18. Chaos

Charles Krafft.


Ik draai door. Het wordt me teveel. Als stevig aan de weg timmerend K.K. ben ik chaos gewend, ik kan goed met chaos omgaan, verwerk het in mijn installaties, maar de chaos van het totaal in de war geschopte appartement van de hoofdhuurder, en vooral zijn kennelijke onverschilligheid ten opzichte van die chaos, alsmede de nieuwe chaos die hij aan het aanrichten is in de slaapkamer - hij heeft Hasso van het bed afgesleept en is met hem bezig op de vloer - kan ik niet meer aan. Ik zou het liefst stilletjes de deur achter me dicht willen trekken, met achterlating van mijn spullen. Alleen mijn iPad, mijn American Express en mijn paspoort heb ik nodig, in die volgorde, ik kan overal heen waar ik maar wil, ich bin ein Hotelmensch, daar ligt het niet aan, ik ben totaal onthecht van mijn omgeving, losgezongen van iedere materie, maar de hoofdhuurder heeft de deur afgesloten, met een ingewikkelde sleutel, van binnenuit, en de muur in de tuin kom ik niet over. Die komt niemand over. Althans niet van deze kant. Iedereen heeft te stellen met de muur. De muur staat er nog en zal er altijd staan. Ik speel met het idee om met een bloedhete theepot (geen IKEA) de kamer in te lopen en deze per abuis over het hoofd van de hoofdhuurder uit te storten. Chaos met chaos bestrijden heet dat.

17. Ik moet inpakken.



'Ik weet genoeg,' zeg ik als de hoofdhuurder routineus de derde lege fles Grauburgunder over de muur heen werpt. Ik ben op een punt aanbeland dat ik niet meer weet wat ik moet geloven. Ik teken er meteen bij aan dat ik erg van dat punt houd. Niet alleen als Konzeptkünstler, ook als toeschouwer en deelnemer. Als ik weet wat ik moet geloven vind ik er niets meer aan. Dus ik houd de waarheid liever in het midden. Need to know? Neen. Need to doubt. Need to wonder. Need to fear. Maar ik dwaal af. Ik moet inpakken. Ik moet inpakken en wegwezen. Ik moet inpakken, wegwezen en nooit meer terugkomen. Maar zo makkelijk gaat dat niet, want ik krijg de indruk dat de hoofdhuurder steeds meer op me gesteld raakt. Eerst dacht ik dat ik hem kon gebruiken, nu denkt hij dat hij mij kan gebruiken. Waarvoor? Het lichaam, om te beginnen. Ik heb sterk het vermoeden dat de hoofdhuurder mij niet laat vertrekken voordat het langzaam afkoelende lichaam uit de weg is geruimd. Voor mij was Hasso een cosmetisch probleem, een hygiënisch probleem, een sanitair probleem, zo je wilt. Voor de hoofdhuurder is Hasso een existentieel probleem. Mogelijk ben ik dat daarmee voor hem ook.

16. New woman




'How are the kids?' vraag ik om het gesprek met de hoofdhuurder, we zitten inmiddels met een glas Grauburgunder in de achtertuin met uitzicht op een met graffiti – KILL KAPITALISM – besmeurde muur, een andere wending te geven. Als hij vragend terugkijkt, wijs ik op een rondslingerend stuk IKEA-speelgoed. 'The vakking kids never came,' lacht hij. 'I date new woman, with kids, I redo my apartment, to accomodate new woman and kids, then: new woman leaves, kids gone too. I never even saw them!' 'Good for you,' zeg ik, omdat ik niets beter weet te zeggen. Het is even stil. Dat is het met deze hoofdhuurder: hij laat stiltes vallen op ongebruikelijke momenten, en ik kan niet in zijn getattoeerde hoofd kijken. Hij speelt met de Glock in zijn hand, hij is gefascineerd door de Glock. Ik ben ook gefascineerd door de Glock maar hij had hem eerst. Hij was het die hem uit Hasso's vingers peuterde. De Geige liet hij zitten. 'The new woman was a violinist?' probeer ik de losse eindjes aan elkaar te knopen. Ja, ja, ze was, en is, violiste. Op het allerhoogste niveau nog wel, vandaar dat de hoofdhuurder in zijn hoedanigheid van armzalige Konzeptkünstler bij de scheiding bijzondere belangstelling toonde voor haar Stradivarius. Bij wijze van compensatie voor gemaakte kosten, zeg maar. 'But the one you used is fake,' buldert hij. 'Die Geige in Hasso's hand is made in vakking China.'

15. Blood art

Blood art by Kubrick.


Ik heb veel uit te leggen, besef ik. Maar de hoofdhuurder heeft ook veel uit te leggen. Hasso heeft nog meer uit te leggen, maar hem zijn de uitlegmogelijkheden ontnomen. Ik wil beginnen met uitleggen, maar de hoofdhuurder is mij voor met vragen stellen. Hij zegt: 'Where the vak did you get that violin?' En: 'Don't tell me that guy is really dead?' En: 'What about that blood? Is that vakking pigblood from the slaughterhouse? To create chaos in my apartment voor art's sake I don't mind, but to pour vakking pigblood in my bed is something else?' Even overweeg ik het uitleggen te laten voor wat het is, de Glock uit Hasso's hand te peuteren en de hoofdhuurder onschadelijk te maken. Maar dat zou mijn probleem alleen tijdelijk oplossen, en uiteindelijk juist nieuwe problemen opleveren. Ik kan beter proberen antwoorden op zijn vragen te formuleren waar hij mee kan leven. Dus ik zeg dat ik die viool even geleend heb, dat die vent echt dood is, dat dit blood art is – is hij daar soms niet mee bekend? – en dat ik alle stomerijkosten zal vergoeden. Even krabt hij beteuterd aan zijn kale kets. Dan zegt hij: 'And what the vak were you planning to do with the vakking body?' Zonder een moment na te denken zeg ik: 'That, my friend, is where you come in.'

14. De hoofdhuurder



Als ik honderd foto's van Hasso heb gemaakt met mijn iPad – ik doe alles met mijn iPad tegenwoordig – voel ik een vinger tikken op mijn schouder. Ik schrik me dood. Ik draai me om en kijk in het gezicht van een kleine, in het leer gehulde, kale man, met bovenop zijn schedel een tatoeage van een anarchisten-A. Dit moet de hoofdhuurder zijn. Ik heb hem nooit ontmoet. Voor het wereldwijde uitwisselingsproject van Konzeptkünstler is het niet nodig elkaar te ontmoeten. Het is misschien zelfs beter van niet. De sleutels cq. deurcodes worden discreet uitgewisseld. 'What the vak is going on here?' zegt hij in vlekkeloos Duits-Amerikaans, hetgeen hysterischer klinkt dan de uitdrukking op zijn biefstukrode gezicht doet vermoeden, want dat staat op neutraal. De hoofdhuurder kijkt als een buurman die komt vragen of de auto een stukje kan worden verplaatst. Sorry about the mess, zeg ik, I didn't know you would be back so soon. I thought I had at least another week to return your apartment to its original state... Having said that, it strikes me how extremely well organised you are. And tidy. For a conceptual artist, that is. I bet you thought my apartment was a pigsty. 'Not at all,' antwoordt hij. Zijn leren outfit kraakt als hij langs mij heen kijkt naar de dode op het bed. 'I don't know your work, but I must admit it looks intriguing.'

13. Concatenatie, geen connectie.

Spatzen.

Als ik de douche uitkom, me heb geschoren, geurtje opgedaan, aangekleed, eieren gebakken, koffie gedronken, enzovoorts enzoverder, muziekje opgezet, Gesualdo nota bene, merk ik opeens dat ik me niet meer alleen voel, of misschien moet ik het zo zeggen, opeens besef ik hoe alleen ik ben geweest in de maanden dat ik hier verblijf, eenzaam zelfs, ook al waren de Berlijners sympathiek, Berlijners zijn altijd sympathiek, dat is algemeen bekend, maar zelfs ondanks dat sympahieke, ja, welwillende Berlijn, bleef ik solitair. Ja, ik dronk cappuccino met Berlijners op de Helmholtzplatz, ja, ik dronk Riesling met ze op de Oderbergerstraße, ja, ik dronk witbier in de Wrangelstraße, alles onder toezicht van Spatzen, maar er gebeurde niets. Concatenatie, geen connectie. Maar misschien straalde ik ook te weinig uit dat ik bronstig was. Misschien straalde ik uit dat ik, Marius Mobius, Konzeptkünstler, meer dan genoeg had aan mezelf. Maar nu, met een doorboorde Hasso in de slaapkamer, voel ik me plotseling bijzonder op mijn gemak, ontvangen, thuis in deze stad, in deze IKEA modelwoning zelfs. Gezelligheid: een vreemd ding.

12. Voyeurisme

Forensics.


Het kogelgat fascineert me. Als ik Hasso's bleke hoofd – het Hitlerhaar zit nog altijd intact –  voorzichtig kantel door aan het hoofdkussen te trekken, komt de exit-wond mooi in beeld. Ik ben blij dat ik aan deze verwonding part noch deel heb. Het geeft een vreemd soort voldoening om leed dat men niet heeft berokkend te aanschouwen. Het is iets anders dan leedvermaak. Er komt geen sadisme aan te pas, geloof ik. Het is voyeurisme in de lijn van de kijkfile en het omstanderseffect. Leed is fascinerend punt. Dat het leed mijn indringer is aangedaan is een cadeautje van het noodlot. Ondertussen heb ik er wel een probleem bij, maar dat kan wachten, en trouwens, ik heb er ook een Geige bij. Nog een cadeautje. Per saldo kom ik er dus niet zo slecht vanaf, op deze vroege grijze ochtend in Berlijn. Ik heb slechtere ochtenden meegemaakt, grijzere en vroegere, hoewel waarschijnlijk niet zulke bizarre. Zelfs niet in Damascus. Net als ik mezelf wil feliciteren met de goede afloop, naar omstandigheden, voel ik mijn darmen stuipen, een vlaag die zich door mijn slokdarm omhoog pompt, maar als ik naar de WC hol, en boven de pot ga hangen, is de produktie nihil. Vals alarm. Story of my life. Eerst maar eens douchen, denk ik, aankleden, koffie drinken en daarna een foto van het lijk maken. Je weet nooit waar het goed voor is.

11. Verdammt nochmal, der Mann ist tot.

Caravaggio


Als ik om Hasso heen loop, tenminste ik denk dat hij Hasso heet want dat lees ik op het naambordje aan het kettinkje om zijn nek, dat in zijn shirt verborgen zat, bespeur ik tot mijn niet geringe schrik een niet gering gat in zijn schedel, vlak achter zijn oor. Een kogelgat. Er is een flinke stroom bloed uitgelopen, uit dat gat, dat moet wel, maar de donkerpaarse bloedstroop heeft zich subtiel een weg gebaand in de ruimte tussen het hoofdkussen en de dons naar een onzichtbare holte. Zowel geschokt als gerustgesteld kniel ik naast het bed neer. Onmiddellijk moet ik denken aan een Bijbels tafereel, waarschijnlijk Maria die neerknielt bij Jezus, een of ander 16e eeuws schilderij, maar meteen daarna dwalen mijn gedachten af naar Winston Wolf, 'I solve problems', enz. Dat ik het schot niet gehoord heb verbaast me niet zoveel. Dat is het wonder van de geluidsdemper. Dat mijn indringer een kogelgat in zijn schedel heeft en niet ik, verbaast me daarentegen behoorlijk, want hij had gedreigd dat ik de ochtend niet zou halen, en nu heeft hij zelf de ochtend niet gehaald, nota bene met de Geige die hij zocht in zijn hand. Ik leg een vinger in zijn hals. Daar zit inderdaad geen muziek meer in. En nu treft het me. Verdammt nochmal, der Mann ist tot. Opeens vind ik dat Hasso er morsdood uitziet, terwijl ik nog niet zo lang geleden dacht dat hij rustig lag te slapen. Dat is het wonder van het voortschrijdend inzicht.

10. 'Sleeping beauty.'



Liefst wil je een val zetten en in de tussentijd iets anders gaan doen, maar de mogelijkheden zijn uitgeput. Ik klink als een plaat die blijft hangen. In de badkamer valt niets meer te halen. Daarom besluit ik, als een schichtig hertje, mijn schuilplaats stilletjes te verlaten, en naakt – die ene hand die het handdoekje vasthoudt om mijn middel kan ik nu niet meer missen –, en met mijn Zahnseide in de aanslag, het IKEA-modelappartement te inspecteren. Daar ben ik gauw klaar mede, want meteen al de in het kille ochtendlicht badende slaapkamer betredend, tref ik op het ronde IKEA-bed mijn indringer aan, op zijn rug, met de ogen dicht, in zijn ene hand de Glock en in de andere de Geige. Op de grond een open vioolkoffer met strijkstok; het was mijn indringer denkelijk niet om een vertolking van zeg Khachaturian te doen. Ik sluip langzaam op het bed af en sleep met een teen de vioolkoffer naderbij. Antonio Stradivari, lees ik in de voering. 'Sleeping beauty.' Ik ben geen vioolkenner, maar noch mijn conceptuele kunst, noch die van de hoofdhuurder van dit IKEA-appartement, vermoed ik, zal in de buurt komen van de waarde van dit instrument.

8. Er moet toch, ergens, een Weib zijn?



Ik durf het licht niet aan te doen. Ik wil mijn indringer niet tegen de haren instrijken. Zou hij er bezwaar tegen hebben als ik een geurkaars aansteek? Ik waag het erop. Hoe die lucifers droog blijven weet ik niet, maar ze doen het. De geurkaars, op de badrand, verspreidt patchouli. Ik wist niet dat ik zo'n hekel had aan patchouli. Irritant ook dat ik het handdoekje om mijn middel steeds moet vasthouden, waardoor ik maar één hand vrij heb, maar dit zijn, gezien de andere irritaties waar ik vannacht mee te maken heb, irritaties van bescheiden omvang. Wo is das Weib? neem ik mij voor mijn indringer te vragen. Er moet toch, ergens, een Weib zijn? Geen intrige zonder Weib. Zelfs Adolf had zijn Eva. Ineens weet ik zeker: die Geige staat voor das Weib. Mijn indringer lijkt me geen violist, of zelfs maar geïnteresseerd in vioolmuziek. Die Geige voert hem naar das Weib, dat kan niet anders. Misschien dat ik hem kan afleiden met een afbeelding van een Weib. Ik raap Marilyn's Last Sitting nog maar eens op van de badkamervloer, houdt het bij het kaarslicht en stuit op een intrigerende foto, wat niet moeilijk is, want dit boek barst van de intrigerende foto's. Een foto die nog niet is doorboord. Misschien dat mijn indringer hier even naar wil kijken. Misschien dat dit beeld hem kalmeert.

lees verder

7. De eerste geluiden van het overhoop halen



Mijn indringer verontschuldigt zich, doet het licht uit in de badkamer, en de deur dicht. Helaas neemt hij zijn Glock mee. De kans dat hij op de iPad in de werkkamer mijn conceptuele kunst uit Damascus gaat bekijken, acht ik vrijwel nihil. De kans dat hij het hele appartement overhoop gaat halen in een poging de Geige te vinden, acht ik daarentegen vrij groot. Aan dit laatste kleeft, bedenk ik me in de complete duisternis, terwijl de eerste geluiden van het overhoop halen tot mij doordringen, een groot nadeel. Dat is dat het appartement dat ik heb betrokken in het kader van het uitwisselingsproject uitblinkt in Sauberkeit & Organisation, en daar dus binnenkort niet meer in zal uitblinken. Wie aus dem Ei gepellt, dit appartement, nooit heb ik een kunstenaarswoning betrokken dat zozeer aus dem Ei gepellt was. Het is een exacte kopie van een IKEA-modelwoning. Toen ik hier voor het eerst binnenkwam dacht ik: dit is een kunstwerk. Als kunstwerk vind ik het geslaagd. Daarna dacht ik: misschien is het behalve een kunstwerk toch ook een woning. Als woning vind ik het minder geslaagd, maar dat is subjectief, en bovendien bijzaak want over een paar dagen ga ik naar huis. Althans, dat was het plan.

lees verder

6. De ochtend niet meemaken.



Ik mag een handdoek omslaan, maar daarna word ik vriendelijk verzocht weer op de pot plaats te nemen, met de bril naar beneden; mijn indringer weigert de badkamer te verlaten. Terwijl ik een te kleine handdoek omsla houdt hij een hand voor zijn ogen, een bleke hand, met de vingers plagerig ver uit elkaar, terwijl hij met de andere hand, die waarin de gedempte Glock rust, opnieuw het schrale plekje naast zijn neusvleugel beroert. Hoe statisch kan een situatie zijn? Wie moet waar naar toe? Hoeft geen lichaam zich te verplaatsen? Als het aan mijn indringer ligt niet. Mijn indringer heeft een broertje dood aan dynamiek. 'Conceptuele kunst is geen kunst,' zegt hij, toonloos. 'En sowieso ben ik alleen geïnteresseerd in kunst als zij mij tot die Geige leidt.' Er verschijnt een lachrimpel op zijn bleke wang. 'Ik blijf hier totdat ik de Geige heb. Zonder Geige verlaat ik deze plek niet. Of,' de lachrimpel wordt dieper, 'laat ik het zo zeggen: als ik de Geige niet vind, zul jij, Marius Mobius, mit oder ohne Umlaut, er aan moeten geloven. Het is of de Geige, of Marius Mobius maakt de ochtend niet mee. Of, dat kan natuurlijk ook nog, jij brengt me naar de Geige en ik besluit dat Marius Mobius toch de ochtend niet meemaakt. Al met al zou je kunnen zeggen, dat, vanuit mijn perspectief, het aantrekkelijk is om Marius Mobius de ochtend niet mee te laten maken. Althans niet in Berlijn.'

lees verder

5. Ik verlang terug naar Damascus.



Ik maak geen grap als ik zeg dat ik Marius Mobius heet – ohne Umlaut – en dat ik hier ben in het kader van een uitwisselingsproject. Wat? Beeldend kunstenaar. Hè? Conceptueel. Het voordeel van conceptuele kunst is dat je geen vuile handen hoeft te maken, het nadeel is dat het werk soms wat snel vervliegt. Als u mij de gelegenheid geeft een handdoek om mijn middel te slaan, dan zal ik u op mijn iPad wat projecten laten zien waarmee ik mij de afgelopen maanden onledig heb gehouden... Niet in Berlijn. In Damascus. Ik verlang terug naar Damascus. Ik had gehoopt in Berlijn wat van de opwinding terug te vinden die ik in Damascus vond, maar het enige wat ik hier vind is cappuccino en kinderwagens, met in de verte, dat is waar, gedateerde graffiti, maar wie denkt met graffiti de wereld te kunnen veranderen, leeft in het stenen tijdperk. Met graffiti verander je hooguit het straatbeeld. Hoe dan ook, als u mij even alleen laat, dan zie ik u zo in de werkkamer? Wilt u zo vriendelijk zijn die gedempte Glock van u op de veiligheidsstand te zetten, voordat er ongelukken gebeuren? Ik neem u wel degelijk kwalijk dat u Marilyn's Last Sitting heeft vermink, maar niet dat u mij midden in de nacht opzoekt. Midden in de nacht is een uitgelezen tijd voor conceptuele kunst.

lees verder

4. Bitte keine Witze



Zonder iets te zeggen grist de ongenode bezoeker met het Hitler-haar opeens Marilyn's Last Sitting uit mijn schoot, waar het al die tijd heeft gelegen om mijn Glockenspiel af te dekken, houdt het boek in de lucht en schiet er met zijn Glock een gat door. Door de demper op de Glock blijft het geluid van het schot bijna onhoorbaar, een droge 'pop' - als een lamp die springt als je het licht aandoet - ; het caramboleren van de kogel daarentegen galmt als en een micro-symfonie van Stockhausen door de betegelde ruimte. De kogel die Marilyn's Last Sitting doorboorde is naar het ligbad gereist om uiteindelijk in het zwartuitgeslagen kinderspeelgoed dat daarin ligt verzameld, tot stilstand te komen. Vervolgens legt de man zijn pistool op de wastafel, waar ik in theorie bij zou kunnen, als ik half opstond van de WC-pot, en bladert door het doorboorde boek. Lijkt het maar zo of stijgt er werkelijk rook op uit de bladzijden? 'Aha.' Grinnikend slaat de man een pagina open met een foto van Marilyn, waarin het kogelgat precies samenvalt met een van haar tepels. 'Guck mal,' zegt hij, voordat hij het boek op de grond gooit. 'Zoiets kan gebeuren als je niet meewerkt. Also bitte keine Witze.'

3. Tätowierung



De man met het Hitler-haar is geenszins van plan aan de keukentafel te gaan zitten totdat ik mij toonbaar heb gemaakt. Het huidige arrangement - hij gewapend in de deurpost, ik weerloos op de WC-pot - bevalt hem uitstekend. Nadat hij vlug de stadvilla heeft doorzocht op eventuele andere bewoners, die er niet zijn, en de Geige waar hij het alsmaar over heeft, die er volgens mij ook niet is, keert hij terug naar de badkamer en begint aan mijn haar te trekken. 'Das ist Ihr Haar?' zegt hij, ongelovig. Ik laat een spotlachje ontsnappen. Het getrek aan mijn haar is eerder absurd dan pijnlijk, hoewel ik graag zou willen dat het ophoudt. Hoezo, natuurlijk is dat mijn haar, wat denkt u, zeg ik. 'Der Geiger ist ja kahlköpfig.' Mijn protest dat ik der Geiger niet ben, maakt geen indruk. De indringer gaat door mijn hoofdhaar te bestuderen, alsof hij op zoek is naar luizen. 'Warte mal, die Tätowierung...' Wat voor Tätowierung? Ik heb geen Tätowierung, afgezien van het groene puntje onder mijn oog. 'In mijn zoekopdracht staat dat der Geiger kaal is met een Tätowierung van een anarchismeteken op zijn kruin.' Ik hoest om mijn geproest te verbergen. Waarom zou iemand in vredesnaam een anarchismeteken op zijn kruin laten zetten, vraag ik me af, maar in plaats daarvan zeg ik in mijn beste middelbareschoolduits: 'Entschuldigung. U heeft de verkeerde voor zich. Ik vermoed dat u op zoek bent naar de hoofdhuurder.'

2. Die Geige



'Was machen Sie hier?' sist de ongenode bezoeker die zijn pistool, met een demper erop, zie ik nu, nog altijd op mij gericht houdt. Hij lijkt bij nader inzien helemaal niet op Horst Schimanski. Leek hij maar op Horst Schimanski. Deze man heeft een bleek, week gezicht, en blauwzwart geverfd Hitler-haar. Natuurlijk is het onterecht, en misschien zelfs flauw, om de eerste de beste Duitser die zichzelf bij je uitnodigt Hitler-haar mee te geven - tenzij hij zulk haar heeft. Dat kan ik beter aan U vragen, kaats ik terug, nog altijd vanaf de WC-pot, het boek van Bert Stern in mijn schoot, want daaronder draag ik niets. Het enige wat ik draag is Marilyn's Last Sitting. Ik ben om kwart voor vier 's nachts zelden toonbaar, om de eenvoudige reden dat ik me aan niemand hoef te tonen. 'Ich bin hier der Einzige, der die Fragen stellt,' gaat de man verder. Met de loop van zijn pistool, met de demper eigenlijk, krabt hij over een schraal plekje naast zijn neus. 'Wo ist die Geige?' Welke Geige? Ik weet van geen Geige. Luister, u dringt hier zomaar deze woning binnen, om kwart voor vier 's nachts, op een doordeweekse dag ook nog, richt een pistool met een demper op mij, en begint over een Geige. Dat kan niet. Laat me op zijn minst even afvegen en mijn handen wassen, dan praten we zodirect, aan de keukentafel verder. Doe alsof u thuis bent. Dat doet u toch al.

1.Een ongenode bezoeker



Rond kwart voor vier 's nachts, als ik me in de badkamer heb teruggetrokken met Marilyn's Last Sitting, een fascinerend boekje dat ik in de bespottelijk kleine boekenkast heb gevonden, waarin fotograaf Bert Stern beschrijft hoe hij Marilyn uit de kleren kreeg voor een shoot in het Bel-Air Hotel in 1962, dat tevens haar laatste zou zijn, hoor ik tandartsgeluiden komen uit de deur naar de gang, die op een kiertje staat. Het klinkt alsof iemand met een handzame boormachine een piepklein gaatje boort in de tuindeur uitkomend op de zitkamer. Voordat ik ook maar de gelegenheid krijg om mijn sanitaire retraîte op fatsoenlijke wijze te beeindigen, hoor ik duidelijk de tuindeur snel open en weer dicht gaan en, alweer snel, maar ook heel duidelijk, gymschoenen piepen op het laminaat. Het gebeurt snel, maar niet zo snel dat ik niet de gelegenheid heb om te denken: wat onnadenkend van een ongenode bezoeker om gymschoenen aan te trekken. Gelegenheid om de vraag te overpeinzen waarom hij die gymschoenen bij binnenkomst niet heeft uitgetrokken krijg ik echter niet, want de ongenode bezoeker trekt de badkamerdeur open, en gaat, niet ongelijk Horst Schimanski, met getrokken pistool in de deuropening staan.