Hofland

In de lente, toen ik in de buurt was, belde ik in een opwelling aan bij H.J.A. Hofland. Ik had dat wel eens eerder gedaan, jaren geleden, en dat was goed bevallen. Zijn vrouw Elly, nauwelijks verbaasd over mijn zoete inval, deed open en dirigeerde me, na me te hebben aangekondigd, naar zijn werkkamer. Daar zat hij achter zijn laptop, de radio op iets klassieks, omgeven door boeken, prullaria en een asbak met een pakje sigaretten. 'Goed om te zien dat je nog rookt,' herinner ik me dat ik zei. 'Sinds mijn elfde,' glunderde hij. Ik ging op de bank zitten. We kletsten over de aanslagen in Brussel, die toen net hadden plaatsgevonden, en Trump natuurlijk. Eigenlijk wilde ik weten wat hij van mijn Dagboek vond, – dat een voormalig correspondent in New York van zijn krant thans zinloos drukwerk verspreidde voor weinig en daarover publiceerde –, maar het kwam er niet van. Bij mijn vertrek vroeg ik aan Elly of het haar leuk leek om eens met Henk bij ons in de achtertuin een glas wijn te komen drinken als het wat warmer werd. Dat leek haar leuk. 'Wacht niet te lang met de uitnodiging,' zei ze.