Deel 3: Parelduiker



's Avonds dineer ik genoeglijk onder de sterren aan de lange tafel bij de buitenkeuken, als de discoverlichting van het zwembad begint te knipperen – eerst regelmatig, denk ik, maar daarna onregelmatig, om er uiteindelijk helemaal mee op te houden. Ik zit in het donker. Ik had bij kaarslicht willen eten, hoe corny dat ook is, maar alle kaarsen zijn opgebrand. Het lijk licht zwak op in het maanlicht – dat, als ik wat beter kijk, helemaal geen maanlicht blijkt te zijn, maar de tuinverlichting van de aanpalende villa. Ik leg mijn boek weg, het heeft nu helemaal geen zin om te lezen. Het is misschien zelfs ongepast. Die nacht woel ik onrustig onder de dekens in bed. Ik droom dat ik parelduiker ben en dat ik tijdens een van mijn duiken, op tien, twintig meter diepte, met mijn armetierige zwembroekje achter een rots blijf hangen. Ik zou niet schrijven: zwetend werd ik wakker, als het niet waar was, maar ik werd zwetend wakker, en wel van gebons tegen de elektrische rolluiken, die ik juist uit voorzorg allemaal had dichtgedaan.