25. De indringer



Ard was een boom van een vent. Een kerstboom. Het trof dat de kerstboom net in de zentuin ritueel was verbrand door Just; per saldo bleef het aantal bomen in huis dus hetzelfde, maar deze boom maakte smakkend geluid, uit dikke lippen, en bewoog zijn armen meer dan nodig. 'Ik maak me zorgen,' zei hij, toen Just hem had meegetroond naar de living en Onvlee hem niet de hand maar de pols had geschud; meer kreeg hij niet van de oude bouwmeester in zijn elektrische stoel. Ard rekende op feedback van zijn toehoorders, maar die kwam niet. Zijn toehoorders bleven de indringer glazig aankijken. 'Mijn vrouw is bij u in therapie,' zei Onvlee uiteindelijk, terwijl hij met het bedieningspookje van zijn stoel speelde. Onvlee sprak graag in korte, declaratieve zinnen, vooral als ze evidente waarheden bevatten: 'Maar ze is niet bij u.' Ard schudde zijn hoofd, keek om zich heen en zei: 'Er is een kans op zelfdoding. Een kleine kans, maar toch.' Just stond voor het raam, tuurde een zwerm vogels na. Lidwina's telefoon brandde in zijn broekzak. 'Wat bent u van plan, als ik vragen mag? Schakelt u de politie in?' Onvlee huiverde bij het woord. 'Niet meteen,' antwoordde de therapeut. 'Eerst gaan we langs voor de hand liggende plekken, die Lidwina te voet of met de fiets heeft kunnen bereiken.' Het stoorde Onvlee dat Ard, de indringer, de naam van zijn vrouw in de mond had genomen. 'Ik moet uw theorie bijstellen,' zei hij, zonder hem aan te kijken. 'Mijn vrouw fietst niet, heeft nooit gefietst, kan niet fietsen. Het enige wat we hier op loopafstand hebben is het spoor.'