Tante piano in memoriam



Ik rouw om tante piano. Volgens mijn berekeningen de eerste Frölke in ruim twintig jaar die het loodje legt, de jongste zus van mijn vader: Marijke. Toen ze twee of drie jaar geleden een kamer in het Rosa Spierhuis kreeg, na tien jaar een prachtig maar onherbergzaam huis in de Hérault te hebben bewoond, nam ik me voor om haar op te gaan zoeken*. Niet alleen uit nieuwsgierigheid, omdat ik nog nooit in dat fameuze tehuis was geweest, maar ook omdat ik 'iets' met haar had. Ze was pianiste, om te beginnen (ik speel ook, een beetje; haar moeder en tante pianeerden trouwens eveneens, meer dan een beetje). Marijke liet me kennis maken (en de rest van de familie, vermoed ik) met Ivo Pogorelich, de jonge god die met Chopin aan de haal ging in de jaren tachtig. Dat maakte indruk. Maar zelf heb ik haar 'dus' nooit horen spelen. Er moeten musici zijn die niet gehoord willen worden, maar misschien hield ze de klep selectief dicht, hoewel mij überhaupt geen uitvoeringen van haar bekend zijn. Ieder mens is fundamenteel onkenbaar, maar volgens mij kampte ze met faalangst of overmatige zelfkritiek, hetgeen misschien op hetzelfde neerkomt. Ze zeilde over de Egeïsche zee. Had een veel jongere vriend. Woonde jarenlang in een jaloersmakend pakhuis in de Jordaan, gevuld met vleugels, waar ze les gaf. Maar er was meer. Op onze Franse bruiloft hield ze zich als een van de enigen aan de dress code (hoedje), en overnachtte in de kasteeltuin in een tentje met de banier Vive les mariés, hoewel ze, als gescheiden, alleenstaande vrouw, waarschijnlijk een broertje dood had aan dat instituut. Ze lachte niet vaak, maar als ze lachte, schaterde ze. Ze had lak aan, nou ja, veel. Ze was vrij, vermoed ik.

* Dat lukte uiteindelijk ook, maar toen lag ze te slapen.