Synopsis voor een kort verhaal. Deel 3: Crash

Vlak voor vertrek van de Colemans is de hittegolf voorbij en heerst er eindelijk absolute, weldadige stilte in La Divina. Shanti uit hierover haar verbazing. De Nederlandse hippies, Fons en Imre heten ze, hadden immers aangepapt met de Duitse veganiste, Helke, die leuke kunstjes deed met 'Chucky'. Het drietal werd min of meer gedoogd, behalve door het oudere – Franse – echtpaar, dat hun afkeuring door liet schemeren over de naakte zwart-kampeerders in omfloerste conversatie op het terras. Coleman zegt dat hij alleen maar dankbaar kan zijn dat hij op zijn minst één dag van zijn vakantie, al is het de laatste, mag doorbrengen in de hem in het vooruitzicht gestelde kindvrije omgeving. Maar dan, als de Colemans voor de laatste keer in hun vertrouwde stoelen aan de infinity pool plaatsnemen, en hij zachtjes, met duim en wijsvinger, haar nek masseert, terwijl zij doorleest in haar Murakami, komt de manager van het luxe oord aanzetten met Imre en 'Chucky' in haar kielzog. Ze lopen over de parkeerplaats naar de landweg erachter en staren de diepte in. De Hollandse hippie-familie is die nacht de heuvel afgehobbeld, dwars door de wijngaarden, om tegen een oude pijnboom tot stilstand te komen. Fons heeft zijn schouder gebroken en is naar het ziekenhuis overgebracht. Met zijn dochtertje, dat in shock uit haar hoogslaper stortte, gaat het wel weer. Imre is ongedeerd. Terwijl de manager lunch voor hen laat aanrukken, komt Irme op Shanti's strandstoel uithuilen, met het meisje op schoot, over de kapotte kampeerbus. Hij stond niet op de handrem. Helke stelt voor geld in te zamelen; anders maakt ze graag glutenvrije cupcakes voor het goede doel. Shanti wil daar niets van weten. Ze belooft dat haar man de investment banker voor een gulle donatie zal zorgen. 'Ja, toch, Josh?' Maar Coleman is niet al meer te bekennen bij het zwembad. In de baby-villa pakt hij zijn koffers.

Synopsis voor een kort verhaal. Deel 2: Monsters

Nadat Joshua en Shanti Coleman twee keer 's ochtends vroeg zijn gewekt in hun baby-villa, een keer door een luide schreeuw gevolgd door een plons, en een keer door gestamp op de voordeur van hun baby-villa, (het kleine meisje bleek op zoek te zijn naar haar vader), stapt Coleman opnieuw naar de manager van La Divina, een gracieuze dame met grijze slapen. Die hoort de bezwaren over de overlast van de Hollandse hippies en 'that Chucky-like monster' welwillend aan, maar er gebeurt niets. Want als de Colemans terugkeren van een copieuze lunch op een dorpsplein in de buurt, ziet hij de kampeerbus alweer staan. Er komt nu ook muziek uit, hippiemuziek. Het meisje danst bloot met haar bijna blote, aantrekkelijke, maar vroegoude moeder op de parkeerplaats; de dreadlocks vliegen in het rond. Nog steeds vindt Coleman zichzelf te goed en te belangrijk om de hippies rechtstreeks tot de orde te roepen. Als hij ziet dat de bijna blote moeder probeert aan te pappen met Shanti, sleept hij zijn vrouw mee naar hun privé-domein, en eist dat ze ieder contact met de vijand vermijdt. Die nacht, als de Colemans weer eens proberen de liefde te bedrijven, zoals het plan was, komen ze niet ver, omdat zijn wraakfantasieën steeds gewelddadiger worden.

Synopsis voor een kort verhaal. Deel 1: De Colemans zijn not amused

Joshua en Shanti Coleman uit New York, hij investment banker, zij toneelregisseur, besluiten een week hun hectische levens te ontvluchten om hun ietwat uitgebluste huwelijk nieuw leven in te blazen, vooral door minstens een keer per dag met elkaar naar bed te gaan, hebben ze zich – hij ernstig, zij lacherig – voorgenomen. Ze verblijven een week in La Divina, een 'kindvrij' luxe-oord in de heuvels van Toscane. Nu hebben ze er eindelijk de tijd voor, is de gedachte, en zal alles hoofdpijnloos en intiem zijn. Ze krijgen een pittoreske baby-villa toegewezen temidden van de wijngaarden en olijfboomgaarden, voorbij de lounge-area en het terras waar volmaakte jonge mensen klaarstaan om behalve cocktails te shaken en finger sandwiches uit te delen, ook een aardig woordje Engels te spreken. Ze blijken opmerkelijk goed op de hoogte te zijn van de laatste ontwikkelingen op welk gebied dan ook. Waar Joshua en Shanti Coleman niet op hebben gerekend is de hittegolf die op het moment door Italië woedt, en hen min of meer veroordeelt tot de 'infinity pool'. Ook 's nachts is het te heet voor hun agenda-seks; de ironie hiervan ontgaat haar niet. Als ze in de middag van dag drie opnieuw in de perfecte strandstoelen bij het zwembad liggen, hij bezig op zijn telefoon, zij verdiept in een roman van Murakami, tegenover een ouder echtpaar en een alleen-reizende, bovenmatig-getatoëerde Australische veganiste, klinkt opeens, uit het niets, de snerpende huil van een klein meisje dat water in haar ogen heeft gekregen. De Colemans zijn not amused. Het huilende meisje blijkt te horen bij twee Nederlandse hippies in een kampeerbusje op de parkeerplaats, die zich alle luxe laten aanleunen van La Divina zonder betaalde gast te zijn. Op dag vier, als de hippies weer hun meisje hebben meegebracht naar het zwembad, belooft Coleman zijn geliefde met gevoel voor drama, dat hij op alle hem beschikbare manieren een einde zal proberen te maken aan deze inbreuk op hun welverdiende vakantie-rust. Shanti draait zich hoofdschuddend op haar andere zij.

(Geen) lucht

Nadat de klerenkastvormige steward in het gangpad verveeld heeft uitgelegd hoe je het zuurstofmasker omdoet voor het geval de lucht wegvalt in de cabine, en de achtjarige naast mij uitvoerig de pictogrammen heeft bestudeerd op de veiligheidskaart uit de sleuf van de stoel voor hem, vraagt hij: 'Waarom moet je eerst het masker bij jezelf omdoen en daarna pas bij anderen?'
Goede vraag. Hier raakt de achtjarige aan een fundamenteel ethisch beginsel.
'Stel voor de lucht valt weg in de cabine en ik doe eerst een masker bij jou om, wat gebeurt er dan?' 'Dan krijg jij geen lucht, pappie.'
'Daarom moet ik het masker eerst bij mezelf omdoen.'
'Maar dan krijg  i k  toch geen lucht?'
'Nee. Maar als ik mijn eigen masker om heb kan ik jou beter helpen.'
'En zij dan?' De achtjarige wijst naar de driejarige die een stoel verder op een 'booster seat' aan de raamkant zit, niet om van het uitzicht te genieten, maar om het plastic luikje alsmaar omhoog en omlaag te doen.
'Als ik eerst mezelf en daarna jou help,' ga ik dapper verder, 'dan kunnen wij samen jouw zusje helpen het masker om te doen.'
Ik ben eigenlijk wel in mijn nopjes over de uitleg, maar de achtjarige blijft sceptisch.
'Weet je wat,' zegt hij na een tijdje, 'ik hou mijn adem wel in.'
Alsof de goden ons gesprek hebben afgeluisterd, krijgen we boven de Alpen te maken met flinke turbulentie. Ook de klerenkastvormige steward wordt vriendelijk verzocht zijn gordel om te doen. Halfschertsend roep ik tegen lieftallige: 'Alle royalties naar de gymnasiast.' De kleintjes naast mij echter hebben de grootste pret. Wat hen betreft kan er niet genoeg turbulentie zijn.

Afsluitend vuurwerk

San Giovanni, het volksfeest van Florence, heeft dit jaar voor het eerst in zijn geschiedenis een numerus clausus ingevoerd. Niet meer dan twintigduizend mensen mochten het afsluitende vuurwerk boven de Arno van dichtbij aanschouwen. Wij hadden al vroeg bedacht niet de stad in te gaan, maar juist de bergen, richting Fiesole, op te zoeken. Om negen uur, half tien viel de avond. Ik parkeerde spontaan bij een kluitje toeschouwers dat zich halverwege had opgesteld bij een riant palazzo van, naar later bleek, de familie Ferragamo. Die duldt elk jaar wel wat gepeupel op zijn oprit, en anders hebben ze altijd nog de hond. In de aanloop naar il fuoco wilde de achtjarige berekenen hoe hoog de vuurpijlen zouden komen. 'Niet veel hoger dan de Dom vermoedelijk, want die is, weten we, 90 meter hoog,' doceerde ik, 'en wij kijken naar beneden,' maar ik wilde zijn hooggespannen verwachtingen niet vergallen. Het knallen en vuurspuwen nam een aanvang. Van deze afstand zag het er reuze imposant uit voor wie nog nooit zoiets heeft gezien. 'Dit wil ik ook op mijn verjaardag,' zei de driejarige. Wij vroegen ons af of de burgemeester van Florence nog met een boodschap voor zijn volk zou komen. 'Probeer dit jaar eens wat belasting te betalen.' Of: 'Maakt u geen zorgen over de rookontwikkeling, wij hebben alles onder controle.' Wat een sluwe, lugubere grap was het geweest als terroristen het vuurwerk zouden hebben gegijzeld en wij live naar een aanslag keken.

Il poeta è un fingitore

Ik zit aan een tafeltje in Pasticceria Cesare (spreek uit: TJEEzaree, en dus niet, bijvoorbeeld, seeZAre) achter mijn tweede cappuccino en probeer een gedicht te schrijven. Dit koffiehuis van de oude stempel is een perfecte plek om te proberen de dichter uit te hangen. Als je het even niet meer weet, kun je je laven aan het theatrale schouwspel om je heen; de mini-operette die wordt opgevoerd door de barrista's, drie in aantal, eentje kaal, eentje met een hipster/terroristenbaard en een dikke met een snor, alledrie echter in smetteloze zwarte bretels en stropdassen. Ik hou ervan om naar ze te kijken. Net zoals naar de te zwaar aangezette dames in vergelijkbaar uniform die de taartjes, petits fours, croissantjes, etc. uitdelen. Maar het mooist is nog de keizerin die troont achter de kassa, de eigenaresse. Aan haar vertel je wat je hebt geconsumeerd, dan rekent zij het af. Ik hou van dat systeem. Door haar keurig gecoiffeerde zilvergrijze haardos heen kun je haar schedel bewonderen. Maar zover is het nog niet. Eerst nog dichten. Mijn oog valt op een verbodsbordje aan de muur, dat ik het liefst in het Italiaans zou weergeven maar ik ben vergeten het over te schrijven. De strekking luidt dat er een boete van €27,50 à €275 staat op roken. De hoogte van de boete is afhankelijk van de aanwezigheid van zwangere vrouwen, de aanwezigheid vrouwen die borstvoeding geven en de aanwezigheid van kinderen onder de twaalf. Waarom nog dichten, met al die poëzie om me heen?

Regel uit Pessoa's Autopsicografia, in het Italiaans. Hier uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. Mooi gedicht. Ik kwam er op toen Google mijn woorden il poeta è un afmaakte.

Warmte-management

Warmte-management in een palazzo, was ons door de eigenaren van te voren op het hart gedrukt, bestaat uit het gedurende de hele dag dichthouden van de houten luiken en deuren, om de hitte buiten te houden, en gedurende de hele nacht juist alles open te zetten – behalve de hor, die moet altijd dicht.
Maar die hor is het hele punt, want die trek je makkelijk omlaag aan een koord, als een nauwsluitend rolgordijn, en klik je aan de onderkant onzichtbaar vast, maar hoe krijg je hem weer open, bijvoorbeeld om de luiken te sluiten aan het eind van de nacht om niet alleen de hitte buiten te sluiten maar ook het ochtendgloren, opdat er nog wat kan worden doorgeslapen?
'Fikkie, weet jij hoe die hor werkt?' was lieftallige's eerste vraag dienaangaande, vanuit een van de slaapkamers, terwijl ik in de zeer royale tuin probeerde te lezen met mijn voeten in een kinderbadje. 'Ik krijg hem niet open.'
'Kantelen,' riep ik terug, 'en dan komt ie vanzelf los, en dan laat je hem rustig vieren.'
Stilte.
'Het lukt niet. Wil je even komen?'
Ik stuurde mijn achtjarige omhoog om het hor-probleem op te lossen. Ik leefde in de veronderstelling dat hij wel wist wat kantelen was en hoe dit te bewerkstelligen, maar ook hem lukte het niet om de hor los en omhoog te krijgen. Er zat niets anders op dan op te staan en het voor te doen. Dus dat deed ik. 'Kijk,' zei ik, op die geïrriteerde toon die elke vakantie vroeg of laat aanvreet, de onderkant van de hor 45 graden naar mij toe trekkend, 'kantelen, dan komt ie los. Dan laten vieren en het ding gaat omhoog.' De hor deed wat hem gevraagd werd, maar lieftallige lukte het niet, ook niet na herhaalde pogingen. 'Kantelen!' riep ik. 'Beter kan ik het niet uitleggen.' Gefrustreerd ging ik weer in de tuin zitten.
Op zulke momenten verlang ik naar A/C.

Slimey

Een driejarige en een achtjarige meesjouwen door het centrum van Florence bij dertig-plus graden om een tentoonstelling van Bill Viola in het Palazzo Strozzi te bezoeken, is een ongeveer even goed idee als een bad nemen met je ouders in een tobbe gevuld met appelstroop. Maar we deden het. De driejarige begon dertig seconden uit de bus – die haar nog wel kon bekoren – te roepen: 'Tillen!' en zou hier niet meer mee ophouden, behalve als ze aan een ijsje likte. De achtjarige hield zich sterk, maar nadat ik had geweigerd voor hem een slimey te kopen van een straatverkoper bij de Galleria degli Uffizi, kon hij alleen nog maar heel sip kijken, en zelfs af en toe een huilbui hebben (of veinzen) vanwege dit grote gemis. 'Wat is Bill Viola?' vroeg hij tenslotte. 'Tizie kijken,' zeiden wij. 'Heel veel tizie kijken, dus dat gaan jullie leuk vinden.' En die voorspelling kwam ook uit. Zelfs de 34 minuten durende installatie Il Delugio werd door hen voor het belangrijkste deel uitgezeten, echter niet zonder elke twee minuten te informeren of er nog iets ging gebeuren. 'Jawel,' zei ik. 'Nog even wachten. Bill Viola test ons geduld.' Omdat de driejarige nu ook zeker wist dat ze een slimey nodig had om gelukkig te worden, hebben we op de terugweg nog gezocht naar de straatverkoper met de slimey's, zonder resultaat.

Florence

Florence ligt er majestueus bij, als we uit de heuvels naar beneden rijden langs uitbundig bloeiende hortensia's, citroenbomen en weet ik wat voor flora. Zeven jaar geleden waren we er ook, twee weken zelfs, maar toen was ik doodziek; voor mijn gevoel heb ik de meeste tijd op de wc doorgebracht. Nu gaan we op de avond van aankomst al meteen de deur uit om dat fantastische restaurant te vinden, met die heerlijke bediening, zonder vooraf huiswerk te hebben gedaan. Dat lukt dus niet. Bekaf en uitgehongerd na eindeloos te hebben rond gesjokt langs dichte trattoria's en treurig stemmende dronkemansbarretjes in de buurt van een aftands voetbalstadion, plant ik mijn kinderen achter een formica tafeltje bij "FC Kebab" en bestel friet met mayonaise en veel cola. Iets is beter dan niets, dacht ik, maar lieftallige is nijdig een supermarkt in geschoten om in ons geleende palazzo alsnog een fijne pasta in elkaar te draaien. Om 10 uur 's avonds hebben we ons huiswerk wel gedaan en eten we amandelijs en saffraanijs in een ambachtelijke gelateria. Likkende bambini bij neonlicht. Een brutaal joch met een One Direction-kuif en het bovenste knoopje dichtgeknoopt van zijn hagelwitte hemd, steekt af en toe plagerig de punt van zijn ijsje in de wang van zijn vriendin, en schept tegen ons op over de 4 die hij kreeg voor Engels. 'You know why? Because my mother,' hij gebaart druk naar een vrouw verderop die driftig nee schudt, 'told me to play instead of study.' Het had een scene uit Carlo Collodi's vrolijk-wrede kinderboek Pinokkio kunnen zijn, of een broeierige film van Visconti.

'Have you tried working?'

A friend from New York was in town and told me to meet her at the Hampton Inn, 'near Rembrandt Square'. I jumped on my bike, figuring I'd find it easily, but on my way there I began to doubt. I passed the Waldorf Astoria. Very New York, but not the Hampton Inn.
Since when does downtown Amsterdam have a 'Hampton Inn', I wondered. Hampton Inn sounds New Jersey to me, airporty, Econolodge-y. If I had a working smartphone I could have looked it up. Nobody on or near Rembrandt Square would know anything – except perhaps, it dawned to me, a receptionist at a hotel – so I parked in front of one, and when I walked in, my friend walked out. Quelle coïncidence! It turned out to be the Hampshire Hotel.
We hadn't seen each other in nine years. I had had two kids in the meantime. She had lived in Mexico and then moved back to Philadelphia, the city she grew up in.
'You look great,' I said.
'I gained 30 pounds,' she quipped.
We walked along the river, sat down on a bench and started discussing our lives. Almost immediately a man approached us, a man of my age, a disheveled looking man, with bad teeth and varicose veins on his calves. He wanted to shake our hands. 'Do you speak Dutch?'
We said no. That didn't prevent him from begging. Begging is a universal language. There are no linguistic restrictions for begging, even a dog knows how to do it. I didn't feel like giving him change, but my friend from New York was already going through her handbag.
'Have you tried working?' I asked the beggar. It came out awkward, but I meant it.
The beggar shook his head indignantly and walked away.
'Did you just say: have you tried working?' my friend from New York asked.
I nodded.
We laughed.