7. Kerkgang


Om het huis te ontvluchten, en voor gratis theater, heeft Groeninx van Zoelen plaatsgenomen in de lokale Eglise Gothique, die als een enorme steenpuist boven op het heuvelachtige dorpje ligt. Is het hypocriet, vraagt hij zich af, om als nietsist een katholieke mis bij te wonen? Misschien, maar de poort stond open, en hij zal zich niet, zoals bij de evangelisten, openlijk hoeven te verantwoorden. Hij is ruim op tijd. Als de klokken allang zijn opgehouden met luiden, blijkt hij de enige kerkganger te zijn. Vanuit de sacristie komt een schim tevoorschijn, in wie hij al snel de vierkante vrouw herkent. Over deze nevenfunctie was hem niets bekend. Op een schoolbord noteert ze, in kinderlijk handschrift, de nummers van de liederen die gezongen moeten worden, rommelt wat met de stereoinstallatie en gaat, zonder op of om te kijken, zitten. De volgende schim die opdoemt vanuit de sacristie moet de magere man zijn. Oui, c'est lui. Hij draagt een lange witte jurk, hijst met zijn oude vingers de rok op om niet te struikelen en maakt een minieme knieval voor het kruis. Als het eerste lied is voorgezongen door de vierkante vrouw – niet alleen vals, maar ook lelijk – neemt de magere man het woord. Hij is volmaakt onverstaanbaar. Na enkele minuten gebaart hij naar de vierkante vrouw. Zij verdwijnt naar achter en draait het licht uit.