Deel 15: Enfant terrible



'Now tell me good man, what exactly are you doing here?' zegt de beringbaarde kale met een zwaar Duits accent als we, ik onder Eternité's pistoolbedreiging, aan tafel zijn gaan zitten. Van de rode vloeistof die over hun kets is uitgegoten is niets meer te zien, niet in hun gezichtbeharing, zelfs niet op het revers van hun rokkostuum. De vier frotteurs ogen onberispelijk. Die met de snor draait aan een van zijn snorpunten, wat ik ook zou doen als ik een snor zou hebben, maar ik heb geen snor. 'I could ask you the same question,' zeg ik, in evenmin accentloos Engels. 'After all, I live here.' Mijn riposte schijnt bijzonder weinig indruk te maken. 'Nobody lives here,' werpt de ringbaard tegen. 'Or, should I say: anyone could live here, har-har.' Hij kijkt zijn mededisgenoten een voor een aan om bijval te oogsten. 'Tell us your name.' 'His name,' valt Eternité in voordat ik zelf kan antwoorden, in het zwaarste maar ook charmantste accent tot dusver, 'is Tristan Oleander. He is a client of mine. But he wasn't supposed to be here. He was supposed to be at QG. Mr. Oleander is being an enfant terrible.' Jammer dat Eternité ophoudt met praten, naar haar Engels zou ik eindeloos kunnen luisteren, met of zonder Bernardelli in mijn nek. 'If Mr. Oleander is being an enfant terrible, then he should be punished as such, isn't that fair to say?' Opnieuw kijkt de ringbaard de tafel rond om te zien of hij het bij het rechte eind heeft of niet. Niemand maakt bezwaar, de besnorde kale draait nu van pure opwinding aan beide snorpunten tegelijk, en knikt langzaam, alsof hij daadwerkelijk over het voorstel heeft nagedacht. 'Mr. Guchigästli,' zegt de ringbaard tegen de kale met de bakkebaarden, 'would you be so kind to play some music for the occasion?'

Steinway uit een advertentie in Harper's Weekly, Aug. 23, 1862.