2. Ik beleef geen plezier aan smelten met mijn behoeften.



Geen enkele zin om naar buiten te gaan. Ik begrijp alle drukte om die sneeuw niet. Ik ben geen wintersporter, nooit geweest ook. Ik zet wat voorzichtige stappen in de tuin. Niet dat ik niet van een maagdelijk matwit landschap houd. Heel erg zelfs. Maar ik neem dat landschap liever tot me vanachter het raam, vlakbij de verwarming, met Satie's Les fils des étoiles op de achtergrond, in de uitvoering van Reinbert de Leeuw. Laat anderen, zoals die rode, de sneeuw kapotmaken, ik laat haar liever heel. Om je de waarheid te zeggen: ze hebben me naar buiten geduwd. Ze willen dat ik hier mijn behoefte doe, de schoften. Scheelt weer grind, stank en gedoe, maar mij krijgen ze niet klein. Ik beleef geen plezier aan smelten met behoeften. Ik laat het smelten met behoeften graag aan anderen over. Natuurlijk wil ik sporen nalaten, maar ik hecht aan decorum. En denk alleen al aan de kou daar waar je haar het minst kunt gebruiken. Denk aan het koude gat, het koude Glockenspiel. Ach ik wind me veel te veel op. En waarvoor. Lang genoeg buiten geweest; snel naar binnen voor het te laat is.