1. Opdracht



Het liefst had ik de Friese weduwe nul op rekest gegeven, en was ik nooit naar S. afgereisd, maar ik kon niet anders. Je kon van alles over de weduwe zeggen, maar niet dat ze niet in staat was om druk uit te oefenen. Daar was ze juist heel erg goed in. Op zo'n manier, dat het leek alsof je nog steeds alle vrijheid had om te doen en te laten wat je wilde. Heel subtiel. Zo had ik haar al een paar keer te kennen geven, meest recent de week ervoor, dat ik wilde afzien van de opdracht, dat ik haar een ander aan zou raden om deze van me over te nemen, een collega-geestschrijver, die zeer deskundig was en historisch onderlegd; niet dat het aan geestschrijvers ontbrak. Het was immers zomer, had ik haar gezegd, en in de zomer werkte ik niet. Zomers zijn niet om te werken maar om te lummelen, zelfs als er een aanzienlijk honorarium in het vooruitzicht is gesteld. Daarenboven had ik zo langzamerhand genoeg van de geestschrijverij. Het hele idee dat er elk mens een verhaal met zich meedroeg dat opgetekend diende te worden klonk sympathiek, maar was quatsch. Als er al een verhaal in iemand zat dan was dat verhaal doorgaans stomvervelend. Maar de Friese weduwe had zich niet laten vermurwen. Opdracht was opdracht. Ze wist me ook een vaag gevoel te geven dat er iets ernstigs stond te gebeuren als ik niet kwam opdagen, en wat dat ook mocht zijn, ik wilde het niet op mijn geweten hebben.