11. Obees


'Sir? Excuse me sir. Sir?' Wezenstein opende zijn ogen. Het eerste wat hij deed was angstvallig de grond om zich heen aftasten naar zijn bril, en toen hij die had gevonden, schoon had gepoetst met een eind van zijn hemd, en op het vlezige verdikkinkje van zijn neusrug had geplaatst, richtte hij zijn blik in de richting van waar het spraakgeluid vandaan kwam. Het spraakgeluid kwam uit een hoofd dat toebehoorde aan een lid van the New York Police Department, dat technisch als obees, wellicht ziekelijk obees, omschreven zou kunnen worden. 'What's the matter?' vroeg Wezenstein. 'Sorry Sir, can't sleep here. Park won't allow it.' De politie-agent deed zijn pet af, herschikte het plakkerige haar op zijn enorme schedel, en zette de pet weer op. What the, why, wilde Wezenstein uitroepen, maar hij besefte op tijd dat ieder protest zinloos was. Beter dan te protesteren tegen de autorititeiten, was het, herinnerde hij zich een van zijn weinige principes, om je over hen te amuseren. Dat scheelde je frustratie, en het leverde misschien nog iets op – in Naam van de Kunst, dan natuurlijk, en voor de kunsten moest je wat overhebben. 'Are you going to give me a ticket for falling asleep in the park,' zei Wezenstein, niet eens als vraag, meer als aanmoediging. Dat was pas wat: een politieagent die een boete gaf voor een dutje in het park. Hoe hoog zou die boete zijn? Wezenstein begon zich zo langzamerhand te verkneukelen over het idee. 'Nope,' zei agent Obees. 'Just waking sleepers up, Sir, that's all.'