18. Wee


De poort gaat langzaam open, uit zichzelf lijkt wel, maar het is de magere man die voor Groeninx van Zoelen opendoet. Hij is zo mogelijk nog magerder geworden. Vooral in zijn gezicht. Er zit geen spek meer in zijn gezicht. Alleen nog botten en pezen. Zijn rood omrande ogen staren hem uitdrukkingsloos aan in het zwakke schijnsel van zijn olielampje. Dan knikt hij naar Groeninx van Zoelen, niet ongelijk de vierkante vrouw enkele weken eerder had gedaan, toen er nog geen incisie in haar halsslagader was aangebracht, toen alles nog veelbelovend was. (Nu is niets meer veelbelovend.) Groeninx van Zoelen sluit de poort achter zich en volgt de magere man naar binnen. De haard is aan, maar het is een moeizaam vuur. 'Ik dacht dat u boven was, boven brandt licht,' zegt Groeninx van Zoelen, om de stilte te doorbreken. De magere man haalt de rug van zijn knokige hand langs zijn neus, die bijna doorzichtig is. 'Ik wist dat je zou komen, maar niet zo snel. Niet zo snel, Frédéric.' Hij gebaart dat Groeninx van Zoelen op een krukje bij het vuur moet gaan zitten, en haalt een kom non-descripte soep voor hem, waar een weeë damp vanaf slaat. Waar moet hij die laten? In het vuur misschien?