort –, en waar dus een heleboel van overbleef, maar ook daar hebben ze inmiddels de buik van vol. Half laten verhongeren dan maar, voor hun eigen bestwil, à la 'presque autonome'?
L. slachtte zijn kippen zelf, als de tijd daar was. Een kip draai je niet zozeer de nek om zoals je een kraan open of dicht draait, maar, legt L. uit, je pakt hem op bij de nek en geeft hem een bepaald rukje. 'Het is niet zozeer schokkend om te doden, maar om te beseffen hoe makkelijk het is.'

Mijn – onze – kippen

De second leg van de Grote Vakantie brengt ons – beter gezegd: brengt die Reiseführer ons – naar Normandië. Hier geen zwemprobleem (wel een strandprobleem trouwens, met die keien overal) en ook de dorpjes zijn pittoresk, maar wat mij het meest charmeerde waren de kippen die inbegrepen zaten bij het AirBnB-huis. Het waren er twee. Mijn achtjarige doopte ze Snelle en Zeldzame, maar omdat iedereen de hele tijd wilde weten wie nu Snelle was en wie Zeldzame, en hijzelf niet consequent was in zijn antwoorden, herdoopte ik ze Kip en Pik, met als ezelsbruggetje dat de zwarte Pik was (als in pikzwart ). Pik bleek nog in meerdere opzichten een goedgekozen naam, omdat zij alles voor Kip haar snavel wegvrat, en sowieso de dominantere van het stel was.
Nos deux poules sont "presque" autonomes, hadden de verhuurders geschreven, met de toevoeging, dat ze het toch wel op prijs zouden stellen als wij ze af en toe water gaven, en kliekjes eten.
'Mogen wij voor de kippen zorgen?' luidde de vraag van achtjarige, geschreven op een uitwisbaar bord. LT schreef ja maar natuurlijk, graag zelfs; maar ik was jaloers. Ik wilde  z e l f  voor de kippen zorgen. Iets in mij voelde een onmiddellijke, sommigen zouden zeggen kosmische, affiniteit met deze vleugellamme tweevoeters, wier algoritme leek te bestaan uit pikken-pitten-broeden, en die ons op de dag van aankomst acht (8!) eieren hadden geschonken. Die eieren hadden ze overigens op de composthoop gelegd, mogelijk omdat in de legkamer hoognodig stront diende te worden geschept. Dus dat deed ik, en prompt lag er een paar uur later weer... een geometrisch wonder.

Anxiety

Vandaag mijn eerste korte Het dispuut-interview gegeven, dat bij de eerste recensie zal verschijnen, in het Vlaamse blad Knack. Ik was behoorlijk zenuwachtig. 'Deze journalist is de eerste buitenstaander die iets van mijn boek gaat vinden,' maakte ik mijn vakantiegenoten van mijn anxiety deelachtig, 'de eerste niet-belanghebbende.' Helemaal juist was dat laatste natuurlijk niet. Ik heb schrijvers geïnterviewd en boeken gerecenseerd, en ik weet maar al te goed dat ook de interviewer/recensent deel uitmaakt van het literaire bedrijf en in die zin belanghebbende is. Maar dat maakte mijn anxiety er niet minder om.
'Wij gaan wel koffie drinken in een tentje, dan kun jij hier rustig praten,' zei LT.
Dat voorstel veranderde niet veel later in: 'Wij gaan wel in de woonkamer zitten, dan kun jij rustig in de keuken praten.'
'Nee,' zei ik tenslotte, 'ik ga de deur uit.'
Het leek me eigenlijk wel wat om wandelend door het matineuze 10e – Paris s'éveille – mijn interviewer te woord te staan, maar toen hij belde en ik hem nauwelijks bleek te kunnen verstaan met het stadsgeruis om me heen, vluchtte ik terug door de court het appartementengebouw binnen.
Zo ijsbeerde ik in het trappenhuis, om mezelf galmend te horen oreren over 'het onzichtbare complot der gepriviligeerden', de eeuwigdurende geweldsspiraal en meer van dat fraais, tegenover de journalist Marnix Verplancke, die, net zoals ik filosofie bleek te hebben gestudeerd, maar die, zoals de meeste filosofiestudenten,  n i e t  bij 't corps had gezeten.
Zesentwintig minuten duurde het gesprek. Gebrek aan tekst was er niet, – dat is er zelden –, maar zulks zegt niets, weet ik inmiddels.
Met dampende oksels hees ik mezelf weer de trap op naar mijn Grote Vakantie. Over ruim drie weken weet ik meer, en u ook. Maar de kop is eraf, en dat is een glas waard.