De vinger

Hill and Adamson: The fairy tree at Colinton

Gisteren kreeg ik de vinger van mijn zelfgehuwde vrouw. Eerder al had ik de vinger gekregen van mijn zelfverwekte kind, maar dat was niet gemeend want onderdeel van een goocheltruc: ze hield haar opgestoken hand met de rug naar me toe en zei, de vingers één voor één aflopend, 'blaadje, blaadje, boompje, blaadje, blaadje. Blaas eens.' Ik blies. Alleen het boompje bleef overeind. De vinger van de zelfgehuwde vrouw kwam op de Damstraat ter hoogte van de Pillenbrug. Heb ik eerder gezegd dat het wel meevalt met het toerisme in Amsterdam, dat we niet moeten zeuren? Toen sprak ik zeker niet over de Damstraat en toen probeerde ik zeker niet met voornoemde vrouw en kinderen die straat door te fietsen in de richting van de Dam op een zonnige zondagmiddag in november. Gisteren probeerde ik dat dus wel en kreeg ik de vinger toen ik omkeek naar mijn vrouw nadat ik had moeten stoppen omdat de stapvoets bewegende auto's ons langzaam tussen autoband en stoeprand bezig waren te vermalen. Had ik niet een rustigere route kunnen nemen, over het Rokin bijvoorbeeld? Maar had ze dan niet gezien dat het fietspad langs de Amstel naar de Munt, dat ik, komende uit de Halvemaansteeg, wilde nemen, niet meer bestond, dat dit fietspad zonder dat we waren geïnformeerd geruisloos was verdwenen in een voetpad vol toeristen? Nee, dat had ze niet gezien. Natuurlijk was hier sprake van shit, maar ik denk in zulke situaties: when shit happens, embrace shit. Zij denkt: when shit happens, blame husband. Er zijn meer mogelijkheden.

Een naar verhaal waar niemand op zit te wachten

Janos Valentiny: The beggar

Voordat ik het kantorencomplex van mijn agent betreed op de Korte Leidsedwarsstraat, word ik aangesproken door een jongeman die scheef loopt, scheel kijkt en vieze, kapotte kleren draagt.
Ik banjer al de hele middag door de binnenstad, iets wat ik iedereen kan aanraden die even niet meer weet wat hij met zichzelf aanmoet en die zich afvraagt waarom hij ook alweer in een stad als Amsterdam woont.
Dat van die  overlast van toeristen is onzin. Toeristen horen bij een stad als luizen op een kinderhoofd.
'Sir, can I ask you for some money, I haven't eaten yet, the place at the Leger des Heils didn't have the kind of food that I need.'
De jongeman houdt zijn hand open om te laten zien wat hij heeft: vijf cent. Een goede truc.
'Hoe oud ben je?'
'O, u spreekt Nederlands! Ik dacht dat u een toerist was, u ziet er zo toeristisch uit.'
'Dank je. Maar hoe oud.'
'Vijfentwintig.'
Ah, denk ik en haal mijn portemonnee tevoorschijn, die nu eens niet helemaal leeg is, – een meevaller – even overweeg ik hem €5 te geven, maar ik bedenk op tijd dat een donateur moet doneren naar draagkracht en niet naar dromenland, dus ik houd het op €2. Hij steekt het gretig in zijn zak.
'Denk je dat bedelen de toekomst heeft?'
Een deel van zijn scheve gezicht wil ja knikken, dan lijkt in een ander deel van zijn hoofd het kwartje te vallen en op de toon van een gestraft kind zegt hij: 'Nee.'
'Je zou het eens bij Oudezijds100 moeten proberen, een soort klooster op de wallen, daar kun je gratis eten en volgens mij ook slapen.'
Hij begint te stralen. Hij zou erachter aan gaan. Ik hoop niet dat ik teveel heb beloofd.
Als ik in het kantoor van mijn agent plaatsneem, hoor ik mezelf zeggen: 'Ik heb een titel voor het deel van mijn manuscript waar mijn uitgever niet doorheen komt. Een naar verhaal waar niemand op zit te wachten.'

Majesteitelijke lunch



Ik kreeg een dichtgetapete helm op mijn hoofd en werd voor de zekerheid nog even wat om mijn as gedraaid, nog altijd een vrije goede methode om mij te desoriënteren. Op geluiden kon ik ook niet meer afgaan, want door de oortjes in de helm hoorde ik alleen nog onduidelijke repeterende klanken die waarschijnlijk voor muziek moesten doorgaan. Men loodste mij de deur uit, zoveel had ik nog wel kunnen opmaken, een auto in, een voertuig moet je dan geloof ik zeggen, want het had net zo goed een bus kunnen zijn (geen koets). Volgde een rit die ik maar tot op zekere hoogte met de mentale kaarten in mijn hoofd kon volgen. Ik ben er vrijwel zeker van dat ze af en toe onlogische afslagen maakten, of zelfs rondjes reden, om mij nog verder van het pad af te krijgen. Na een uur of wat stopten we en mocht ik de helm eindelijk afzetten. De stilte was ronduit weldadig, en het licht zaligmakend. Ik was in een ruimte die heel erg op mijn huis leek, maar dit kon mijn huis niet zijn, want aan tafel zat de ZKH de koning, met naast zich HM de koningin. Ik wilde uitschreeuwen: wat doen jullie hier, ik geloof niet in overgeërfde functies, bovendien zit er een gat in mijn trui en moet ik hoognodig naar de kapper, maar in plaats daarvan schreeuwde ik niets, ik boog, ik kowtowde zelfs, heerlijk om dat ook weer eens te doen, en beleefde een opmerkelijk plezier aan het uitvoerig handkussen van HM de koningin, die helaas een lange witleren handschoenen droeg, maar dan nog. Ik meende dat ze me een goedkeurend kneepje gaf na afloop maar dat zal wel weer ingebeeld zijn. Ik mocht tussen ZKH en de HM plaatsnemen. Een lakei informeerde wat ik wilde drinken maar hij verontschuldigde zich meteen al, omdat er niet zoveel in huis was (dus het was toch mijn huis). Ik bestelde een kop rooibos, meer trek had ik ook niet. De koning, links van mij, veegde zijn lippen af, – hij had kennelijk een worteltje met hummus weten op te knabbelen, dat de lakei in de ijskast gevonden had –, en zei: 'Vertelt u eens, heer Viktor, wat houdt u dezer dagen bezig?' De geamuseerde glimlach die op zijn gezicht stond gebeiteld zal ik niet gauw vergeten.

Reader's block

Jan Jutte: Wat je niet allemaal kunt verzinnen

De aimabele receptioniste van mijn uitgeverij verzucht: 'Ik lijd denk ik aan reader's block.' Ze weet niet meer wat ze moet lezen; waar ze ook aan begint, het kan haar niet boeien. Er is ook zoveel. De stapels slinken niet, maar groeien. 'Ken je dat, Viktor, reader's block?'
Ik geloof het niet. Ik lees altijd, overal en van alles en nog wat, liefst door elkaar heen. Ik kan niet niet lezen. Ook een afwijking.
Ik kan de rust niet vinden om te lezen, zegt ze. En waar moet ik aan beginnen? Wat moet ik uitlezen, wat moet ik na zoveel pagina's laten schieten?
Wat te lezen is inderdaad een lastige vraag, om nog maar te zwijgen over wat uit te lezen.
Waarom eigenlijk lezen? Dat laat zich m.i. aldus beantwoorden: je leest om jezelf te vergeten. Selbstvergessenheit heet dat bij Thomas Mann. Tuuk, met film kan het ook, met theater, het circus en wat al niet, maar literatuur lijkt gemaakt voor dit doel, de intieme relatie tussen schrijver en lezer enzovoorts. 'Lees een klassieker,' probeer ik nog. 'En als je het echt niet meer weet, grijp dan terug naar de sprookjes van Andersen. Die doen het altijd. Daar is niet lang geleden een schitterende uitgave van verschenen, geïllustreerd door Jan Jutte en in het Nederlands vertaald door dr. Annelies van Hees.
De receptioniste zal het overwegen, keert terug naar haar telefoon.
Mijn redacteur verschijnt. Mijn uitgever. Ik ben op de uitgeverij om mijn volgende roman te bespreken. Wat blijkt? Voor het eerst in mijn schrijverscarrière krijg ik te horen dat mijn manuscript, althans een belangrijk deel ervan, niet om door te komen is.

Hond

Art and Dogs
Lavinia Fontana: Portrait of a noblewoman


'Pappa, mag ik een hond?' Mijn zesjarige zit voorop de fiets op weg naar school. 'Ik wil zo graag een hond! Toe nou, mag het?'
Ze weet dat ik haar niet nu al die hond door de neus ga boren, ze weet dat ik dat onnodig wreed vind, om die droom nu al aan diggelen te slaan, dus ze zeurt door. Ze is goed in zeuren en drammen trouwens, ik vraag me af van wie ze dat heeft (nee, dat vraag ik me niet af).
Ja, een hond, die willen we allemaal wel, maar we wonen te klein. 'We kunnen zelf nauwelijks onze kont keren in huis, laat staan met een hond erbij. Bovendien we hebben al een rode kater. En trouwens, wie gaat die hond uitlaten? Jij misschien de eerste paar keer, maar als de nieuwigheid eraf is, zijn wij de klos. Ik ben dol op wandelen, maar niet op commando.'
'En als de poes er niet meer is?'
'Ja, als de poes er niet meer is, dan is er een nieuwe situatie. Dan kunnen we het er misschien weer over hebben.'
Wacht even, suggereert mijn zesjarige hier dat we het ene huisdier alvast richting huisdierenhemel zouden kunnen dirigeren om plaats te maken voor het volgende?
Ik denk aan mijn eigen hond, die kwam toen ik zeven was en die mijn jeugd draaglijk maakte. Nee, ik ben de eerste om toe te geven dat het onthouden van een hond aan een kind grenst aan emotionele verwaarlozing, maar, nou ja, enzovoorts. Er zijn nogal veel honden, overal. Genoeg eigenlijk. En je weet nooit of er een bij zit die jouw kind doodbijt.
Die middag, alsof de God der Honden ermee speelt, zie ik op de Reguliersgracht mijn oude hond lopen, dat wil zeggen: een kopie. Ook een lichtbruin exemplaar, ook niet helemaal ras, waarschijnlijk, en ook nog in bezit van staart (die destijds nogal eens werd 'gecoupeerd'; jakkes, ik hoop dat dat dankzij de PvdD tegenwoordig verboden is).
Ik buk om te aaien. 'Leuk beestje, zo een had ik ook vroeger.'
'Ja, echt een héérlijke hond!' kraait de hondenbezitster, een vrouw van in de veertig, met wapperend haar. 'Hij komt ook bij mij in bed! Héérlijk!'
Too much information.

Dankwoord




Gisteren kreeg ik een lintje. In mijn linkerhand. Het was niet helemaal onverwacht dat ik zou worden onderscheiden wegens bewezen diensten aan de lieve stad; toch was ik verrast door het tijdstip en de vormgeving. Het was een satijnen lintje, dubbelgestrikt (kennelijk uit zorg voor wegwaaien of in verkeerde handen vallen). Ik was er blij mede, met mijn lintje, maar ik was tegelijk bedroefd omdat ik wist dat het lintje niet kon blijven, ik moest het teruggeven aan de gemeenschap, en ja, al ruimschoots voor mijn dood. Wie al te lang blijft hangen, leunen, rusten op zijn lauweren, komt niet meer vooruit en kan net zo goed meteen temidden van zes planken plaatsnemen. Dus ik wierp het lintje al fietsend over mijn schouder, fietsend door de Pijp, een toepasselijke wijk om lintjes over de schouder te werpen. Ik heb niet omgekeken, maar wel nagedacht, omdat ik altijd nadenk. Het lintje was en werd een soort luchtpost zoals luchtpost bedoeld is en ik houd erg van luchtpost, ook van flessenpost trouwens, er wordt te weinig lucht- en flessenpost verstuurd dezer dagen naar mijn bescheiden mening, we kunnen denkelijk niet meer tegen de onzekerheid, enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen, maar laat me met een vrolijke noot eindigen.

Reflecties



Ik zat precies op tijd in het nieuwe restaurant op het nieuwe plein en probeerde niets te doen. Eigenlijk was ik te vroeg, ik had nog wat rond gedraald over het plein, ik was hier nog nooit geweest. In het midden stond een kunstwerk. Vanuit de verte leek het op een samengeraapt zootje, troep die je zou verwachten bij de vuilcontainer: ijskasten, fietsen, een fauteuil, etc. Toen ik wat dichterbij kwam (het was donker), zag ik dat alle objecten in brons waren gegoten en toen ik nog wat beter keek, zag ik dat het een fontein moest zijn (want gaatjes). Ik liep om het geheel heen, nergens een bord met uitleg.
De ober die mijn jas aannam kon me ook niet verder helpen.
Hoe lang zat ik hier al aan dit tafeltje? Een paar minuten. En degene met wie ik had afgesproken had net laten weten nog een paar minuten later te komen. Was het mogelijk tien minuten niets te doen? Ja, dat was mogelijk, al dacht ik dat ik om die reden door belendende eters werd aangestaard. Waarom kijkt die man niet op zijn telefoon? Is hij niet nieuwsgierig naar wat er op zijn telefoon gebeurt? Gebeurt er niets op zijn telefoon?
Ik keek naar het wijnglas bier dat de ober mij had gegeven, ik keek naar het wijnglas in het spiegelende tafelblad, ik draaide het wijnglas om zijn as, ik draaide het andere glas, gevuld met kraanwater, om zijn as. Heel boeiende reflecties leverde dit niet op. Ineens schoot me te binnen dat ik kon googelen hoe het kunstwerk heette, ik pakte mijn telefoon, maar legde hem weer weg, want ik had me voorgenomen om niets te doen, al was het maar voor een paar minuten. Het voelde als een verlossing toen degene met wie ik had afgesproken eindelijk in mijn gezichtsveld verscheen.

Het kunstwerk (op het vernieuwde Stadionplein) is dus van Matthew Darbyshire en heet 11 Rue Simon Crubellier.