6. De ochtend niet meemaken.



Ik mag een handdoek omslaan, maar daarna word ik vriendelijk verzocht weer op de pot plaats te nemen, met de bril naar beneden; mijn indringer weigert de badkamer te verlaten. Terwijl ik een te kleine handdoek omsla houdt hij een hand voor zijn ogen, een bleke hand, met de vingers plagerig ver uit elkaar, terwijl hij met de andere hand, die waarin de gedempte Glock rust, opnieuw het schrale plekje naast zijn neusvleugel beroert. Hoe statisch kan een situatie zijn? Wie moet waar naar toe? Hoeft geen lichaam zich te verplaatsen? Als het aan mijn indringer ligt niet. Mijn indringer heeft een broertje dood aan dynamiek. 'Conceptuele kunst is geen kunst,' zegt hij, toonloos. 'En sowieso ben ik alleen geïnteresseerd in kunst als zij mij tot die Geige leidt.' Er verschijnt een lachrimpel op zijn bleke wang. 'Ik blijf hier totdat ik de Geige heb. Zonder Geige verlaat ik deze plek niet. Of,' de lachrimpel wordt dieper, 'laat ik het zo zeggen: als ik de Geige niet vind, zul jij, Marius Mobius, mit oder ohne Umlaut, er aan moeten geloven. Het is of de Geige, of Marius Mobius maakt de ochtend niet mee. Of, dat kan natuurlijk ook nog, jij brengt me naar de Geige en ik besluit dat Marius Mobius toch de ochtend niet meemaakt. Al met al zou je kunnen zeggen, dat, vanuit mijn perspectief, het aantrekkelijk is om Marius Mobius de ochtend niet mee te laten maken. Althans niet in Berlijn.'

lees verder

Geen opmerkingen:

Een reactie posten