Deel 2: Sinistré



De volautomatische toegangspoort van de villa, waarvan een kant hapert, gaat langzaam open. Een vrachtwagen rijdt achteruit het terrein op. Opeens staat een jongeman voor mijn neus met een geitesikje en een koptelefoontje in zijn oor. 'Jardinier!' roept hij. 'Speak English?' Ik spring op van mijn ligstoel en been hem tegemoet. 'Spreekt u toch vooral Frans,' zeg ik. Mijn Frans, denk ik, is beter dan zijn Engels. Prompt steekt hij in rond Provençaals een minutenlang betoog af over de orage die vrijdagnacht over het dorpje heeft geraasd, en die voor een inondation heeft gezorgd en minstens duizend sinistrés. In zijn eigen kelder stond twintig centimeter en ook zijn auto was geheel ondergelopen en bevuild. 'Oh la la.' Meer weet ik niet uit te brengen. 'En hier,' vraagt hij, 'is hier veel schade aangericht?' 'Ça va,' zeg ik. 'Eh... de tuin ziet er nog goed uit.' 'Een van de voordelen van op de bergtop wonen,' lacht de jardinier. Ik knik en loods hem de poort uit, terwijl ik het lijk aan de rand van het halvemaanvormige zwembad uit zijn blikveld probeer te houden.


In de classificatie van het Rampenfonds was hier waarschijnlijk sprake van een D-ramp: zonneklaar.