Veertiende werkdag

Als er geen gehoor is bij de oud-bibliothecaresse, zoals vanmiddag, ook niet na langdurig kloppen en door de deur heen roepen, dan is de eerste gedachte toch altijd weer: die is er in gebleven. Maar zie, als we onszelf – aangezien de Grote Vakantie nog altijd niet voorbij is heb ik mijn kleuter en achtjarige meegetorst – toegang verschaffen tot de woning, en een kijkje nemen in de slaapkamer, zien we daar de oud-bibliothecaresse in bed liggen. Met de ogen dicht, dat wel, en met de deken half van zich afgeworpen, maar niet dusdanig dat je denkt: dood. Dat komt goed uit, want ik ben gekomen om haar een exemplaar van Het dispuut te overhandigen.
'Riet?' zeg ik, want zo heet ze.
Ze blijft liggen met haar wang in het hoofdkussen, en opent één oog.
'Wij zijn er. Vind je dat leuk?'
Ze knikt met haar oogleden. Heel overtuigend vind ik dat niet.
Ik besluit koffie te gaan zetten en eieren te koken. Als de koffie klaar is, gaan we met zijn drieën weer in de slaapkamer kijken. De kleuter vindt die bezoekjes aan de slaapkamer zowel griezelig als opwindend, en ik voel dat met haar mee.
'Riet?'
Eén oog open.
'Zin in koffie?'
Oogknik.
'Dan moet je uit bed komen.'
Wij weer terug naar de kamer, om haar wat privacy te gunnen bij het opstaan, maar no way dat ze ons volgt om gezellig koffie te drinken of eitjes te eten.
Omdat de eitjes klaar zijn, beginnen we die alvast zelf op te eten. 'Is er ook ketchup?' wil de achtjarige weten.
Uit een flacon Heinz gevonden in de ijskast spuit ik gedachteloos een kwats op zijn bordje. De kwats oogt niet bloedrood, maar roestbruin. Het etiket leert mij dat de uiterste houdbaarheidsdatum van deze ketchup enige jaren achter ons ligt, maar ik hou mijn mond. De achtjarige klaagt niet. De kleuter vertrouwt het niet en schuift haar eitje van zich af. 'Vies.'
'Ga jij nog eens tegen Riet zeggen dat de koffie klaar is,' zeg ik tegen de achtjarige.
Hij houdt van taakjes, dus hij holt de slaapkamer in en roept: 'De koffie is klaar!'
Dan komt hij de kamer in gehold en lacht: 'Ze had haar ogen alweer dicht!'
Weer wat later geef ik de opdracht om aan Riet de boodschap door te geven dat als ze nu niet opstaat, wij weer weggaan. Never overstay your welcome, lijkt me.
Ik ga kijken om de boodschap kracht bij te zetten en vraag, toch wel een beetje naar de bekende weg: 'Of wil je toch liever slapen?'
Oogknik.
Groot gelijk.

Reportage

'Er zit een lijn in,' zei mijn gesprekspartner sinds '83 een paar keer, gisteren aan de biertafel bij Hesp, waar we hadden afgesproken om te spreken, onder andere, over Het dispuut, dat hij net uitgelezen had. Over wat hij er van vond, met name.
Vriendschap of de waarheid is een onjuist dilemma, een goede vriend kan de waarheid aan,
maar ik dacht wel: welke kant gaat die lijn op, waar hij het over heeft. Of blijft hij vlak, zoals de koers van een aandeel op de beurs waar geen leven in zit?
'Een stijgende lijn,' verduidelijkte hij, net op tijd. 'Bij FAKE was je misschien nog zoekend, Zalig uiteinde en Dagboek van een postbode hadden al meer focus, en dit, nou ja, is strak. Heel strak geschreven.'
We nipten aan onze speciaalbieren.
'Maar,' ging hij voort, voordat ik te zelfingenomen zou worden, 'ik zou wel wat meer psychologie willen. Wat meer Hermans. Dat je echt diep in dat karakter duikt. Nu is het een soort reportage.'
'Wat je bedoelt met Hermans begrijp ik wel en dat neem ik ter harte,' zei ik, 'maar reportage is dodelijk. '
'Ja, reportage... Dat neem ik terug. Vergeet dat ik dat gezegd heb. Vergeet het woord reportage.'
Ik probeerde het te vergeten. Ik wist dat mijn gesprekspartner sinds '83 zich sinds enige tijd probeert te bekwamen in het complimenteren; dit beschouwde ik als een onhandigheid. Hij zit niet voor niets in de muziek.
Hij had ook nog een vraag over het brilletje. Het brilletje van Mulder speelt een rol in de plot van Het dispuut; welke rol precies, mag de lezer zelf bedenken, zo luidde mijn antwoord. Deze lezer had een eigen theorie over dat brilletje. Een mooie theorie. Dat streelde me, als schrijver, en als vriend.



Moeder? Nee. Vader.

Tot mijn verbazing heeft mijn moeder mijn boek nog niet gelezen. Ik heb haar dit niet gevraagd, maar als zij mijn boek wel had gelezen, dan zou zij mij zeker gezegd hebben wat ze ervan vond, ongezouten enzovoorts, in my face & what not, en dat heeft ze nog niet gedaan. Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik afzak naar de achtergebleven gebieden, en Het dispuut op de tuintafel zie liggen, met bladwijzer ergens tegen het einde.
Mijn vader.
Ik had hem al aan de telefoon gehad, toen het boek net zijn kant op was gegaan, en hij nogal heftig kond deed van een 'fout' die hij was tegengekomen: Michiels Kessenich. 'Hoe kom je aan die naam?'
'O, ergens tegengekomen. Het is een adellijke naam.'
'Het is Michiels VAN Kessenich!'
'Weet je dat zeker?'
Stilte aan de andere kant van de lijn. (Ik haat die vraag ook; als lieftallige mij deze stelt, neig ik er toe te antwoorden met de gemeenplaats dat de enige zekerheid die ik heb is dat ik ooit zal sterven, hoewel die zekerheid met de huidige stand der technologie ook alweer i e t s  minder zeker is geworden.)
'O, dat ga ik dan corrigeren. Voor de volgende druk.'
'Ik wist niet dat het er zo hard aan toe ging bij jullie,' zei hij, na een korte pauze. 'Bij ons destijds was het allemaal wat...'
'Braver?' vulde ik aan.
'Het waren andere tijden. En dan die termen... Vrucht.'
'Heb ik zelf bedacht. Leuk toch?'
'Ja. Pik.'
'Da's een ouwe.'
'Poep.'
'Ook. Maar wat dacht je van godfriedbomans? Als vloek?'
'Ik vraag me altijd af: waar haalt hij het allemaal vandaan.'
Dat vraagt mijn vader zich altijd af als er weer eens wat fictie van me is verschenen. Ik beschouw het maar als een compliment.

Sandwichborden en censuur

Om mijn sandwichbordlopers op de Uitmarkt halverwege hun slavendienst van een natje en een droogje te voorzien, en vooral ook hun moreel op te krikken, hadden we afgesproken op het terras van de OBA, en omdat de Grote Vakantie nog steeds niet voorbij is, en er dus elke dag weer een Activiteit moet worden georganiseerd, dachten we er goed aan te doen om de minderjarige vakantievierders mee te torsen. Dat laatste bleek een misverstand. Wie een media-oorlog op meerdere fronten probeert te voeren, en dat is noodzakelijk gezien de tsunami van aandachtslurpende uitingen waarin heden ten dage de cultuurminnende medemens dreigt om te komen, laat zijn kinderen thuis. Toen ik op de uitkijk ging om mijn sandwichbordlopers te spotten (want ze lieten nogal op zich wachten) met mijn krijsende peuter op de arm (om de moeder te ontlasten), liep ik mijn oud-redacteur Bart Kraamer tegen het lijf, thans uitgever bij Koppernik. Ik probeerde me te verontschuldigen voor mijn nageslacht, maar die verontschuldigingen kwamen slecht tot zijn recht, niet alleen door het toenemende lawaai van de peuter, maar ook door haar tamelijk geslaagde pogingen mij het spreken handmatig onmogelijk te maken. Censuur had nog nooit zo'n fysieke vorm aangenomen, in mijn gezin of daarbuiten. Ik knikte naar Kraamer dat hij zonder verdere plichtplegingen het gesprek kon afbreken en zijn weg vervolgen – niet dat het oponthoud hem veel uitmaakte, want de Uitmarkt was wat hem betrof, literair gezien, een doodgeboren kindje.

Nog meer gunstige berichten

Il Grande Commentatore in ruste, wiens oordeel ik hoog acht, meldt niet alleen, van het inhoudelijke front, dat de eerste pagina's van Het dispuut hem treffen als het 'proza ener gerijpt auteur', maar ook, van het commerciële, dat boekhandel Jimmink (ook al zo'n boekhandel die zijn poorten niet mag sluiten omdat ik mijn poorten dan ook moet sluiten) niet één, niet twee, zelfs geen drie, maar liefst vier (4) exemplaren van mijn roman reeds over de toonbank heeft doen gaan en, alsof dit nog niet genoeg is, ook nog openstaat voor het ophangen ener affiche.
Weer een andere kleine boekhandel die mij aan het hart gaat, Casperle, voor al uw kinder- en jeugdboeken, aan het Sarphatipark, heeft al zo'n affiche opgehangen. De vriendelijke eigenaar bovendien, Oliver Schmidt Reps, wiens oordeel ik ook graag hoor, had mijn boek in twee avonden uitgelezen. Snel worden uitgelezen: dat is misschien toch het hoogst haalbare in het huidige tijdsgewricht.

Gunstige berichten



Het eerste gunstige bericht kwam van mijn gesprekspartner sinds 1983. Die smste: Ik ben bij hoofdstuk 8, Lunchen bij de Eunuch, en ik vind het heel goed! De passage bij Mulder in de flat blijft schuren, maar wel erg grappig.
Het tweede gunstige bericht kwam van mijn zuster die mij mailde: 'Je bent een kado!' Zij doelde op de puzzelpagina van Het Parool. Zij die de Zweedse Puzzel van de dag zonder fouten invullen, maken kans op een Thomas Rap-boekenpakket ter waarde van €60, waaronder mijn boek. Mijn eerste impuls was om met mijn achtjarige als een razende die Zweedse Puzzel te gaan invullen en opsturen, maar misschien moeten we dat juist  n i e t  doen.
Het derde en tevens laatste gunstige bericht, – alhoewel ik hoop dat dit niet het einde is van de gunstige berichten in mijn leven, of in het leven van Het dispuut –, is dat mijn boek in de etalage ligt bij Boekhandel Schimmelpennink.
Boekhandel Schimmelpennink is zo'n boekhandel die je niet uit de stad weg kunt denken. Dat kan wel, maar wat is de stad dan nog waard? Ik beloof hierbij plechtig dat als Boekhandel Schimmelpennink zijn deuren sluit, ik ook mijn deuren sluit. Maar ik moet de toorn van de goden niet over me afroepen met deze onheilspraat.
'Hou toch op over die marketing,' probeerde Ton Schimmelpennink mijn anxiety over de ontvangst van mijn derde roman weg te nemen. 'Literaire kwaliteit bewijst zichzelf. Die komt vanzelf bovendrijven.'
Mijn dag was weer goed.

La fillette morte

Afbeeldingsresultaat voor la petite roque guy de maupassant folio


Hoe minder je meemaakt, hoe contemplatiever je wordt, en omgekeerd, bedacht ik in bed (in bed heb ik de beste gedachten, maar houd ze maar eens vast). Zou het kunnen dat een mens geen tijd heeft voor bespiegeling als haar geest in beslag wordt genomen door avonturen, nieuwe indrukken en keuzestress? Dat zou zeer zeker kunnen. Aangezien een schrijver is, wat zij schrijft, heeft dit ook ongetwijfeld zijn weerslag op haar schrijverschap. Een schrijver die veel meemaakt schrijft minder beschouwend proza, dan een schrijver die veel meemaakt. Je zou de literatuur kunnen indelen in boeken waarin veel gebeurt en boeken waarin weinig gebeurt. In de boeken waarin weinig gebeurt, wordt veel bespiegeld (is het niet expliciet door de schrijver, dan wel door de lezer). En omgekeerd. Gisteravond las ik een mooi boekje uit dat ik in Parijs had gekocht, La Petite Roque, een verhaal van Guy de Maupassant. Daarin gebeurt het volgende: een postbode ontdekt het levenloze lichaam van een jong meisje in het bos bij de rivier. De burgemeester wordt verwittigd, die op zijn beurt de dorpsarts, en ook de juge d'instruction (rechter-commissaris) erbij haalt. Men gaat kijken. Het meisje ligt er decent bij, slechts een klein beetje bloed. De médécin merkt cynisch op dat het spatje op haar gezicht door sommige vrouwen met opzet zou worden aangebracht, als mouche de beauté. De moeder van het meisje stort haar tranen. Enige tijd verstrijkt, de misdaad blijft onopgelost. Dan wordt de burgemeester, alleen in zijn kamer, nachtenlang geteisterd door hallucinaties. Door het raam in zijn kamer ziet hij het meisje, la fillette morte, telkens opnieuw, in alle gedaanten. Hij overweegt een kogel door zijn kop te jagen, want hij is schuldig, natuurlijk is hij schuldig, hij heeft haar verkracht en vermoord (dat laatste nadat zij weigerde zwijggeld aan te nemen, leren we in een flashback), maar hij durft het niet. Uiteindelijk besluit hij een brief te schrijven aan de rechter waarin hij alles bekent. Maar als hij die brief gepost heeft, slaat de twijfel toe, en wil hij alles terugdraaien. Hij smeekt de postbode die de bus komt legen, om hem de brief terug te geven, maar die weigert. Hij laat zich niet omkopen, ook niet voor honderdduizend francs. (Dat waren nog eens tijden.) De burgemeester trekt zich wanhopig terug in zijn kasteeltje; even later verschijnt hij aan het venster boven in de toren. 'Puis soudain, pareil à un nageur qui pique une tête, il se lança dans le vide, les deux mains en avant'. Meer heeft een schrijver niet nodig.

Uitgeappt

6 juli jongstleden raakte ik telefoonloos. Ik was daar aanvankelijk erg blij mede, maar mijn blijdschap werd niet breed gedeeld en om eerlijk te zijn begon ook ikzelf na een poosje terug te verlangen naar de mogelijkheid te allen tijde, en van waar dan ook, met wie dan ook te komnunietzeuren. Afijn, die telefoon kwam er, met dit verschil dat ik weigerde er nog langer op te appen. Zie het als mild verzet tegen onze telefonomanie.
De 'stilte' op dit front (sms'en doe ik wel; kun je ook niet uitzetten) bevalt me nog steeds prima, maar ik vermoedde dat diverse 'contacten' niet of onvoldoende op de hoogte waren van mijn app-defectie. Ze bleven me namelijk appjes sturen, zo kreeg ik mondeling dan wel via email te horen, en ik reageerde maar niet. (Wat was er in godsnaam met me aan de hand?) Voor een vriend die slechtziend is, zeg maar gerust blind, was het moeilijk zeg maar gerust onmogelijk om na te gaan dat er maar één vinkje stond, en nooit twee, laat staan twee blauwe vinkjes, als hij mij een voice-appje had verstuurd, waaruit hij zou kunnen afleiden dat ik uitgeappt was. (Nu zal hij me moeten bellen. Ik verheug me op zijn telefoontjes.)
Wat nodig was, was niets meer maar zeker ook niets minder dan het verwijderen van mijn account.
Ik ben goed in het verwijderen van accounts. Accounts die ik in het verleden heb verwijderd: mijn linked-in account, mijn facebook-account, diverse twitter-accounts, en nog wat accounts waarvoor ik me schaam (of zou moeten schamen).
Vraag me niet waarom, maar gisteren leek mij opeens het moment daar om de whatsapp-account definitief op te heffen. Daarvoor was het wel nodig, o paradox, om het vermaledijde programmaatje opnieuw te installeren, en toen ik dat deed, betrapte ik me erop toch wel weer een   k l e i n   b e e t j e benieuwd te zijn naar de appjes die ik sinds 6 juli had gemist.
Ik werd niet teleurgesteld.

Post-publicatie blues

Gisteren bijna de hele dag in bed doorgebracht. Wat moet ik anders? Aan mijn nieuwe roman werken? Boekhandels af fietsen om te zien of ik er lig, hoe ik er bij lig en temidden van wie? Gratis exemplaren aan mensen rondbrengen van wie ik meen dat die er een verdienen, met doorwrochte opdracht in rouille d'ancre?
Ik had een goede smoes om in bed te blijven: ik wilde Bonita Avenue uitlezen. Dat boek stond me al zo'n jaar of vijf vanuit mijn boekenkast aan te kijken. Drie dagen geleden besloot ik dat ik het in evenzoveel dagen tot mij wilde nemen.
Natuurlijk was ik er al eens eerder in begonnen. Toen knapte ik af op de gespierde toon, de haast, de overspannen beeldspraak. Niet mijn stijl, dacht ik. Maar nu ik het uit heb moet ik toegeven dat alles vrij kunstig in elkaar past.
Buwalda schakelt soepeltjes tussen tijden en perspectieven. Soms slaat hij zijpaden in, ik denk uit een behoefte aan volledigheid, die minder boeien (bijvoorbeeld de jeugd van de hoofdpersoon). Sigerius is geloofwaardig als judoka, wiskundige, rector en zelfs als minister (alleen Mulisch had het aangedurfd om zijn hoofdpersoon tot minister te laten benoemen), tot hij doorslaat. Welke minister gaat zijn eigen – toegegeven: gevaarlijk ontspoorde – zoon te lijf met een bijl nadat deze hem halfhartig geprobeerd heeft af te persen? En al eerder, dat zijn leven geen betekenis meer had na de ontdekking van de porno van zijn stiefdochter. I didn't buy it.
Maar dat is een klein smetje op een strak gecomponeerde roman die staat als een huis en die de lat voor elke Nederlandse romanschrijver een stukje hoger heeft gelegd.
Niet het meest geschikte boek om mijn post-publicatie blues mee te bestrijden.
Of toch.

De dag na de dag van verschijnen

Hoogtepunten van de mini-boekpresentatie bij Fa. Pekelharing: de plotselinge emotie bij Medische Broer; de Senecaatjes van Rob van Essen (Innerlijke rust – 'noodzakelijke teksten nu er weer een boek van je verschijnt'; eerste regel: "Als ik mijn blik naar binnen richt, zie ik daar diverse zwakheden."), de little red dress van teerbeminde, de lol van mijn zuster met de wildvreemden aan de belendende tafel, die zich met onze tafel wensten te bemoeien.
Zelf moest ik voor het toetje weg voor het radioprogramma Podium.
'Je moet nog wat zeggen,' zei mijn vrouw. 'Je kunt er niet zomaar vandoor gaan.'
Dus stond ik op en tikte tegen mijn glas. Het was belachelijk om te willen spreken in een overvol, luidruchtig restaurant, maar ik hield het kort. Ik bedankte mijn uitgever voor het doen verschijnen van mijn boek en voegde er aan toe, in lijn met wat ik Woody Allen in een documentaire op Canvas had horen zeggen, dat ik gelukkig was als mijn boek ertoe zou leiden dat ik n o g een boek zou mogen schrijven. Vervolgens liep ik naar buiten en sprong op mijn fiets op weg naar het Vondelpark, waar ik in een anti-alt right demonstratie belandde inclusief overvliegende politie-helikopters, en van interviewster Mieke van der Weij hoorde dat er een aanslag was geweest in Barcelona. Het valt niet mee om je in bubbel te blijven zitten, maar misschien moet je dat ook niet willen.


Dag van verschijnen


Jaren geleden heeft mijn geliefde costumière een changeant indigo pak voor me gekocht van Martin Margiela. Een bijzonder pak, omdat het van hout is gemaakt. De snit is zodanig, dat hij nogal ruim valt over de schouders, met wijde pijpen enzovoorts; niet de strakke look, dus, waarin men thans menig gekostumeerd baardje in de stad ziet. Daar komt bij dat het jasje gek genoeg weer krap is in de armen, waardoor het onmogelijk is om iets van de grond te rapen, maar dat moet je misschien ook niet willen.
Ik heb dat pak nog nooit aangehad, maar het leek me een goed idee om het nog een kans te geven. Voor mijn gevoel was ik naar dat pak toegegroeid. Het is immers ook een bijzondere gelegenheid, zo'n dag van verschijnen. Het is de vierde dag van verschijnen in mijn leven, en je weet nooit hoeveel er nog volgen. Als Kim Jong-Un bijvoorbeeld al dan niet per ongeluk zijn raket niet op Alaska richt, maar op de Amsterdamse Rivièra, dan is dit denkelijk de laatste voor mij.
Toen ik vanochtend bij de koffie mijn nieuwe ouwe pak kwam showen, riep mijn geliefde costumière verschrikt uit: 'Wat heb je  n u  weer aan? Je ziet er uit als een clown!' Ik sputterde tegen dat dit toch echt het pak was dat ze jaren geleden voor mij had gekocht. 'Om te beginnen moet je het strijken! Die broek is een en al kreuk. En dat jasje ook!' 'En mijn overhemd?' vroeg ik. 'Ook.'
Ik weet dus wat mij te doen staat. 

Hij is er:



Hij is er, want ik heb hem in mijn hand. Vers van de pers. U, lezer, zult nog tot donderdag op mijn roman moeten wachten, maar dat lijkt me een overbrugbare periode (volgens mij kun je hem wel alvast bestellen, bijvoorbeeld hier).
Ik word ondertussen vervuld van een vreemd mengsel van trots en, ja, van wat eigenlijk? Droefheid, vrees ik toch wel. Droefheid om het afscheid van de tekst, denk ik, waar ik vier jaar aan heb gewerkt, eerst heel intensief, en daarna eindeloos schavend. Een zelfde droefheid misschien die een moeder overvalt die afscheid neemt van een kind dat gaat studeren.
En twijfel, eeuwige twijfel, over wat nu te doen: diep onder de lakens duiken (wat ik eigenlijk wil), of de wereld in om iedereen van deze nieuwe titel op de hoogte te brengen (wat moet).
Eerst maar eens een glaasje. Eins zwei drei saufen!

De Redding van het Schorre Poesje

Toen de gastheer en ik neerploften in de media room van zijn nieuwe Haarlemse huis om zijn laatste cadeau aan zichzelf te zien/horen – een state of the art geluidsinstallatie –, stak zijn vrouw haar hoofd tussen de schuifdeuren en zei: 'Er miauwt een poes in het schuurtje bij de buren.'
'Wat wil je dat ik daaraan doe?'
'Weet ik ook niet.'
De gastheer wachtte tot zijn vrouw de schuifdeuren weer had gesloten en draaide het volume omhoog, Charles Mingus' The Black Saint and the Sinner Lady.
Nu was het mijn vrouw die haar hoofd tussen de schuifdeuren stak om te zeggen dat er een poes miauwde in het schuurtje van de buren, met de toevoeging: 'Hij is schor van het miauwen.'
Wat bleek, het gemiauw was al drie weken te horen geweest.
Ik liep de tuin in, klom over het muurtje en opende het schuurtje. Een zwarte, broodmagere poes kwam naar buiten met een air van 'what took you so long, wise guy?' Hij was door een opening onder het dak het schuurtje in geglipt of gegleden en zat sindsdien als een rat in de val.
De gastheer reikte me over het muurtje een kom melk aan, die ik voor de poes neerzette, maar hij verdween meteen door het kattenluik naar binnen.
Later kwam degene die was aangewezen om de poes van de buren te verzorgen, de poes verzorgen. 'We vroegen ons al af waar het poesje was.'

Als ik niet denk aan datgene waaraan Murakami denkt als hij denkt aan rennen

Ooit huldigde ik de mening dat sport (door mij althans) niet beschreven maar bedreven dient te worden, maar nu voel ik de behoefte om over rennen te schrijven. Mijn rennen, het dagelijkse rennen waaraan ik een maand of wat geleden ben begonnen.
Aan het huis in Normandië lag een tamelijk groot gazon, en om dat gazon rende ik 's ochtends, met de dauw in het gras, rondjes. Halfnaakt en blootvoets. Dit geeft een voldoening die grenst aan het erotische. In Florence rende ik ook rond in de tuin, alleen was die tuin kurkdroog; hier bleven geen grassprietjes aan mijn edele voetzooltjes plakken, maar vreesde ik daarentegen verrast te worden door verdekt opgestelde horzels, schorpioenen en slangen. Ik stelde me voor hoe omwonende Florentijnen ontwaakten, de luiken voor hun ramen openden en een melkwitte man door hun binnentuin zagen rennen, met alleen een slipje aan.
Op tennisschoenen rond het water in Amsterdam is minder opvallend – bijna normaal zelfs. Minder erotisch ook. Als nieuwkomende renner word ik nu eens bejegend met een welwillend 'join the club'-knikje, dan weer met ronduit vijandige blikken, maar het vaakst word ik volkomen genegeerd. Zo zijn de wetten van de stad.
Mijn ademhaling: door de neus in – pa-dam – en door de mond uit, en die cadans proberen vol te houden.
En: hoelang nog?
En: hoe groot is de kans dat ik dood neerval?
Dat is waar ik aan denk, als ik niet denk aan datgene waaraan Murakami denkt als hij denkt aan rennen.

Molkamer

Ik lees dat in Manhattan sinds een paar maanden een wreckage room ofwel molkamer beschikbaar is voor mensen die eens rustig op hun gemak dingen willen slopen (de eerste was overigens in Dallas, in 2008). Op zulke momenten verlang ik terug naar New York. Dingen straffeloos mollen is een oude, en terugkerende wens van mij, een die teruggaat op mijn pubertijd, en ik vermoed dat ik niet de enige ben. Wie wil er nu niet af en toe uit pure frustratie, of gewoon voor de decadente lol een vaas stuk gooien tegen de muur of een bijl zetten in een computer? In deze nette, veilige tijden (de tijden zijn nog nooit zo net en veilig geweest), wordt die behoefte alleen maar groter, zou je denken.
Zeker, het mollen in zo'n molkamer is gecontroleerd mollen. Piñata voor volwassenen. Je molt eigenlijk niks want de spullen die je mag mollen zijn er om gemold te worden (afgezien van de laptop dan die de organisator in New York per ongeluk in de kamer had laten liggen). Dat geeft wel iets minder voldoening, vrees ik, maar het grootste probleem van het concept van de molkamer lijkt me dat sloopwoede zich niet laat regisseren. Op het moment dat je van flat screens aan gruzelementen slaan een date maakt, is, vrees ik, de aardigheid er van af, maar dat weet ik niet zeker.
Misschien is het, als tegenwicht voor al dat constructieve gedoe in ons opbouwende bestaan, wel  a l t i j d  fijn om te slopen, en komt in de molkamer de molbehoefte als, nou ja, een mol in je naar boven.

Ik hoef hiervoor niet naar New York, zie ik. In Tilburg kan het ook. Kijkende naar de promofilmpjes ben ik alleen bang dat ik, door dingen te mollen, misschien ook een stukje van mezelf mol, en daar heb ik geen molkamer voor nodig.

Dertiende werkdag

Omdat vakantie hard werken is, en werk een vorm van vakantie, neem ik mijn kleintjes mee naar de oud-bibliothecaresse in de Jordaan.
Ze is niet alleen; een man met een grijze Chriet Titulaerbaard komt van zolder naar beneden met de was. 'Ah, de schrijver,' zegt hij toonloos.
'Ben jij van Cordaan?' vraag ik.
'Nee. Ik ben van niemand.'
De oud-bibliothecaresse staart ondertussen mijn kleintjes aan vanuit haar verstelbare stoel alsof het buitenaardse wezens zijn, creaturen uit een ander universum, ontsnapt uit een onvermoed wormgat. Gebiologeerd kijkt ze toe hoe ze aanvallen op de donuts die ik in de keuken aantrof. Ik kijk mee. Het is ook een schouwspel. Beter dan televisie, zoals hun moeder pleegt te zeggen.
Op hun beurt verbazen de kleintjes zich over de manier waarop de oma die geen oma is smult van een kiwi die ik voor haar in partjes heb gesneden. 'O, o, o, wat lekker is dit, zeg!'
Dan is het stil. Ik nodig de acht-jarige uit om wat moppen te tappen.
'Wat is het tegenovergestelde van framboos? Framblij!'
De oud-bibliothecaresse lacht hard. Te hard.
'Hoe noem je een skelet in een kast? Iemand die honderd jaar geleden heeft gewonnen met verstoppertje!' Ik vind hem wel aardig, maar de oud-bibliothecaresse kan er niet om lachen.
Nog niet.
De moppen raken op. De oud-bibliothecaresse grijpt naar haar shag; wij gaan op zolder kijken.
Als we weer beneden zijn, en nog even getuige zijn van haar ouderdom, barst ze ineens opnieuw in lachen uit. Weer die harde lach. De lach van een krankzinnige. De drie-jarige klimt verschrikt op mijn schoot. De achtjarige is alleen verbaasd dat het zolang duurde.

Streep door kippenplan

Ondanks Chickfriend-gate wordt me van alle kanten afgeraden vleugellamme tweevoeters als huisdier te nemen – eierleggend en lid van de dameskerk of niet.
'Heb je enig idee hoeveel troep en zooi die kippen geven?' waarschuwt mijn moeder in haar eerste email dienaangaande.
Haar tweede email onmiddellijk erachteraan gooit het over een andere boeg: 'Wij moesten onze kippen heel snel wegdoen vanwege klachten van Steenkamp!'
Dat moeten de kippen zijn geweest die veertig jaar geleden voor Medische Broer werden besteld. Twee hennen en een haan. Die haan verklaart waarom de oprichter van het CDA hinder ondervond, ook al woonde hij drie villa's verderop. Het kan hem niet te doen zijn geweest om de troep en zooi, want die bleven buiten zijn gezichts- en reukveld. Kukeleku is storend, zelfs voor een christendemocraat, met name als de kukeleku op een onchristelijk tijdstip klinkt.
Het pluimvee werd bij een boer ingeruild tegen twee albino konijnen, maar van die schatjes kan ik me niets herinneren. Ik kan me alleen nog het konijn herinneren dat eerst door de hond in het bos was gevangen (en per ongeluk dood gebeten, want doden lag niet in haar aard), en dat vervolgens in de achtertuin op indrukwekkende wijze werd ontleed door – wie anders – Medische Broer, met het kookboek erbij. De vacht werd tussen een fietswiel gespannen om te drogen. Van dat bontje is later nog een mutsje genaaid, waarmee ik voor gek liep.
Mijn zuster vertelt dat ze buren had met kippen. Die vraten de hele tuin op. Bovendien pikte de ene gemeen in de ander. Om die pikorde te verstoren kreeg de butch een ringetje om haar snavel, die pikken naar eten nog net wel mogelijk maakte, maar pijnlijk pikken niet.
Toen ik op internet ook nog las dat er bij sommige kippensoorten risico bestaat dat hun kam bevriest in de winter, dacht ik: laat maar.
Nu alleen nog even het kippenplan uit het bewustzijn van mijn drie- en achtjarige wissen.


Hokken

Sinds ik mij tijdens de Grote Vakantie in een vlaag van verstandsverbijstering had laten ontvallen dat het wellicht leuk zou zijn om aan de Amsterdamse Rivièra ook kippen te nemen, word ik door de peuter en de achtjarige gecornerd om een kippenhok aan te schaffen. Prima, ze willen best accepteren dat ik nog andere plannen heb, en vooral ook bedenkingen bij het kippenplan, maar eerst moeten we naar de winkel voor het kippenhok, dus voor ik het weet sta ik in de Intratuin, een winkel die ik doorgaans probeer te mijden, en luister naar een medewerkster die niet onvriendelijk maar beslist zonder enthousiasme uitlegt welke typen kippenhokken er zoal zijn en wat ze kosten. Om met het laatste te beginnen, ik stijger nogal bij prijzen van rond de 300 euro voor een paar plankjes en wat gaas, want dat is toch wat een kippenhok in de grond behelst, schat ik zo in, met mijn, toegegeven, beperkte, kennis van kippen en hun habitat. Ik besef dat ook de markt voor dierenbehuizingen er een is die wordt beheerst door vraag en aanbod  en constante innovatie om de concurrentie voor te blijven. Een van die hokken heeft twee slaapkamers. Dat lijkt me wat teveel van het goede. De twee kippen die ik maximaal in mijn achtertuin tolereer, zullen het met één slaapkamer moeten doen. Van de dameskerk dus. (En eieren leggen anders zwaait er wat.)
Bij de firma Ranzijn dwalen mijn gedachten af naar de geprononceerde achillispezen van de medewerkster die mij voorgaat de trap op naar de mezzanine, waar een schappelijker geprijsd kippenhok staat.
De driejarige en de achtjarige bestuderen een vogelkooi waar ze zelf makkelijk in zouden passen; erin en eruit door het krappe deurtje wordt wel een beetje proppen, maar dat is een kwestie van oefenen. 'Die kopen we,' zeg ik tegen de achtjarige. 'En dan stoppen we daar jouw zusje in.'
Dat lijkt ze wel wat.

Vechten in de liefde

Behalve een examen om kinderen op te mogen voeden, moet de overheid ook vechtcursussen aanbieden aan echtelieden.
Verliefd worden is zo gebeurd, maar om een liefde in stand te houden is vechtkunst onontbeerlijk. Examen-onderdelen: de welluidende klap, de goedgeplaatste stomp, de stevige maar niet te stevige duw. Dus niet meteen gaan krabben, haren trekken en bijten. Krabben, haren trekken en bijten mag alleen als de tedere technieken zijn uitgeput. Hoe dan ook niet schoppen en met de dood bedreigen.*
Trouwens: verbaal geweld is ook geweld, maar fysiek geweld, mits ingehouden, met stijl en compenserend voor elkaars tekortkomingen, is zoveel bevredigender.
Ik moest hieraan denken bij het herzien van een scène uit Scenes uit een huwelijk bij Zomergasten. Bergman was waarschijnlijk met vijf huwelijken ervaringsdeskundige, maar elk echt huwelijk moet eraan geloven. Ik wil zelfs zover gaan om te stellen dat echtelieden die niet vechten geen echtelieden zijn, maar aandeelhouders of huisgenoten. Ook prima, en lekker rustig inderdaad, maar van een andere orde. Liefde maakt dierlijke gevoelens los. Een marsmannetje dat die Marianne en Johann zag vechten in Scenes uit een huwelijk, zou denken dat het om een een hogere diersoort ging. (En dat is natuurlijk ook zo.)
Vechten in de liefde is seks voortgezet met andere middelen.

*Hier is de hele scene, die verontrustender is dan het stukje dat Zomergasten liet zien, en nog beter de emotionele chaos blootlegt. Zo moet vechten tussen geliefden dus  n i e t, want ze gaan scheiden, en dan heb je het gevecht dus opgegeven.

Internetdagboek en zelfcensuur

'Kun je niet een keer wat aardigs over me schrijven?' had teerbeminde lieftallige Reiseführer tijdens de Grote Vakantie uitgeroepen.
'Je bent altijd zo gemeen.'
En: 'Ik wil niet meer dat je me aanduidt met LT.'
Een internetdagboek heeft voor- en nadelen. Om met de voordelen te beginnen: je wordt gelezen. Al was het maar door de hoofdpersoon uit des internetdagboekers leven. Maar daar zit ook meteen het nadeel. Want de internetdagboeker gaat rekening houden met die hoofdpersoon. Die gaat aan zelfcensuur doen. Dat levert geen literatuur op, – zelfs niet op internet –, want literatuur verdraagt geen censuur. Literatuur vereist wrijving. Niemand zit te wachten op zoetsappige liefkozingen en uitingen van intense tederheid. Ja, geliefden natuurlijk wel, maar dan kun je ze beter verpakken in een brief, of in een persoonlijk opgedragen gedicht. Of nog beter, je kunt ze mondeling overbrengen. 'Ik vind je lief.' 'Wat zie je er verrukkelijk uit vandaag.' En: 'Wat heb je de Grote Vakantie toch fantastisch geregeld.'
Zo.
Nu tevreden?
Vast niet, want A. zei ook nog: 'Ik wil niet meer dat je over me schrijft.'

Le défaut des clignoteurs

Vandaag de terugtocht aanvaarden zonder werkende clignoteurs.
Dat de richtingaanwijzers niet meer werkten wisten we al toen we uit Parijs vertrokken, maar we moesten toch alsmaar rechtdoor, dus ik voorzag geen problemen. In Normandië aangekomen, kreeg ik hier en daar in het verkeer toch wel te maken met links- en rechtsaf, waardoor de behoefte om de richtingaanwijzers te fixen toenam.
Het geval wilde dat L., de kippenslachter en man van de vriendin uit Amsterdam, bijzonder handig bleek te zijn, en bereid om even naar mijn auto te kijken.
Hij deed de pet af, die min of meer verkleefd was met zijn schedel, trok zijn t-shirt uit, en wurmde zich onder het dashboardkastje met de lantaarn uit zijn telefoon, op zoek naar zekeringen. Ik stond erbij en keek naar zijn wonderlijk vergroeide navel, maar die deed niet ter zake.
L. vond de zekeringen, maar dat hielp niet.
In de buurt vond ik een Renault garage. Daar dook opnieuw een man onder het dashboard, nu met zijn kont omhoog zodat ik zowel zijn workman's cleavage als onderbroekband kon bewonderen, waarop FREEMAN of zoiets stond, maar ook dat deed niet ter zake. Hij raadde me aan een Volvo-dealer op te zoeken.
De Volvo-dealer te Le Havre, een hippe vogel met talrijke onleesbare tattoo's op de armen, zag meteen dat het probleem dieper zat dan een zekering vervangen.
'Voorzichtig rijden,' raadde hij aan.
Ik ga mijn best doen. Mocht er iemand achter mij aanrijden en denken wat een aso, dan weet zij: ik bedoel het goed.

Wulk

Zoals de meeste vormen van geplande gezelligheid, is uiteten een kwestie van verwachtingen managen. Mij leek het verstandig om de verwachtingen ten aanzien van visrestaurant Chez Nounoute te Fécamp waar we op aanraden van onze AirBnB-host en kippenhouder David hadden gereserveerd enigszins naar beneden bij te stellen toen we door een forse, norse serveerster naar onze tafel waren gedirigeerd in een doorzichtige plastic terrastent, maar de Reiseführer wilde graag tot het allerlaatst blijven geloven in de uitstekende keuze die wij/zij hadden/had gemaakt.
'Quoi?' blafte de serveerster met schorre stem, toen ik voor LT extra pommes frites wilde bestellen.
'Pommes frites,' verduidelijkte ik.
'Ah, des FRITES!' riep ze uit.
'Oui, des frites,' mompelde ik verbaasd. 'Ma femme aime des frites.'
De borden werden vervolgens, vond ik, nogal liefdeloos voor onze neus neergeplempt.
Ik had bulots (wulk) besteld, een lokale specialiteit. Ik had nog nooit wulk gegeten. Kinkhoorn is een andere benaming voor wulk, en hoewel ik zowel wulk als kinkhoorn interessante benamingen vind (het woord kieuwslak al minder), deed mijn gerecht het meest denken aan lauw rubber met zweetsmaak.
LT was na afloop misnoegd over mijn kritische kanttekeningen. 'Jij weet altijd iets negatiefs te vinden,' zei ze. 'Het is voor jou nooit goed.'
Mijn gymnasiast knikte.
Soms denk ik dat ik niet geschikt ben voor gezelligheid.

Een bepaald rukje

'Als je doorgaat met die kippen vet te mesten, teken je hun doodvonnis,' zegt L., de man van de vriendin uit Amsterdam die langskomt met de camper in Normandië. Hij weet waar hij het over heeft. Hij had ooit zelf '6, 4, 3, 1, 0' kippen, toen hij in de Italiaanse Alpen woonde.
Ik had hier niet bij stil gestaan. Ik dacht dat ik mijn kippen aan het verwennen was, uit dankbaarheid voor hun perfecte eitjes en hun nou ja, blote bestaan. Ik heb ze zelfs een restje chips gegeven. Naturel. Daar haalden ze eerst hun neus voor op, bleven doorjammeren op die typische pluimvee-achtige manier, een soort lang aangehouden kakel, alsof er iets vast zit in hun keel waardoor ze niet door kunnen kakelen, met als boodschap: kom eens met iets beters, zoals die pasta bolognese van gister, die was lekker, niet deze kleurloze rommel, maar toen ik een paar uur later weer in hun ren ging kijken, was er van de chips niets meer over. Rijst voer ik Kip & Pik sinds LT rijst maakte, – ze is een fantastische kok maar rijst koken is niet haar fort –, en waar dus een heleboel van overbleef, maar ook daar hebben ze inmiddels de buik van vol. Half laten verhongeren dan maar, voor hun eigen bestwil, à la 'presque autonome'?
L. slachtte zijn kippen zelf, als de tijd daar was. Een kip draai je niet zozeer de nek om zoals je een kraan open of dicht draait, maar, legt L. uit, je pakt hem op bij de nek en geeft hem een bepaald rukje. 'Het is niet zozeer schokkend om te doden, maar om te beseffen hoe makkelijk het is.'

Mijn – onze – kippen

De second leg van de Grote Vakantie brengt ons – beter gezegd: brengt die Reiseführer ons – naar Normandië. Hier geen zwemprobleem (wel een strandprobleem trouwens, met die keien overal) en ook de dorpjes zijn pittoresk, maar wat mij het meest charmeerde waren de kippen die inbegrepen zaten bij het AirBnB-huis. Het waren er twee. Mijn achtjarige doopte ze Snelle en Zeldzame, maar omdat iedereen de hele tijd wilde weten wie nu Snelle was en wie Zeldzame, en hijzelf niet consequent was in zijn antwoorden, herdoopte ik ze Kip en Pik, met als ezelsbruggetje dat de zwarte Pik was (als in pikzwart ). Pik bleek nog in meerdere opzichten een goedgekozen naam, omdat zij alles voor Kip haar snavel wegvrat, en sowieso de dominantere van het stel was.
Nos deux poules sont "presque" autonomes, hadden de verhuurders geschreven, met de toevoeging, dat ze het toch wel op prijs zouden stellen als wij ze af en toe water gaven, en kliekjes eten.
'Mogen wij voor de kippen zorgen?' luidde de vraag van achtjarige, geschreven op een uitwisbaar bord. LT schreef ja maar natuurlijk, graag zelfs; maar ik was jaloers. Ik wilde  z e l f  voor de kippen zorgen. Iets in mij voelde een onmiddellijke, sommigen zouden zeggen kosmische, affiniteit met deze vleugellamme tweevoeters, wier algoritme leek te bestaan uit pikken-pitten-broeden, en die ons op de dag van aankomst acht (8!) eieren hadden geschonken. Die eieren hadden ze overigens op de composthoop gelegd, mogelijk omdat in de legkamer hoognodig stront diende te worden geschept. Dus dat deed ik, en prompt lag er een paar uur later weer... een geometrisch wonder.

Anxiety

Vandaag mijn eerste korte Het dispuut-interview gegeven, dat bij de eerste recensie zal verschijnen, in het Vlaamse blad Knack. Ik was behoorlijk zenuwachtig. 'Deze journalist is de eerste buitenstaander die iets van mijn boek gaat vinden,' maakte ik mijn vakantiegenoten van mijn anxiety deelachtig, 'de eerste niet-belanghebbende.' Helemaal juist was dat laatste natuurlijk niet. Ik heb schrijvers geïnterviewd en boeken gerecenseerd, en ik weet maar al te goed dat ook de interviewer/recensent deel uitmaakt van het literaire bedrijf en in die zin belanghebbende is. Maar dat maakte mijn anxiety er niet minder om.
'Wij gaan wel koffie drinken in een tentje, dan kun jij hier rustig praten,' zei LT.
Dat voorstel veranderde niet veel later in: 'Wij gaan wel in de woonkamer zitten, dan kun jij rustig in de keuken praten.'
'Nee,' zei ik tenslotte, 'ik ga de deur uit.'
Het leek me eigenlijk wel wat om wandelend door het matineuze 10e – Paris s'éveille – mijn interviewer te woord te staan, maar toen hij belde en ik hem nauwelijks bleek te kunnen verstaan met het stadsgeruis om me heen, vluchtte ik terug door de court het appartementengebouw binnen.
Zo ijsbeerde ik in het trappenhuis, om mezelf galmend te horen oreren over 'het onzichtbare complot der gepriviligeerden', de eeuwigdurende geweldsspiraal en meer van dat fraais, tegenover de journalist Marnix Verplancke, die, net zoals ik filosofie bleek te hebben gestudeerd, maar die, zoals de meeste filosofiestudenten,  n i e t  bij 't corps had gezeten.
Zesentwintig minuten duurde het gesprek. Gebrek aan tekst was er niet, – dat is er zelden –, maar zulks zegt niets, weet ik inmiddels.
Met dampende oksels hees ik mezelf weer de trap op naar mijn Grote Vakantie. Over ruim drie weken weet ik meer, en u ook. Maar de kop is eraf, en dat is een glas waard.