1. Opzettelijke traagheid


De dag dat Julius Wezenstein zou vertrekken naar New York voor zijn kunstproject The Big Sleep werd hij overspoeld door een gevoel van totale zinloosheid. Niet alleen het project zelf kwam hem ineens als onzinnig, misschien zelfs potsierlijk voor, maar ook zijn levensvervulling, de fotografie, of, zoals hij zelf liever zei, de stelende kunst, had iets flets gekregen – tenminste vergeleken bij Van Gogh, zijn voorbeeld. Waarom naar New York? Wat was er in New York dat niet was in Rotterdam? Waarom eindeloos door de straten van Manhattan dolen op zoek naar iets dat er toch niet was, of niet meer was? En zijn vrienden? Natuurlijk zou hij ze opzoeken, die zogenaamde vrienden van hem in New York. Elke stelende kunstenaar van enige ambitie, of hij nu van ze stal of niet, had vrienden in New York. Hij had zelfs al een paar afspraken gemaakt. Maar wat had hij die vrienden te vertellen? En: wat hadden ze hem te vertellen? Natuurlijk, hij zou wel wat tijd kwijt zijn aan het project – al was het alleen maar om zich later tegenover zijn subsidieverschaffers te kunnen verantwoorden. 's Nachts. En overdag. Overdag zou hij foto's selecteren, en de volgende shoot plannen, wat een delicaat klusje was. Nu hij er zo over nadacht kreeg hij er wel alweer wat zin in, maar toen hij zich naar de luchthaven begaf betrapte hij zich op een opzettelijke traagheid, als miste hij liever zijn vlucht, gewoon, om van alles af te zijn, terug te keren naar zijn aftandse appartement in het Oude Noorden en zich daar op bed te laten vallen.