Penishaar



Keurig op anderhalve meter afstand zit ik aan tafel met een groepje mensen te praten over discriminatie. Welkom bij mijn workshop De Ander, Dat Ben Ik. Het is een van mijn eerste workshops, ik moet er nog een beetje in komen.

Een van mijn stokpaardjes is dat ik denk dat iedereen wel eens is gediscrimineerd, dat ook witte mensen wel eens zijn afgeschreven op eigenschappen waar ze niets aan kunnen doen (toegegeven, dat is een nogal brede definitie). Als mensen beter begrijpen hoe het voelt om gediscrimineerd te worden, is de gedachte, begrijpen ze ook beter hoe anderen zich gediscrimineerd kunnen voelen.

Witte mensen die zich niets kunnen voorstellen bij discriminatie, – niet alleen als zender niet, maar ook niet als ontvanger –, nodig ik uit om terug te denken aan het schoolplein. Op het schoolplein wordt iedereen doorgaans genadeloos beoordeeld, ingedeeld, achtergesteld of voorgetrokken op basis van eigenschappen waar hij of zij niets aan kan doen. De meesten van ons hebben op het schoolplein wel gevoeld hoe het is om afgeserveerd te worden, of om iemand af te serveren.

En inderdaad, een van de deelnemers aan mijn workshop, een sympathieke man met rossig-blond halflang haar, vertelt desgevraagd dat hij zich herinnert hoe hij werd bejegend op het schoolplein. 'Ze maakten me uit voor rooie omdat ik peentjeshaar had.'

Ik frons mijn wenkbrauwen. 'Penishaar?'

'Peentjeshaar,' corrigeert hij me.

Ik weet niet of mijn blos zichtbaar is, misschien niet door mijn van nature rode huid, maar ik schaam me voor mijn verspreking. Verhoring eigenlijk. Ik hoorde hem niet. Wijt het maar weer aan de anderhalve meter.

'Stoplicht, zeiden ze tegen me, wanneer spring je eens op groen?'

Later liet deze man weten dat hij goddank wat gehad had aan de workshop.


De like-button


Twee verontrustende docu's achter elkaar, de ene wat verontrustender dan de andere: een aflevering van Tegenlicht, waarin de schaduwzijde van het online shoppen werd getoond (nieuwe kleren door de shredder, afgekeurde nagelnieuwe produkten in bulk naar Jordanië).

In The Social Dilemma werd duidelijk dat de mensen aan wie we de 'sociale media' (een oxymoron if there even was one) te danken hebben, zelf ook langzaam beginnen in te zien dat onze mobiele telefoonverslaving meer kapot maakt dan ons lief is.

Die tegenlicht-docu zou je eigenlijk samen moeten zien met Sorry we missed you, de vernietigende film van Ken Loach over uitwassen in de pakket-bezorgingsindustrie.

'Gratis', 'anoniem' en 'gemak' maakt kennelijk het beest in ons los. In het geval van online shoppen: gratis retourneren. De eigenares van een kleine webshop klaagde over kleren die kapot, of met de stank er nog in, worden teruggebracht met de toevoeging: 'We zien er toch maar van af.' De verkoopster zit met de gebakken peren. Van alle Europese landen stuurt Nederland de meeste pakketjes terug. Kijken kijken kopen gebruiken terugsturen is het devies.

Ik moest lachen toen Jason Rosenstein, een van de tech-nerds uit The social dilemma, trots vertelde dat hij de 'like'-button had uitgevonden op de Facebookpagina.

'Wat doet je vader?'

'Hij is nu een criticus van de sociale media, maar...'

'Maar wat?'

'Voorheen werkte hij bij Facebook.'

'Echt waar?'

'Hij heeft de like button uitgevonden.'

'Wauw. In zijn eentje?'

'Nou, hij en zijn team. Om precies te zijn is hij co-inventor van de like-button.'

Die like-button vat mooi samen wat er mis is. We dachten dat de wereld er alleen maar mooier door zou worden, aldus Rosenstein, zonder een spoor van ironie, maar het pakte anders uit.


Geachte kreunende vrouw om 23u40,

Max Walter Svanberg


U komt wat sneller ter zake dan uw voorgangster en dat is winst – tenminste, vanuit het standpunt van uw toehoorders, ik schat zo'n hemelsbreed vijf meter onder u.

Als ik me niet vergis hoorde ik u om 23u00 de trap op stampen. En de rest is geschiedenis.

Eenmaal aan het werk, breidde u er ook sneller een eind aan. Of dit de verdienste was van uw minnaar, onze bovenbuurman, laat ik even in het midden – het zal samenspel zijn geweest. Er zat een opbouw in. Ik zal niet zo ver gaan om uw gekreun als een compositie te kenschetsen, als een suite of iets dergelijks, à la Sofia Goebajdoelina of Luciano Berio, daarvoor klonk het toch wat te geïmproviseerd, wat rommelig en ad hoc, maar het ging ergens naar toe, en dat kon van uw voorgangster niet gezegd worden.

Wij zaten toch nog wel met een paar vragen.

1. Halverwege uw gekreun meenden wij het geluid van een machine te horen. Nu is onze vraag: was dit een machine in de seksueel genotsopwekkende sfeer en had u een en ander voor dit doel met vooruitziende blik medegebracht? Of was dit een poging van uw minnaar, onze bovenbuurman, om het geluid dat u produceerde als het ware te maskeren?

2. U bleef slapen. Dat weet ik, omdat ik u vanochtend laat de deur uit zag komen, in een autootje stappen en wegrijden. Met een tasje. Natuurlijk, ik redeneer hier op basis van onvolledige informatie, ik heb u niet om uw beweegredenen gevraagd, noch heb ik mijn bovenbuurman u zien uitwuiven, maar ik had u nog niet eerder ons pand zien verlaten. Nu luidt onze vraag: hoe was het? Overweegt u een reprise? Indien ja, mogen wij u dan verzoeken dit te plannen in de vroege middag, of bij u thuis, desnoods in de auto?

Onze dank is groot en lang leve de liefde,

Enz.



Ama / pro




Wat onderscheidt de amateur van de professional? En, in het verlengde hiervan: is dit onderscheid in het huidige tijdsgewricht nog relevant?

Ik stelde deze vragen nadat ik me opnieuw had laten strikken door Mark van het Bruggehuisje (het kleinste kinderverteltheater van de stad), om deel te nemen aan zijn project om poëzie te laten weerklinken (omlijst door wat levende muziek), op enkele 'pleintjes' bij mij in de buurt.

Ik was om vijf uur aan de beurt op het Meerhuizenplein. Bij aankomst, met mijn zevenjarige op sleeptouw, voelde ik toch nog plankenkoorts.

Ex-oom Louk, die aan dit plein woont, had ik ingeseind, maar hij antwoordde dat hij een afspraak had. Jammer, dan werd het dus toch weer een halve man en een paardenkop. 'De kunstenaar,' smste hij, 'is een roepende in de woestijn van steen. Wen er aan.'

Bij het openingslied 'Poëzie op pleintjes', 'meerstemmig' gezongen door Mark en twee andere amateurs, wilde ik door de grond zakken. Waarom was ik alweder bezig mijn ruiten in te gooien? Immers, het meest in het oog springende onderscheid tussen een ama en een pro is nog altijd dat de tweede betaald wordt, en de eerste alleen met aandacht; daarom zou de pro moeten bedanken voor dit soort optredens. Maar wat konden mij, zijnde TOZO'er, die valuta schelen? Ik droeg mijn twee gedichten voor – precies op het juiste moment kwam A. aanwandelen, zodat ik na afloop bij haar kon schuilen.

Een uur later werd ik verwacht op het pleintje voor de Tolbar voor de 'finale'. De mensen die nietsvermoedend op het terrasje borrelden, vluchtten niet toen zij vergast werden op PoP. Sterker, er begon daadwerkelijk een ambiance te ontstaan die enigszins deed denken aan die van een echt podium.

Een vrouw in het publiek genaamd Rogeria, die ik vagelijk ken, zei dat ze was gecharmeerd van Herfstverlangen, een gedicht dat ik waarschijnlijk niet had geschreven als Mark er niet om had gevraagd.

Misschien moest de conclusie luiden dat deze zelfbenoemde pro zich vooralsnog zonder amateurisme niet kon redden.

 

Brandend-huis droom


Ik droomde dat ik een brandend huis probeerde te ontvluchten. Het was niet zomaar een brandend huis, iemand had het aangestoken. Misschien ikzelf, dat weet ik niet zeker. Het was aangestoken, meen ik me te herinneren, met frauduleuze doeleinden, maar het ging dus mis want de brand woedde al hevig en iedereen behalve ik sliep nog, en er was geen uitweg.

Is dat het grootste inferno? Wakker worden in een brandend huis, waar je niet meer uit blijkt te kunnen ontsnappen? Samen met ten onder gaan in een schip dat langzaam zinkt terwijl jij je kamer niet uit kunt (het waterpeil stijgt langzaam totdat je met je hoofd schuin tegen het plafond zit en geen adem meer kunt halen), – die scène zit in Titanic – denk ik dat het brandend huis-scenario vrij hoog scoort.

Maar wat heeft het allemaal te betekenen?

'Als je in je droom in vlammen opgaat,' aldus Droominfo.nl, 'betekent dit dat je temperament de overhand krijgt.'

En: 'Wanneer je droomt dat je huis in brand staat, suggereert je droom dat je een verandering moet ondergaan.'

Tja. De verandering die ik graag zou willen ondergaan is die van something seller-auteur naar better seller auteur maar ik begin me zo langzamerhand af te vragen of ik hier zelf nog enige invloed op kan uitoefenen, behalve een zo goed mogelijk manuscript af te leveren.

Een interessant artikel in Nature lijkt iets te bewijzen over dromen dat elke dromer al wist: dat er geen 1 op 1 verband is tussen je dromende staat en je wakende staat, maar dat de inhoud van je droom wel iets zegt over hoe je je voelt. Zo zou mijn brandend-huis droom toch kunnen wijzen op een bepaalde mate van emotioneel tumult.

Een andere theorie stelt dat je in dit soort angstdromen oefent voor mogelijk gevaar.

Werd ik krijsend, of in elk geval met een schreeuw wakker? Nee, hoewel ik wel eens op die manier uit een nachtmerrie ben ontwaakt. Het bleef beschaafd. Ik herinner me dat ik vroeg in de ochtend wakker werd uit de brandend-huis droom, en daarna vergeefs probeerde in slaap te komen om terug te keren naar de droom en alsnog samen met mijn dierbaren te ontsnappen.


Louisville, Kentucky


Jaren geleden was ik in Louisville, Kentucky, op bezoek, uitgenodigd als NRC-correspondent, om een theaterfestival bij te wonen. Een soort Holland Festival, maar dan in Kentucky. Althans, dat was de gedachte van de organisatoren, dat moet het idee zijn geweest. Je hoort het de initiatiefnemers zeggen, tijdens de oprichtingsvergadering: 'This should put Kentucky in general on the map, and Louisville in particular.'

Hoe doe je dat, een plek op de kaart zetten? Nou, door ervoor te zorgen dat mensen die bijvoorbeeld in New York wonen, zich gaan afvragen: waar ligt dat eigenlijk, Louisville, en hoe kan ik er heen? In die tijd, zeg twintig jaar geleden, deed je dat door de media uit te nodigen. Tot de media van Nederland toe, dus. Waarschijnlijk weet de gemiddelde Kentucky'er evenveel over Nederland als... de gemiddelde Nederlander over Kentucky, maar dat was kennelijk geen bezwaar. Daar wilden ze juist verandering in brengen, net zoals het HF dat wil.

Waar ik naar toe wil, is dat ik, als buitenlandse gast, werd uitgenodigd bij een familie thuis. Een rijke familie, hoewel je dat er misschien niet meteen aan af zag. Een invloedrijke familie, moet ik misschien zeggen. Zo'n familie die al sinds jaar en dag bepaalt wat er in Louisville Kentucky gebeurt. Het was een uiterst genoeglijk diner. Geen klachten.

Was die familie zwart? Waren er zwarte acts op dat festival? Het was de organisatie gelukt Louisville op de kaart te zetten, maar niet zo goed als de politie dat nu net is gelukt.

Wat mij deed huiveren was de 'no knock'-warrant. Dit huiszoekingsbevel wil zoveel zeggen als: de politie kan waar ook, om wat voor reden ook, op welk tijdstip ook, bij wie ook binnenvallen.

Kafka in het kwadraat.

Hij is onmiddellijk afgeschaft, die warrant – te laat voor Breonna Taylor.

Zeeman o zeeman


Ik rijd door Maarssen en verbaas me, want ik ben nog nooit door Maarssen gereden, tenminste ik kan het me niet herinneren, over de witheid van de mensen op de fietsen, de scholieren die bij het stoplicht staan, de voetgangers, de mede-mobilisten, iedereen. Dubbelblank, mompel ik bij mezelf. Maar ik ben niet naar Maarssen gekomen om de raciale opbouw van de lokale bevolking van dichtbij te bestuderen.

Ik passeer verpleeghuis Snavelenburg – verpleeghuizen herken je onmiddellijk, het is moeilijk te zeggen waaraan, maar een deel van de verklaring is de steeds teleurstellende architectuur, een verpleeghuis ziet eruit zoals het er van binnen nogal eens ruikt – en vang, omdat ik mijn raampje open heb staan, een flard op van een lied dat met nogal wat volume ten gehore wordt gebracht, kennelijk buiten, met begeleiding. Ik zie niemand, maar ik hoor:

Zeeman, o zeeman/ Ga toch niet weer heen / Zeeman, o zeeman / Laat ons niet alleen

Een coronaconcert, ongetwijfeld. Ik wil stoppen om het bij te wonen. Het lied, een schlager moet het zijn, ken ik niet, maar klinkt me toch bekend in de oren.

Bij thuiskomst zoek ik het op. Zeeman o zeeman, van The Ramblers, maar natuurlijk, uit 1958. Nee, niks maar natuurlijk, ik kende dat orkest helemaal niet want het is ruimschoots voor mijn tijd. Het bestaat bijna honderd jaar. Het is het orkest van mijn ouders, maar mijn ouders heb ik er nooit over gehoord, ik moet ze er eens naar vragen.

Wie is Loesje? is een van hun all time hits.

Wie is Loesje/ Wie is toch dat snoesje? / Loesje is het meisje van de drummer van de band.

Het liedje is geïnspireerd op Liesje, dat was inderdaad de vrouw van de drummer van de band.

Onschuldig, deze muziek, in zijn eenvoud, maar misschien is het valse onschuld.

Nog iets: Snavelenburg beschikt over een crisisbed. Ik wil ook een crisisbed.


De verering van mijn voet



Ik zit in het zwembad, of meer precies bij het zwembad, naar de eeuwige zwemles van mijn dochter te kijken, of eigenlijk niet te kijken maar vooral met een vader te kletsen van een ander zwemleskind, die ook nog een zoontje voor zich op de grond heeft gezet, een mannetje van twee, Mo, en die ruikt aan mijn voet.

Hij was begonnen met aaien. Mijn blote linkervoet – schoenen en sokken moeten uit bij het zwembad – die voor zijn neus hing te bungelen (ik had mijn linkerbeen over mijn rechterbeen geslagen). Met zijn nog enigszins worstige vingers streek hij over de rug van mijn tenen, over mijn wreef, en langs mijn hiel.

'Heb je er last van,' vroeg de zwembadvader. 'Dan haal ik hem weg.'

'Helemaal niet.'

Dat ruiken is misschien toch wel enigszins vreemd. We kletsen verder. Het geval wil dat de zwemlesvader net Zalig uiteinde heeft gelezen (op mijn instigatie, dat wel) en gewag maakt van het in zijn woorden taboedoorbrekende aspect van de seksualiteit onder jongens in dat boek. Ik wil mezelf niet op de borst slaan, maar ik ken weinig niet-homo-erotische romans waarin dit soort seksualiteit een rol speelt (ik hou me aanbevolen voor titels). Tegen de zwembadvader hoor ik mezelf zeggen dat in geen van de recensies die dat boek destijds kreeg, hier ook maar een woord aan werd vuilgemaakt. Misschien kwam het omdat alle recensenten vrouwen waren. Op één na.

'Herman Brusselmans zou Zalig uiteinde recenseren, maar aangekomen bij de scene waarin de ik-persoon de tenen van een van zijn vriendjes in zijn mond neemt, wilde hij niet meer verder lezen.'

Mo is inmiddels overgegaan tot het kussen van mijn voeten. Het maakt mij niet uit wie mijn voeten kust, als ze maar worden gekust. Gek genoeg antwoordt Mo op zijn vaders vraag of hij mijn voet aan het kussen is: 'Nee. Ruiken.'

'Hij zegt graag nee,' legt de vader uit.

'Nee fase,' verbetert Mo.

Ik hoop dat hij er volgende week weer is.




Dun meisje


Terwijl N. en ik zwijgend de troostende nazomerse zonnestralen op een terrasje aan de gracht opvingen, zat, een tafeltje verderop, had ik al gezien (zijnde professioneel waarnemer, voyeur mag ook) een bleek, dun meisje. Ze had haar rugzak bij haar voeteneinde gestald. Ze had ook een laptop bij zich, maar die gebruikte ze niet. Ze lunchte. In haar eentje. Op zich al een bezienswaardigheid. Toen ze aanstalten maakte om te vertrekken en daarbij tamelijk ostentatief aarzelde, zei ik, bij gebrek aan een beter woord: 'Hallo.'

Ze zei hallo terug, maar daar bleef het niet bij. Ze deed haar verhaal. Ze was net afgestudeerd psycholoog en zat nu op de filmacademie. Een mooie combinatie leek me, bijvoorbeeld voor het maken van indringende, maar ook wetenschappelijk goed onderbouwde documentaires over het menselijk denken en gedrag, dat nooit nalaat te verbazen.

Ze stond op een tweesprong. Ze wilde naar het buitenland, maar moest ze dat ook doen? Op Amsterdam was ze uitgekeken. Geen stad waar veel creativiteit van uitging, vond ze. Niet zoals Parijs en Berlijn en zelfs Bangkok, waar ze ook langere tijd was.

In Amsterdam heeft iedereen alles al, zei ik. Succes, geld, vrienden, familie. Amsterdam is een stad voor gearriveerden. Kijk om je heen. Wie kan hier wonen? Alleen mensen die al ruimschoots geslaagd zijn. Dat is al vier eeuwen zo. Deze mensen zijn nergens meer naar op zoek. Misschien in Amsterdam Noord, zo oreerde ik verder, kun je nog iets van de scheppingsdrang en experimenteerdrift vinden die bijvoorbeeld ook Rotterdam ooit kenmerkte, en die me aan Brooklyn deed denken toen ik daar twintig jaar geleden woonde.

Het dunne meisje dacht erover naar LA te verhuizen.

Ik heb niets tegen LA, zei ik, maar dan moet je wel een auto hebben. Je kunt beter naar New York gaan.

Maar New York is toch heel duur?

Valt mee. En wat heeft een mens nodig? Minder dan je denkt.

Een goed boek, vulde N. aan. Ze glimlachte vanonder haar baseball-cap naar het dunne meisje.

In de East Village, of anders in Queens, kon je vroeger voor 5 à 10 dollar heel behoorlijk Indiaas eten, zei ik. Misschien is dat nog steeds zo.

Nou, ik denk dat ik dan maar ga, zei het dunne meisje.

Ik zou het doen. Straks ben je zo oud als wij en dan doe je niets meer, dan kun je alleen nog maar wachten op de dood.

Ze ging.


Eén meter is beter



Anderhalve meter is teveel van het goede. Ik geef toe, ik ben nogal laat tot dit inzicht gekomen, namelijk gisteravond, toen ik met A. over een compleet verlaten Van Baerlestraat liep en we op de stoep gekalkte anderhalve meter maatstaven tegenkwamen en ik zei: 'Ga jij eens aan die kant staan, dan ga ik aan deze kant staan. Eens kijken hoe die anderhalve-meter-samenleving in de praktijk uitpakt.'

A. deed voor een keer wat van haar gevraagd werd. Daar stond ze, aan gene zijde van de door de gemeente Amsterdam (veronderstel ik) aangebrachte pijlen op het trottoir, ter adstructie van de sociale distantie die we tot elkaar schijnen te moeten bewaren om gevrijwaard te blijven van besmetting.

Ze zag er goed uit, vond ik, A. Ze droeg een glitterende donkerblauwe jas, een vrij strakke spijkerbroek en grappige schoentjes. Hoewel bang voor kou, had ze het nog niet nodig gevonden om sjaals uit de kast te trekken, en mutsen en handschoenen en wat dies meer zij. Ze keek niet op haar nieuwe telefoon, want die had ze thuisgelaten.

'Kunt u me misschien de weg vertellen naar het Stedelijk Museum?'

'Wablief? Kunt u wat harder praten? Of anders gebarentaal.'

Gebarentaal ben ik slecht in, bovendien was het al laat, mijn gebaren zouden verdwijnen in de nacht. Rooksignalen zou kunnen, dat had een dramatisch effect gegeven, maar ik had niets te roken bij me. Het was allemaal academisch, want het SM was allang dicht.

'Deze afstand is toch niet te doen?'

'Het is de lengte van onze zoon. Stel je voor dat onze zoon op de grond tussen ons in ligt.'

Leuke meetlat. Conclusie van een burger: anderhalve meter is misschien weer een geval van het te goed willen doen, waardoor het tegenovergestelde wordt bereikt. Niemand, niet alleen de minister van justitie niet, gaat zich aan die anderhalve meter houden. Zeker, ik heb wel eens twee obese honden-uitlaters op leeftijd op flinke afstand met elkaar zien praten, dat zal ook wel anderhalve meter of misschien meer zijn geweest, maar verder heb ik de afgelopen maanden niemand dergelijke afstanden zien aanhouden, waar dan ook, niet in winkels en niet in restaurants, en al helemaal niet onder jongeren die op boten, in parken en waar dan ook op alle mogelijke wijzen samenklonteren.

Als we net zoals de Fransen één-meter afstand houden, zeg maar een ruime armlengte, dan heeft dit veel meer kans van slagen, niet alleen in coronatijden, maar als nieuwe maatstaf voor de Brave Nieuwe Wereld. Wel de andere kant op niesen, zingen en hoesten graag.