2. Ze wilde dat ik in de schuur sliep.


Het eerste wat me trof was de eeuwige wind. Het tweede de straaljagers, en het derde de aarddistel. De eeuwige wind belette me helder na te denken. De straaljagers beletten me de schoonheid van Friesland tot me door te laten dringen. De aarddistel belette me hem te plukken. Zo zou ik ook willen zijn. De weduwe woonde in een kolossale boerderij. Het was eigenlijk meer een enorme schuur, waar min of meer achteloos een klein huisje tegenaan geplakt was, zo leek het, en in dat huisje woonde de weduwe. Ze wilde dat ik in de schuur sliep. Ze had liever niet dat ik ook in dat huisje kwam liggen, en wie was ik om bezwaar te maken tegen dit eenvoudige en doeltreffende arrangement? Behalve dat de schuur tochtte, vol lag met onduidelijke troep en een unheimische sfeer ademde. Sowieso is het niet goed, denk ik, om in een te hoge ruimte te slapen. Een te lage is erger, maar bij een te hoge ruimte, zeker als het een oude schuur is, ga je je van alles inbeelden, wat er gedurende de nacht, wanneer de wind eindelijk gaat liggen, naar beneden zou kunnen komen uit die gigantische zwarte ruimte. De weduwe vond dat ik niet moest zeuren, dat ik vorstelijk werd betaald,  en dat het wel zou wennen. De eerste nacht heb ik geen oog dicht gedaan.