9. Plaatsvervangende wensdroom




Ik meende aan de rand van het openstaande schuifdak van de Zwarte Doos een droog, warm plekje te hebben gevonden, en dommelde langzaam weg, zoals dat gaat. Ik droomde dat ik de twee mannen, die hier onder mij tegenover elkaar mysterieus zaten te brommen, dronken voerde, of op drastischer wijze van het verstand beroofde, mee naar huis lokte, en hen voor de ogen van Choque en Lavinia de kleren van het lijf scheurde. Daarna zouden mijn verzorgers hun gang kunnen gaan met dit tweetal. Het moge duidelijk zijn, dit was een wensdroom vanuit het perspectief van mijn verzorgers, niet zozeer vanuit het perspectief van de mannen, hoewel ik niet in hun hoofden kon kijken. Ik had geen idee van hun fetisjes, maar ik kon me voorstellen dat daarin voor vetzucht niet per sé een hoofdrol was weggelegd. Choque en Lavinia daarentegen zouden uitzinnig zijn. Het geschenk van de twee weerloze mannen zou hun hele bestaan kantelen. Ze zouden de mannen ervan langs geven, en wie weet wat daaruit zou kunnen voortvloeien. Met een ruk ontwaakte ik uit mijn plaatsvervangende wensdroom, toen een van de mannen, die met het slordige haar, plotseling in de tuin stond en aan een touw begon te trekken waardoor het dak van de Zwarte Doos in zijn geheel over mij heen schoof.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten