Zelf-isolatie
Zelf-isolatie zit mij als een handschoen, en niet alleen op de WC, hoewel dat nog altijd de meest voor de hand liggende plek is voor kelder- en zolderloze kleinbehuisden. Deur op slot, leesvoer op schoot en zelf-isoleren maar. Totdat er mensen (huisgenoten), of dieren (poezen), op de deur bonken, krabben. Die mogen dus niet naar binnen, omdat het virus niet verspreid mag worden, en dat werkt beide kanten op. Ik mag ook niet naar buiten. Doe je behoefte maar in de tuin. Eventueel kan de deur op een kier voor een pastaatje, een biertje, een bakje yoghurt, een kopje koffie. De zelf-geïsoleerde moet wel wat te ontlasten hebben. Maar vooral geestelijk voer graag. Zelf-isolatie kan van splendid isolation verworden tot een claustrofobe kwelling als er geen psychische uitweg is, geen mogelijkheid tot geestvervoering, tot nieuwe gedachten. Wie geen nieuwe gedachte kan ontwikkelen wordt gek. Is gek. Was gek. Dus: leesvoer (of iemand aan de telefoon), is belangrijker dan boodschappen. Voor de buitenwereld geldt: hamsteren of plunderen, dat is de vraag. Ik opteer voor vasten. Volgens de filosoof Peter Singer heeft de mens niet zoveel nodig om te overleven, in een van zijn tractaten geeft hij zelfs een recept voor een simpele doch voedzame avondmaaltijd voornamelijk bestaande uit linzen (red lentil dahl zie hier). Dus dat komt de stoelgang weer ten goede, denk ik dan. Een slaapbeen en/of aambeien, dat is mijn grootste zorg.
Erger dan oorlog
Het nieuws is het snelst. Dan de angst, die komt er vlak achteraan. Vervolgens de zelfvermaning, die soms de vorm krijgt van hoop: niks aan de hand, zo voorbij, keep calm en carry on. Tenslotte zijn daar de maatregelen. Die kregen gisteravond bij mij hun beslag in een afgelast concert van Reijsiger/Fraanje/Sylla in het BIMhuis, meteen gevolgd door de sluiting der bioscopen. Het concert was jammer maar helaas, ik kon ook een cd opzetten van Reijsiger/ Fraanje/Sylla, dat zou zelfs een heel goed idee zijn in deze tijden, maar dit weekend niet naar de bioscoop zit me dwars. Het zou het eerste gezamenlijke uitje zijn met mijn exgenote in tien jaar misschien wel, maar ik heb een slecht geheugen. Daar moet dus een alternatief voor worden gezocht. Ik hoop dat ze daar voor te porren is.
De angst zat er gisteren bij mij goed in toen ik mijn ouders belde voor een corona update en mijn moeder zei dat het oorlog was. 'Tegen bommen kun je schuilen, maar tegen dit virus niet! Je kunt nergens heen! Misschien ben ik volgende week wel dood!' Erger dan oorlog dus. Een schrijver zou zoiets nooit bedenken, die zou altijd een Tegenstander, een Wereldvernietiger postuleren, Het Grote Kwaad, maar dat hoeft dus helemaal niet. De vernietiging van de mensheid blijkt vanzelf te gaan, geleidelijk maar onstuitbaar, in een paar jaar is het gebeurd.
Mijn vader, die niet alleen op het gebied van medische zaken een bijna zen-achtige wijsheid tentoon spreidt, had al eerder zijn zorgen geuit. Angst gaat te ver, op die emotie heb ik hem nog nooit kunnen betrappen, maar zorgen: ja.
'Ik ben er nog steeds niet van overtuigd dat dit niet toch een gewoon griepvirus is,' bereed ik mijn stokpaardje. 'Het enige verschil is dat het traject van de besmetting nauwkeurig is vastgelegd en gedeeld met de rest van de wereld.'
Was het maar waar, hoorde ik mijn vader denken door de telefoon.
Soms wordt hij nijdig als ik iets niet begrijp, maar nu legde hij kalm uit dat ik het toch echt verkeerd zag. Covid 19 is anders dan een griepvirus, omdat het volkomen nieuw en onbekend is. 'Tegen de reguliere griepvirussen hebben we inmiddels in de loop der jaren een soort van resistentie opgebouwd, maar hiertegen kan dat niet. Daarom is het dodelijker.'
Vannacht lag ik langer wakker dan gebruikelijk.
Requiem for a dying planet.
Abo
Men moet ergens abonnee van zijn, men kan niet een leven leiden zonder abo, zeker niet als zich noemende srijver, men moet aan minstens een periodiek zijn zegen geven, dus ik heb mijn zegen gegeven aan De Revisor, een literair tijdschrift waar ik ook wel eens in heb gepubliceerd, en ook wel in de toekomst in hoop te publiceren, maar ik heb nog geen nummer mogen ontvangen. Wel van The New Yorker, dat ik nota bene gelijktijdig had opgezegd. Ben ik niet alweer vijftien jaar woonachtig in de grote stad A.? Is niet iedereen het er over eens dat Amerika steeds onbelangrijker wordt (door eigen toedoen)? Heb ik ooit de moed gehad om mij te abonneren op een Nederlands literair tijdschrift?
Uit De Revisor-droogte en de New Yorker-overvloed kan worden afgeleid dat het moeilijker is om ergens bij te komen dan om ergens onderuit te komen.
Lichtpuntje: van De Revisor ontving ik, nadat het mij eindelijk was gelukt de somma van 45 euro over te maken naar Singel Uitgeverijen, een welkomstgeschenk in de vorm van een dichtbundel van Radna Fabias. Die heb ik doorgestuurd naar de informaticus, die om poëzie vroeg. (Wanneer een informaticus om poëzie vraagt, moet men hem onmiddellijk bedienen.)
Vandaag zat het welkomstgeschenk van The New Yorker in de bus – want zeg maar eens nee tegen het aanbod voor een proefabonnement dat die lui je doen als je net hebt opgezegd –: een tote bag. Een mooi ding (gek woord ook), maar ik ga hem niet gebruiken. Een tas van The New Yorker in Amsterdam is zoiets als in pyjama rondlopen op de Noordpool. Het wachten is op het De Revisor-trainingspak.
Nipnaps
T. lag te kroelen op de vloer, nadat hij zijn verjaardagscadeautjes had gekregen. Het stokje waar hij op beet ontlokte hem bunny kicks. Nipnaps heten die stokjes. Van de buurvrouw natuurlijk weer, eregast op het verjaardagsfeest, die getrouwd is met een kat en dus de beste cadeau's had, hoewel de speelballetjes die de kinderen inbrachten ook niet moesten worden uitgevlakt.
P., buurvrouw haar eigen kat, een intramurale vluchtelinge uit Marokko, had ze niet meegenomen uit angst voor een kattengevecht. Jammer. T. had denk ik een soortgenoot op prijs gesteld.
Lieftallige had een poezentaart gebakken (lees: een taart in de vorm van een poes) en de buurtkinderen hadden voor T. een tekening gemaakt.
'Hij is niet zo visueel ingesteld,' probeerde ik de teleurstelling over T.'s reactie vooraf te temperen. 'Beeldende kunst is niet zijn ding.' Maar de buurtkinderen vonden het helemaal geen punt dat T. hun creaties geen blik waardig gunde. Zij weten dat appreciatie op verschillende manieren kan worden geuit.
Om te voorkomen dat T. niet thuis zou geven op zijn eigen verjaardag, hadden we T. al vroeg in quarantaine gedaan. Met een huis vol gasten, een poezentaart en een scala aan cadeau's en dan geen T., dat was het nachtmerriescenario.
De buurvrouw had een kamhandschoen meegebracht waarmee T. zich wel van zijn nu reeds langzaam uitvallende haartjes wilde laten ontdoen. Kammen en borstels moet hij niets van hebben. Aaien en ontharen is het geheim.
Toen hij 's avonds in zijn kartonnen bakje in de vensterbank lag, snurkte hij opvallend luid. Wij wensten dit te interpreteren als een teken van dankbaarheid.
The Power of Sex
![]() |
| Donna Rotunno |
Het leukste aan het Boekenbal is de voorpret. Stel je voor dat je gaat en ga dan uiteindelijk niet, want het valt toch tegen. Dan hoef je dus ook geen kaartje te hebben. Werkt al jaren voor mij. Niet voor mijn vrouw trouwens, die neemt geen genoegen met voorpret en geen kaartje. Volgende editie eis ik t w e e kaartjes. (Zo. Dat zal ze leren.)
Met de voorpret zat het dit jaar wel goed, want ik had een etentje in Saskia's Huiskamer, gegeven door Hien (spreek uit Hie-EN) Montyn, een bevriende vertaalster. Denk een lange tafel. Hien wilde mij naast zich hebben. Ik gehoorzaamde. Aan de andere kant zat een dame met wie ik het roerend eens bleek te zijn over de voordelen van alleen wonen, hoewel ik allesbehalve alleen woon. Van Hien moesten we bij elk gerecht een andere gesprekspartner opzoeken. De acteur Yorick Zwart worstelde zich onder de tafel en kwam naast me zitten. Ik herinnerde me hem nog van vorig jaar, toen hij een monoloog hield over Jan Montyn. Al pratende kreeg ik drie ideeën voor toneelstukken. Een ervan heeft als werktitel The Power of Sex. De rechtszaak tegen Weinstein wordt overgespeeld. Dus: beklaagde, advocate (zie boven), getuige, rechter. Een rechtbankdrama over de grenzen van het betamelijke, over vrouwelijk slachtofferschap en mannelijk daderschap. Dan draait het hele toneel om. Een duistere hotelkamer. Een producent en een onwillige actrice. Hierin wordt de cruciale scene waarnaar in de rechtbank wordt verwezen, overgespeeld; we zien hoe het er in werkelijk aan toeging. De derde acte had ik nog niet, maar Yorick zat instemmend te knikken (of ik verbeeldde me dat hij instemmend zat te knikken). Ik kreeg zoveel zin om dit stuk te gaan schrijven, dat ik afscheid nam van de feestdis en in de haast mijn vrijheidshoed vergat.
Maar goed dat ik niet naar het Boekenbal was gegaan, dacht ik nog, want dan was er van mijn scheppingsdrang niets terecht gekomen. Nu ook niet, maar het gaat om het idee.
Training
Middenin een discussie met een voetbalmoeder over de vraag of voetballen in de winter nodig is om kinderen hard te maken; of het niet een beter idee is, net als bij hockey, om de winterstop te verlengen en de zomerstop in te korten, of dat mijn dochter niet moet zeuren en ook in de hagel en winterstorm op trainingen moet verschijnen, vroeg de hoofdtrainer: 'We komen een trainer te kort, wie biedt zich aan?'
Zoals gewoonlijk keek ik de andere kant op. Ik heb geen ambitie om trainer te zijn, bovendien kan ik niet voetballen. Maar als de hoofdtrainer van je dochter (6) je iets vraagt nadat diezelfde trainer diezelfde dochter na wekenlange afwezigheid wegens hagel en winterstormen opnieuw in zijn armen sluit, kun je geen nee zeggen. Trouwens, de zon schijnt en wat moet ik anders? Kletsen met voetbalouders ben ik ook niet goed in.
Ik stiefelde in mijn lange jas het kunstgrasveld op. De hoofdtrainer legde kort de oefening uit: telkens setjes van zes tot acht voetballertjes moesten mij voorbij proberen te spelen en dan proberen te scoren. Zonder keeper. Een kind doet de was, zag je hem denken.
Toen de training eenmaal op gang was – een beschamend aantal jongetjes had geen enkele moeite om mij voorbij te spelen (panna, panna! riep er eentje) – hoorde ik een voetbaloma langs de lijn steeds luider lachen. Ze schaterde het uit. Ik informeerde wat er zo grappig was.
'Ik lach niet om jou, ik lach om mijn kleinzoon. Die is half-Perzisch.' Ik was er niet gerust op.
Deep tissue
In de Chinese massagesalon werd ik geïntroduceerd aan een nieuwe, verlegen lachende masseuse, die zei dat ze Amy heette, wat ik niet geloofde; ik was ervan overtuigd dat ze die naam had aangenomen (of had gekregen) uit praktische overwegingen, maar wat deed het ertoe? Misschien moest ik mezelf ook maar eens uit praktische overwegingen Jan Lul gaan noemen, o.i.d.
Amy, een vrouw van een jaar of veertig met halflang haar, ging mij op blote voeten voor naar haar werkruimte. Haar grote teen week bij elke stap ver naar buiten, alsof hij iets probeerde vast te grijpen. 'I come from Wuhan,' zei Amy, voorzichtig.
'Really? I'm from Brabant.' Ik probeerde weer eens gevat te zijn, ik moest daar eens mee ophouden, dit zijn geen tijden voor scherts.
In mijn onderbroekje ging ik op de grote massagetafel liggen en stak mijn hoofd in het daartoe bestemde gat, dit deed me denken aan de knecht van koning Midas, die het geheim over diens ezelsoren, dat hij absoluut niet mag verklappen, probeert kwijt te raken door een kuil te graven, zijn kop erin te steken en het geheim te roepen, en die kuil dan dicht te gooien. (Deze vroege vorm van privacybewaking blijkt niet te werken.)
Toen Amy op mijn rug klom en haar elleboog in mijn monnikskapspier priemde verwonderde ik me over de alertheid van mijn zenuwen. Ik nam me voor mijn mond een uur lang te houden; Amy's beheersing van talen die ik sprak was nogal rudimentair, en ik had niets te zeggen – behalve misschien au.
Dat zei ik dus ook toen ze me op mijn rug draaide en de binnenkant van mijn bovenbenen onder handen nam en daarbij mijn linkerkniegewricht in een hoek bewoog in dewelke dat gewricht liever niet wil bewegen.
Ze begreep de hint.
Na afloop, ze zat inmiddels opgevouwen op haar voeten in een stoel in de ontvangstruimte, gaf ik haar vijf euro fooi. Ze straalde ze als een meisje dat een aai over de bol krijgt van haar vader.
Maart
Wie: Merel
Waar: De Achtertuinen, Amsterdamse Rivièra
Gehoord: 2/3, 06.00
Herhaling: onduidelijk.
De spontane solo waarmee Merel haar come back maakte, en ook de lente aankondigde, – wat prematuur mogen we zeggen, maar deze waardeloze winter kan maar beter zo snel mogelijk worden vergeten – was aan de vroege kant. Dit had zijn voordelen. Wie vroeg naar bed gaat, en wie gaat dat heden ten dage niet, moet niet verbaasd zijn dat hij ook vroeg wakker wordt. Of men zit 's avonds laat te niksen, of ligt 's ochtends vroeg te piekeren. Twaalf uur slapen is alleen weggelegd voor zuigelingen en sommige hoogbejaarden.
Nadat ik was gewend aan het idee mijn werkweek te beginnen met Merel, kon het aandachtig luisteren beginnen. Dit werd vergemakkelijkt door de totale stilte die ons leek te omgeven. Hoe het kan weet ik niet, maar er was vanochtend om zes uur niemand anders in De Achtertuinen, althans niet iemand die geluid maakte. De poezen hadden hun strooptochten opgegeven, en zich binnen toch maar weer op hun bakjes gestort; de Sint Bernhard van de buren verkeerde nog in diepe slaap en de mensen, ja, die hielden zich ook eindelijk eens allemaal koest.
Ik geloof dat het Concertgebouw wel eens ligconcerten organiseert. Het publiek ligt op bedjes of matjes en luistert met de ogen dicht toe. Deze première was beter. Gratis om te beginnen.
Merel liep haar hele onwaarschijnlijk gevarieerde repertoire af. Herhaling is niet haar ding, of alleen om kort een punt te maken. Maat- en toonsoorten gooide ze met duidelijk dédain voor klassieke ordeningen en schema's door elkaar. Haar slobberende glissando, soms van boven naar beneden en weer terug, slaagde er meermaals in een glimlach op mijn gezicht te toveren. Maar vooral ontroerde me dat ze gekomen was – voor mij, wilde ik graag geloven.
De heks
'Jullie denken dat jullie er goed vanaf komen, hè?' zei de heks. 'Vergeet het maar. Deze keer zijn jullie aan de beurt, let op mijn woorden. Het gaat jullie pakken, uitroeien, wegvagen! Het is een kwestie van tijd! Denk niet te gauw dat je wordt overgeslagen, dat het alleen anderen zal treffen, ver weg, of dat het wel mee zal vallen... Het zal niet meevallen, deze keer is het ernst! Mondiaal! Allesoverheersend! Niets en niemand ontziend!'
Wij wilden doorlopen, onder het motto negeren is beter dan pareren, maar zo gemakkelijk liet ze ons niet gaan. Met een insectensprong bewoog de heks naar haar nieuwe positie waardoor wij opnieuw nergens heen konden, maar ik moet toegeven, het was vooral wat ze zei en hoe ze het zei, dat maakte dat we als aan de grond genageld bleven staan.
'Jullie gaan sterven! Zien jullie dat dan niet! Het gebeurt recht voor je ogen, het komt steeds dichterbij en jullie doen niets! Jullie laten je als een willoos lammetje naar de slachtbank voeren. Vind je dat fijn? Dan moet je het zelf weten. Ik ga je niet redden! Je zoekt het maar uit, als jullie zo graag ten onder willen gaan, roemloos nog wel, be my guest. De groeten!'
Toen de heks eindelijk stil viel en haar armen langs haar aanzienlijke lijf liet vallen, waardoor wij verder konden, dacht ik: voor dit soort mensen woon je in de stad.
Abonneren op:
Reacties (Atom)






