Deel 8: Sky Ride



'We moeten zo snel mogelijk met elkaar naar bed,' zeg ik tegen Eternité in haar Volvo Amazone met Je reste au lit, een vrolijk liedje van Pascal Parisot, op de achtergrond. 'Ik voel het. Het moet gewoon. Als we het niet doen zou dit ernstige maatschappelijke gevolgen kunnen hebben.' Dat excuus heeft ze vaker gehoord. Onder haar wulpse vogeljurkje is haar boezem licht bezweet geraakt, ik weet niet waarvan, ze lijkt me une type cuoole. 'Het maakt me niet uit waar. We kunnen op iedere plek de liefde bedrijven. Misschien niet op die poubelle waar we die plastic zakken hebben gedumpt, maar verder werkelijk overal. Dat is het mooie van de liefde, je hebt er alleen lijven voor nodig.' Eternité, een vrouw met een eigen wil, draait de parkeerplaats op van een helverlicht maar totaal verlaten lunapark bij Grimaud. Als ik protesteer dat ik hier te oud voor ben, zegt ze: 'Dan heb je nog nooit in de Sky Rider gezeten.' Daar moet ik haar gelijk in geven. Als zij betaald heeft bij de verveelde hoogblonde dame met het hondje in het hokje (ik heb geen geld bij me; ik heb nooit geld bij me), nemen we plaats op een aluminium platform. Een man helpt ons in een tuigje dat ons horizontaal fixeert – als bevroren supermensen hangen we in de lucht. Dan knikt hij naar de hoogblonde dame in het hokje. We worden schuin achteruit omhoog de zwarte nacht in gehesen, voor de Sky Rider is alleen de grootst mogelijke aanloop groot genoeg. Zolang ik mijn blik op haar boezem gericht houd gaat het nog wel. Voor de zekerheid omarm ik haar maar. Op het hoogste punt aanbeland – zestig meter boven de parkeerplaats – worden we met een snelheid van 120 kilometer per uur naar beneden gekatapulteerd. Rakelings scheren we over een nietsvermoedende man die met zijn zoontje staat toe te kijken met een barbe à papa in de hand. Eternité gilt het uit van genot, ik van angst, maar we gillen, simultaan, en dat is ook wat waard.