2. Vierkant


'Excusez moi?' zegt Frédéric Groeninx van Zoelen, met een moe hoofd, door de poort van het ommuurde oude huis in Caux, waarop met bonte letters KILL is gekalkt. Het is hem al eerder opgevallen, die ochtend, de graffiti op het Franse platteland. Graffiti op het Franse platteland is zoiets als Hepie en Hepie op het Holland Festival: je verwacht het niet. 'Allo!' roept hij nog maar eens, nu iets luider, als op de beleefdere aanspreekvorm geen respons komt. Als hij zich afvraagt of hij niet aan het verkeerde adres is, ziet hij in de struiken iets bewegen. Een vrouw verschijnt, van middelbare leeftijd, met een zwarte jurk aan, een zwart hoedje op, en een hark in haar hand. Langzaam, heel langzaam komt ze naar de poort gesloft en opent deze. 'Bonjour,' zeg hij, en steekt zijn hand uit. 'Groeninx van Zoelen? Ik moet hier zijn.' De vrouw, die een vierkant gezicht heeft, pakt zijn hand met drie vingers aan bij de pols, alsof het een verzopen katje is. Zij heeft zwarte handen, die van hem zijn klam; zo hoeven ze elkaar niet te besmeuren. Daarna neemt ze hem van top tot teen op. Haar vierkante ogen gaan nauwelijks open. Als hij is goedgekeurd, sloft ze langzaam naar het huis. Even later zit hij aan een lage, rommelige keukentafel. De vierkante vrouw maakt koffie, scheurt stokbrood. De vrouw heeft nog altijd niets gezegd. Striktgenomen was het ook niet nodig.