Vijfendertigste werkdag



Het eerste wat opvalt als ik de oud-bibliothecaresse kom ophalen voor het uitje naar Brummen is haar nagellak. De rose-rode verf is alweer een beetje afgesleten. Ik heb haar nog nooit met make up op gezien, en zeker niet met nagellak.
Het tweede wat opvalt is haar schoeisel: snowboots. Niet te warm? Nee, lekker juist. Heeft iemand van het zorgcentrum voor haar gekocht.
Als ik mijn hoofd recht in het gezicht van de oud-bibliothecaresse steek en met luide stem verklaar: 'Hier is de man met de hoed, maar nu zonder hoed!' lacht ze. Een goed teken. Hebben we er zin in? We hebben er zin in.
We gaan een oude vriendin opzoeken, een ruim tien jaar jongere oud-bibliothecaresse die enige jaren geleden in Brummen is neergestreken met haar man.
Waarom in Brummen, zou je je af kunnen vragen, maar als ik in Brummen ben, vraag ik me af: waarom  n i e t  in Brummen?
De jonge oud-bibliothecaresse groet de oude oud-bibliothecaresse hartelijk, maar de communicatie blijft beperkt.
De oude wordt in de grootste fauteuil geïnstalleerd maar wil meteen weer opstaan. Nu alweer weg? Dat zou wat zijn. Nee, even de benen strekken. Ze rommelt wat door het huis, achter haar rollator aan, snuffelt aan boeken en pakt een iPad op alsof het een antieke schaaltje is. Als ze alle stoelen heeft uitgeprobeerd nestelt ze zich, toch nog verrassend, als een bibberend kind dat net uit het zwembad komt, heel dicht tegen mij aan. Ik sla een arm om haar heen. 'Neem het niet persoonlijk,' zeg ik nog tegen de jonge oud-bibliothecaresse.
Ze vertelt een verhaal dat ik nog niet kende, namelijk dat de oude langgeleden in Amsterdam-West een workshop voor dakloze schrijvers verzorgde. Ze leerde daar een Britse dakloze schrijver kennen die ze in huis nam.
Niet veel later overleed hij.
Een liefde?
'Hoe heette die Britse dakloze schrijver die jij ooit in huis nam?' roep ik in het oor van de oud-bibliothecaresse naast me.
Zonder een moment na te denken zegt ze: 'James.'

Andere lijven



Behalve door het water en de warmte in de sauna, word ik getroost door de lijven die ik zie. Tenminste, als ik over de lichte schaamte voor de tentoonstelling van mijn eigen lijf heen ben. Ik  schaam me niet zozeer voor mijn buik of moobs, maar voor mijn hamer- en klokkenspel. De afmetingen. Size matters; dat zijn de genadeloze wetten der biologie. Ik had mijn badjas nog niet opgehangen of er stapt een man onder de douche met een enorme knuppel tussen zijn benen, een politieknuppel van een penis, zo een die breder wordt aan het einde. Ik wil graag geloven dat wat slap klein lijkt, in erecte staat nog wat kan worden – en omgekeerd – maar dit. Konten, ook zoiets. Als je nooit naar de sauna gaat, naar het naaktstrand of een andere plek waar naakten vrij te bezichtigen zijn, zoals bij een fotoshoot van Spencer Tunick, kun je gemakkelijk gaan geloven dat de kont van je bedgenoot maatgevend is. Maar vandaag zag ik een lege kont met een rare vouw erin, die ik nog nooit gezien had. Of er een stuk vlees uitgehaald was. Misschien was dat ook zo. Schedes: of je er nu zin in hebt of niet, in een dag sauna maak je kennis met pakweg honderd schedes, en, o God, o Schepper, o Onbewogen Beweger, hoeveel variatie hebt Gij hierin weer aangebracht! What were Thou thinking? Ik heb het nog niet over borsten gehad. Zelfs wie keurig zijn blik afwendt, zoals ik toch wel af en toe probeer te doen, ontkomt niet aan de borsten. 'Denk je dat ze echt waren,' vraagt mijn favoriete sauna-ganger, nadat we een lauwwarm bad waren ontvlucht waarin een zwaargetatoeëerde spierbundel zijn rondborstige liefje aan het opvrijen was (verboden dit, maar houd je er maar eens aan). 'Nee,' zei ik, 'daarvoor stonden ze te strak, toch? Maar, om met de verteller uit FAKE te spreken: Waren ze echt? Ze waren er.'

Geen surprise



Opa en oma willen graag de tienjarige en de zesjarige bij ons aanstaande bezoekje 'rijden'  – dat wil zeggen, een surprise voor hen maken inclusief gedicht, maar hoe dan?
'Een leeg pakje met een briefje erin gefopt,' zeg ik tegen mijn moeder aan de telefoon. 'Dat kennen ze van malle pietje van het Sinterklaasjournaal.'
Mijn moeder geeft van alles en nog wat, maar een leeg pakje zal je haar niet zien geven, ook al is het de running gag van het Sinterklaasjournaal.
Na het avondeten haalt ze twee pakjes tevoorschijn. 'Die zijn door Zwarte Piet afgeleverd,' zegt ze.
'Veegpiet zul je bedoelen,' zeg ik. 'Zwarte Piet die kennen wij niet.'
De gezichten van de kinderen lichten op. Als je een pakje laat zien aan een kind, interesseert die zich niet meer voor de herkomst van dat pakje, alleen voor de bestemming; hetzelfde effect dat gratis heeft op winkelende volwassenen.
Eerst de gedichten. De reden dat deze pakjes niet via de schoen gaan (die avond mochten ze van Dieuwertje weer worden gezet) maar nu al worden uitgepakt, is dat opa, die de gedichten schreef en benieuwd is naar hun uitwerking, niet bij de schoenpakjesonthulling kan zijn (opa is niet zo matineus). Welnu, de gedichten komen goed aan. En wat zit er in de pakjes? Een hoop snippers en als je goed zoekt een envelop met een bankbiljet.
De tienjarige is zeer opgetogen. Hij weet nu al wat hij van dat geld gaat kopen.
De zesjarige is hevig verontwaardigd. 'Dat is toch geen surprise!' roept ze uit.

Lootje

Damien Hirst: False idol

De opwinding van het lootjes trekken in het gezin, de opmaat voor dat alleraardigste Nederlandse ritueel, namelijk dat van de surprise avond, kwam bij de tienjarige helemaal binnen. Hij begreep het concept. Op school hadden ze het ook gedaan. Maar kon hij zijn geheim bewaren? Hij wel, als ik hem moest geloven, maar zijn vriendjes konden de verleiding minder goed weerstaan, of het interesseerde ze minder, en al deducerend (ziehier de pedagogische bonus) kon de tienjarige van vrijwel alle klasgenootjes voorspellen wie ze getrokken hadden.
De zesjarige had een andere, fascinerende reactie op het lootjes trekken in het gezin, namelijk stress. Het lootje – i.e. het geheim – dat ze nu droeg, samen met mij, want ik zou haar helpen met dichten en knutselen, was iets dat ze zo snel mogelijk van zich af wenste te werpen als ware het een tak op haar schouder.
Kennis is macht, zou je denken, maar daarvan is ze nog niet doordrongen. Iets weten wat de ander niet weet, iets weten wat de anderen graag zouden willen weten… het voordeel hiervan heeft ze nog onvoldoende ontdekt.
Met haar kalverliefde in de klas heeft ze wel al wat geheimen gedeeld, maar die waren van korte duur. De opwinding van het hebben van het geheim ging vrijwel gelijk op in de opwinding van het verklappen van het geheim. Ook leuk, maar anders.
Dat ik onlangs aan de eettafel een van haar kalverliefdesgeheimen verklapte beschouwde ze daarentegen duidelijk als een inbreuk op haar privacy.
Misschien moeten we van geluk spreken dat haar geheimhouding voorlopig nog niet optimaal functioneert.

Gentle reminder


Van de bladeren resteert nog een natte troep
in het verlaten parkje.

Aan de kade steekt een reusachtig skelet
dreigend in de lucht.

Maar vandaag schijnt de zon, want ik heb je gezien.
Plotseling stond je voor me, als een geestverschijning,
bij de bloemist op de hoek.

Geen gewone graffiti, maar Kunst, zoveel is zeker,
van iemand die wist waar hij (was het een zij? in mijn dromen) mede bezig was.

Jeugdig oog je, alsof je bij de pojisie zit,
lid van een katholieke knokploeg.

Ik dacht: wie weet nog wie Gerard Reve is?
Ik dacht: hoe lang ben jij al Doodt?

Lieve hemel, dat is waar ook – en het is ook zo –:
het wordt alweer tijd voor De avonden.



Sorry we missed you



Herkenbaar: de muren waar de hoofdpersoon van Sorry we missed you, de laatste film van Ken Loach, tegenaan loopt als 'zelfstandig pakketbezorger'. Rennen om je tijden te halen, dan voor dichte deuren staan, mensen die geen pakje willen aannemen voor de buren, nergens kunnen pissen, een hufterige baas, onderlinge concurrentie op depot. En de wissel die deze moderne zware fysieke arbeid trekt op, om maar iets te noemen, het gezin. De spiraal van ellende waarin alle leden van zo'n gezin terechtkomen doordat pappie en mammie (werkzaam in de thuiszorg) als verftubes worden leeggeknepen door hun veeleisende, structureel onderbetaalde werk (nog afgezien van de boetes!).
Een sociaal drama dus, een genre waarin Loach is gespecialiseerd.
Mooie scene: de vader die de puberzoon, die van school dreigt te worden getrapt, probeert over te halen zijn best te doen, want dan heeft hij tenminste kansen om er iets van te maken straks. 'Anders word je net zoals...' 'Jou?' hoont de zoon. Al eerder had de zoon hoofdschuddend kennisgenomen van vaders nieuwe bullshitjob.
De puberzoon die beter begrijpt hoe de bullshiteconomie in elkaar zit dan zijn vader.
Loach geeft ons geen troost, de spiraal wordt niet gebroken, zelfs de spaarzame muziek in de film troost niet. De humor, die gelukkig wel in de film zit, lijkt hier en daar onbedoeld.
Jammer dat Loach er een bijbelse (het boek Job comes to mind) vertelling van heeft gemaakt waarin vanaf de eerste shot duidelijk is wie goed is en wie slecht. De film was interessanter geweest als hij zijn moderne held, want dat is de pakketbezorger, iets verdorvens had meegegeven en de moderne schurk, zijn baas, iets ontroerends.
Toen Dagboek van een postbode uitkwam in 2016 sprak ik diverse film- en televisiemensen die er wat in zagen, maar toen werd het stil. Op basis van dat boek zou je een Nederlandse Sorry we missed you kunnen maken. Minder hard. Subtieler.

Andere roman

Jake Mosher

De kogel lijkt door de kerk: deze auteur maakt voor volk en vaderland, herstel uitgever en agent, een knieval voor de toegankelijkheid.
Het belangrijke deel van mijn tweeledige manuscript is bij nader inzien misschien toch niet zo belangrijk. Of: belangrijk voor de auteur, maar niet onmisbaar of 'gewoon irritant', voor de lezer.
Maar wacht, dat belangrijk deel was toch mijn roman? En dan zou nu het compendium bij die roman op zichzelf staand worden uitgegeven? Moest het niet andersom zijn? Wellicht niet, wellicht moest de roman worden geschrapt om een andere, betere roman tevoorschijn te laten komen. Want, zo heb ik me laten vertellen en ik begin er langzaam zelf ook in te geloven: dat compendium is een roman. Een bijzondere zelfs. 'Zoiets heb ik nog nooit gelezen.' Dit hoort een schrijver, behalve een zelfhatende, graag.
Nu ik langzaam wen aan mijn sterk vermagerde vorm (maar stiekem ook nog steeds in rouw ben voor het kind dat ik – zonder badwater hoop ik – heb weggegooid; of omgekeerd, ach laat ook maar), probeer ik rechtvaardigingen te vinden voor de gemaakte keuze. Zelfrechtvaardiging: de noodzakelijke bias van de homo sapiens, anders wordt hij gec.
Om een ster goed te zien moet je niet naar die ster kijken, maar net ernaast.
Less clothes is more nudity.
Toch?

De blokfluitist




Terwijl ik in een broodje haring met uitjes en zuur bijt bij Stubbe's haring, aan het begin van de Haarlemmerstraat, zie ik dat passerende toeristen of Amsterdammers - het verschil wordt kleiner - hard moeten lachen om de straatmuzikant even verderop. Er wordt druk gefilmd en gefotografeerd want dit is hilarisch, dit hebben we nog nooit gezien. Wat hebben we nog nooit gezien? Een oud mannetje met een olifantenmuts op die een witte plastic blokfluit bespeelt voor geld. Omdat hij leren handschoenen draagt kan hij geen afzonderlijke gaatjes dichten, laat staan in de buurt komen van een melodie. Daar lijkt hij ook in het geheel niet op uit: hij blijft staccato de cis spelen (die hoor je als alle gaatjes open blijven) en dan vaag met een aantal vingers tegelijk over de onderste gaatjes gaan, zodat er een soort van triller ontstaat.
Philip Glass, maar dan anders.
Ik gooi een vijftig cent munt (ik ben vrijgevig de laatste tijd) in zijn bakje maar de munt springt uit het redelijk goed gevulde bakje, landt op de tas van de blokfluitist. De blokfluitist onderbreekt zijn performance, pakt de munt.
Opgezwollen benen, zegt hij, terwijl hij de pijpen van zijn skibroek optrekt en inderdaad, zijn benen zijn opgezwollen. Allebei. Dat niet alleen, ik zie ook wonden . Binnenkort naar dokter, zegt hij. Benen omhooghouden, is het enige advies dat mij te binnen schiet. Hij knikt driftig, maar wat heeft hij eraan? Ik op straat slapen. Koud! Ja. Koud! Waar kom je vandaan? Oostenrijk. Hoe heet je? Paul. Ik weet voorlopig genoeg en wens hem het allerbeste. Het blijft een uitdaging om de mens niet te bespotten, niet te benijden en ook niet te betreuren maar te nemen als elk ander.

Respectloos



Terwijl mijn blondjes voetballen in de kille regen, zit ik in een kleine ruimte van de belendende club, die zo vriendelijk zijn kunstgrasvelden ter beschikking heeft gesteld, op een stoel te lezen. Er zitten nog meer soccer-moms in deze ruimte, die nog het meest wegheeft van een wachtkamer bij de tandarts, maar, moet ik er helaas bij vermelden (de relevantie zal straks blijken), ze zijn allemaal bruin en niet blond. Alle voetballertjes van deze club zijn bruin, terwijl de meeste voetballertjes van onze club, honderd meter verderop, blond zijn. Ik denk niet dat racisme daarvan de oorzaak is, of het moet een luie vorm van racisme zijn; soort zoekt soort. (Overigens is het wel zo, valt me op, dat een aantal fanatieke trainers bij deze club weer wit zijn, zul je net zien.)
'Wilt u alstublieft weggaan,' zegt iemand tegen mij.
Ik kijk op van mijn boek. Een bruine man van een jaar of dertig staat voor me. Hij heeft het inderdaad tegen mij. 'Waarom?'
'Dit is een privéruimte.'
Een privéruimte? En al zou het een privéruimte zijn, waarom zou dit arme voetbalvadertje dan niet mogen schuilen? Mi casa es su casa enzovoorts?
Schoorvoetend, mokkend, tsk-tsk-end, verlaat ik de ruimte – evenals trouwens een trosje witte voetbalmoeders met kleine, witte kinderen op de arm, dat niet zoals ik brutaal een stoel had uitgekozen maar zich in het halletje ophield.
Als ik buiten sta, voegt de bruine man me nog toe: 'Ik vind het respectloos, dat u niet meteen opstaat en weggaat.'
Ik kauw na op het woord 'respectloos' en dat is denk ik waar de rassenrelaties (wat een verschrikkelijk woord, maar er is geen beter) toch weer relevantie krijgen. Want tot het moment dat de man de term 'respectloos' in de mond nam, had hij net zo goed wit kunnen zijn, een witte zeikerd. Nu was het een bruine zeikerd – die het op het laatst niet kon laten de rassenkaart te trekken.
Maar dat ik daar überhaupt durfde te gaan zitten, getuigde in zijn ogen misschien wel weer van white privilege.


Seksleven

Bordspel van de Rutgersstichting

De vraag kwam onverwacht om het zacht te zeggen, als een harpoen uit de donkerte schoot hij op me af: 'Hoe is jouw seksleven?'
Ik zat ruimschoots na afloop van de herfstborrel van mijn uitgeverij in een luie fauteuil bij het nephaardvuur in de IJsbreeker min of meer per ongeluk in een huisgemaakte, in jus badende gehaktbal met Amsterdams zuur te prikken. Per ongeluk omdat ik al een keer naar huis was gegaan om halverwege terug te keren omdat ik een aldaar uitgedeelde Russische novelle was vergeten (ik keer altijd terug voor de Russische literatuur), het al laat was en mijn aanbiddelijke thuiszitter zei dat ze eten voor me had.
Ik keek de vragenstelster aan, een donkerharige vrouw van in de dertig met een scherpe neus en getatoeerde armen en een minieme, sardonische glimlach op haar gezicht, en begon uit te weiden over mijn seksleven.
Er waren nog twee andere vrouwen aanwezig: een redacteur, die ik nog nooit eerder gezien had maar met wie ik wel al buiten een gebietst sigaretje had staan paffen en een blonde vrouw met een kuiltje in haar wang, die net een contract had voor een boek over haar falen op de liefdesmarkt (waarin vast ook wel haar seksleven aan bod kwam); hoe dan ook, ze bleef verdiept in haar gebarsten telefoonschermpje.
Toen ik een stuk was gevorderd over mijn seksleven, dat toch, hoe je het ook wendt of keert, het seksleven van een getrouwde vijftiger met drie kinderen is, hoorde ik mezelf een aantal gemeenplaatsen debiteren over de verschillen tussen mannen en vrouwen. Er viel een stilte, maar geen lange, want ik oreerde alweer verder. Ik vond het een goede vraag, de vraag naar mijn seksleven, een vraag die ik niet zo vaak krijg, zeker niet in zo'n setting, maar pas toen ik naar huis fietste schoot me te binnen dat ik de vragenstelster had moeten vragen naar haar seksleven.



Turks Fruit revisited



Het eerste wat me opviel na mijn herlezing van Turks Fruit – toegegeven: long overdue – was de ongehoorde vaart van Wolkers' vertelling. Elk hoofdstuk is een lange tirade, zonder alinea-indeling, de woorden blijven komen, als mitrailleurvuur. De auteur schakelt moeiteloos heen en weer in de tijd, en dit schakelen komt niet over als een bedachte literaire constructie, maar als natuurlijke, zeer menselijke chaos, het op en neer, het rafelige patroon van een verhaal zoals je ook in de kroeg aan je buurman zou kunnen vertellen.
Na tweehonderdpagina's en nog wat is het bam! afgelopen. De kanker van de heldin, haar kaalgeschoren kop met het luikje, Wolkers besteedt er maar weinig woorden aan. Des te harder komen ze aan, denk ik. Wie durft heden ten dage nog zo beknopt te zijn? Dimitri Verhulst comes to mind.
Het uitspinnen van scenes, dat in de literatuur zo populair is, en waar ik me ook wel schuldig aan heb gemaakt – zou dat de invloed van film en televisie kunnen zijn? Wolkers raast door de handelingen, met een enorme rijkdom aan anekdotes; T.F., schijnt om die reden ook wel een parelketting van anekdotes te worden genoemd, las ik in Onno Blom's biografie. Zelden werden in een boek zo gretig moppen getapt (wie voorziet zijn literaire meesterstuk van een motto uit Kuifje?). En laten we wel wezen, moppen zijn ook heerlijk, mits goed verteld, maar nogmaals, wie durft dat nog?
'Midden in de nacht werd ik wakker van de kou en zat toen met mijn pik in haar aars.' Dat is op het randje van de geloofwaardigheid, en afgezien van Wolkers' machismo en gebrek aan zelfspot is er weinig gedateerd aan de manier waarop er in T.F. wordt 'geërotiekt'.


De vinger

Hill and Adamson: The fairy tree at Colinton

Gisteren kreeg ik de vinger van mijn zelfgehuwde vrouw. Eerder al had ik de vinger gekregen van mijn zelfverwekte kind, maar dat was niet gemeend want onderdeel van een goocheltruc: ze hield haar opgestoken hand met de rug naar me toe en zei, de vingers één voor één aflopend, 'blaadje, blaadje, boompje, blaadje, blaadje. Blaas eens.' Ik blies. Alleen het boompje bleef overeind. De vinger van de zelfgehuwde vrouw kwam op de Damstraat ter hoogte van de Pillenbrug. Heb ik eerder gezegd dat het wel meevalt met het toerisme in Amsterdam, dat we niet moeten zeuren? Toen sprak ik zeker niet over de Damstraat en toen probeerde ik zeker niet met voornoemde vrouw en kinderen die straat door te fietsen in de richting van de Dam op een zonnige zondagmiddag in november. Gisteren probeerde ik dat dus wel en kreeg ik de vinger toen ik omkeek naar mijn vrouw nadat ik had moeten stoppen omdat de stapvoets bewegende auto's ons langzaam tussen autoband en stoeprand bezig waren te vermalen. Had ik niet een rustigere route kunnen nemen, over het Rokin bijvoorbeeld? Maar had ze dan niet gezien dat het fietspad langs de Amstel naar de Munt, dat ik, komende uit de Halvemaansteeg, wilde nemen, niet meer bestond, dat dit fietspad zonder dat we waren geïnformeerd geruisloos was verdwenen in een voetpad vol toeristen? Nee, dat had ze niet gezien. Natuurlijk was hier sprake van shit, maar ik denk in zulke situaties: when shit happens, embrace shit. Zij denkt: when shit happens, blame husband. Er zijn meer mogelijkheden.

Een naar verhaal waar niemand op zit te wachten

Janos Valentiny: The beggar

Voordat ik het kantorencomplex van mijn agent betreed op de Korte Leidsedwarsstraat, word ik aangesproken door een jongeman die scheef loopt, scheel kijkt en vieze, kapotte kleren draagt.
Ik banjer al de hele middag door de binnenstad, iets wat ik iedereen kan aanraden die even niet meer weet wat hij met zichzelf aanmoet en die zich afvraagt waarom hij ook alweer in een stad als Amsterdam woont.
Dat van die  overlast van toeristen is onzin. Toeristen horen bij een stad als luizen op een kinderhoofd.
'Sir, can I ask you for some money, I haven't eaten yet, the place at the Leger des Heils didn't have the kind of food that I need.'
De jongeman houdt zijn hand open om te laten zien wat hij heeft: vijf cent. Een goede truc.
'Hoe oud ben je?'
'O, u spreekt Nederlands! Ik dacht dat u een toerist was, u ziet er zo toeristisch uit.'
'Dank je. Maar hoe oud.'
'Vijfentwintig.'
Ah, denk ik en haal mijn portemonnee tevoorschijn, die nu eens niet helemaal leeg is, – een meevaller – even overweeg ik hem €5 te geven, maar ik bedenk op tijd dat een donateur moet doneren naar draagkracht en niet naar dromenland, dus ik houd het op €2. Hij steekt het gretig in zijn zak.
'Denk je dat bedelen de toekomst heeft?'
Een deel van zijn scheve gezicht wil ja knikken, dan lijkt in een ander deel van zijn hoofd het kwartje te vallen en op de toon van een gestraft kind zegt hij: 'Nee.'
'Je zou het eens bij Oudezijds100 moeten proberen, een soort klooster op de wallen, daar kun je gratis eten en volgens mij ook slapen.'
Hij begint te stralen. Hij zou erachter aan gaan. Ik hoop niet dat ik teveel heb beloofd.
Als ik in het kantoor van mijn agent plaatsneem, hoor ik mezelf zeggen: 'Ik heb een titel voor het deel van mijn manuscript waar mijn uitgever niet doorheen komt. Een naar verhaal waar niemand op zit te wachten.'

Majesteitelijke lunch



Ik kreeg een dichtgetapete helm op mijn hoofd en werd voor de zekerheid nog even wat om mijn as gedraaid, nog altijd een vrije goede methode om mij te desoriënteren. Op geluiden kon ik ook niet meer afgaan, want door de oortjes in de helm hoorde ik alleen nog onduidelijke repeterende klanken die waarschijnlijk voor muziek moesten doorgaan. Men loodste mij de deur uit, zoveel had ik nog wel kunnen opmaken, een auto in, een voertuig moet je dan geloof ik zeggen, want het had net zo goed een bus kunnen zijn (geen koets). Volgde een rit die ik maar tot op zekere hoogte met de mentale kaarten in mijn hoofd kon volgen. Ik ben er vrijwel zeker van dat ze af en toe onlogische afslagen maakten, of zelfs rondjes reden, om mij nog verder van het pad af te krijgen. Na een uur of wat stopten we en mocht ik de helm eindelijk afzetten. De stilte was ronduit weldadig, en het licht zaligmakend. Ik was in een ruimte die heel erg op mijn huis leek, maar dit kon mijn huis niet zijn, want aan tafel zat de ZKH de koning, met naast zich HM de koningin. Ik wilde uitschreeuwen: wat doen jullie hier, ik geloof niet in overgeërfde functies, bovendien zit er een gat in mijn trui en moet ik hoognodig naar de kapper, maar in plaats daarvan schreeuwde ik niets, ik boog, ik kowtowde zelfs, heerlijk om dat ook weer eens te doen, en beleefde een opmerkelijk plezier aan het uitvoerig handkussen van HM de koningin, die helaas een lange witleren handschoenen droeg, maar dan nog. Ik meende dat ze me een goedkeurend kneepje gaf na afloop maar dat zal wel weer ingebeeld zijn. Ik mocht tussen ZKH en de HM plaatsnemen. Een lakei informeerde wat ik wilde drinken maar hij verontschuldigde zich meteen al, omdat er niet zoveel in huis was (dus het was toch mijn huis). Ik bestelde een kop rooibos, meer trek had ik ook niet. De koning, links van mij, veegde zijn lippen af, – hij had kennelijk een worteltje met hummus weten op te knabbelen, dat de lakei in de ijskast gevonden had –, en zei: 'Vertelt u eens, heer Viktor, wat houdt u dezer dagen bezig?' De geamuseerde glimlach die op zijn gezicht stond gebeiteld zal ik niet gauw vergeten.

Reader's block

Jan Jutte: Wat je niet allemaal kunt verzinnen

De aimabele receptioniste van mijn uitgeverij verzucht: 'Ik lijd denk ik aan reader's block.' Ze weet niet meer wat ze moet lezen; waar ze ook aan begint, het kan haar niet boeien. Er is ook zoveel. De stapels slinken niet, maar groeien. 'Ken je dat, Viktor, reader's block?'
Ik geloof het niet. Ik lees altijd, overal en van alles en nog wat, liefst door elkaar heen. Ik kan niet niet lezen. Ook een afwijking.
Ik kan de rust niet vinden om te lezen, zegt ze. En waar moet ik aan beginnen? Wat moet ik uitlezen, wat moet ik na zoveel pagina's laten schieten?
Wat te lezen is inderdaad een lastige vraag, om nog maar te zwijgen over wat uit te lezen.
Waarom eigenlijk lezen? Dat laat zich m.i. aldus beantwoorden: je leest om jezelf te vergeten. Selbstvergessenheit heet dat bij Thomas Mann. Tuuk, met film kan het ook, met theater, het circus en wat al niet, maar literatuur lijkt gemaakt voor dit doel, de intieme relatie tussen schrijver en lezer enzovoorts. 'Lees een klassieker,' probeer ik nog. 'En als je het echt niet meer weet, grijp dan terug naar de sprookjes van Andersen. Die doen het altijd. Daar is niet lang geleden een schitterende uitgave van verschenen, geïllustreerd door Jan Jutte en in het Nederlands vertaald door dr. Annelies van Hees.
De receptioniste zal het overwegen, keert terug naar haar telefoon.
Mijn redacteur verschijnt. Mijn uitgever. Ik ben op de uitgeverij om mijn volgende roman te bespreken. Wat blijkt? Voor het eerst in mijn schrijverscarrière krijg ik te horen dat mijn manuscript, althans een belangrijk deel ervan, niet om door te komen is.

Hond

Art and Dogs
Lavinia Fontana: Portrait of a noblewoman


'Pappa, mag ik een hond?' Mijn zesjarige zit voorop de fiets op weg naar school. 'Ik wil zo graag een hond! Toe nou, mag het?'
Ze weet dat ik haar niet nu al die hond door de neus ga boren, ze weet dat ik dat onnodig wreed vind, om die droom nu al aan diggelen te slaan, dus ze zeurt door. Ze is goed in zeuren en drammen trouwens, ik vraag me af van wie ze dat heeft (nee, dat vraag ik me niet af).
Ja, een hond, die willen we allemaal wel, maar we wonen te klein. 'We kunnen zelf nauwelijks onze kont keren in huis, laat staan met een hond erbij. Bovendien we hebben al een rode kater. En trouwens, wie gaat die hond uitlaten? Jij misschien de eerste paar keer, maar als de nieuwigheid eraf is, zijn wij de klos. Ik ben dol op wandelen, maar niet op commando.'
'En als de poes er niet meer is?'
'Ja, als de poes er niet meer is, dan is er een nieuwe situatie. Dan kunnen we het er misschien weer over hebben.'
Wacht even, suggereert mijn zesjarige hier dat we het ene huisdier alvast richting huisdierenhemel zouden kunnen dirigeren om plaats te maken voor het volgende?
Ik denk aan mijn eigen hond, die kwam toen ik zeven was en die mijn jeugd draaglijk maakte. Nee, ik ben de eerste om toe te geven dat het onthouden van een hond aan een kind grenst aan emotionele verwaarlozing, maar, nou ja, enzovoorts. Er zijn nogal veel honden, overal. Genoeg eigenlijk. En je weet nooit of er een bij zit die jouw kind doodbijt.
Die middag, alsof de God der Honden ermee speelt, zie ik op de Reguliersgracht mijn oude hond lopen, dat wil zeggen: een kopie. Ook een lichtbruin exemplaar, ook niet helemaal ras, waarschijnlijk, en ook nog in bezit van staart (die destijds nogal eens werd 'gecoupeerd'; jakkes, ik hoop dat dat dankzij de PvdD tegenwoordig verboden is).
Ik buk om te aaien. 'Leuk beestje, zo een had ik ook vroeger.'
'Ja, echt een héérlijke hond!' kraait de hondenbezitster, een vrouw van in de veertig, met wapperend haar. 'Hij komt ook bij mij in bed! Héérlijk!'
Too much information.

Dankwoord




Gisteren kreeg ik een lintje. In mijn linkerhand. Het was niet helemaal onverwacht dat ik zou worden onderscheiden wegens bewezen diensten aan de lieve stad; toch was ik verrast door het tijdstip en de vormgeving. Het was een satijnen lintje, dubbelgestrikt (kennelijk uit zorg voor wegwaaien of in verkeerde handen vallen). Ik was er blij mede, met mijn lintje, maar ik was tegelijk bedroefd omdat ik wist dat het lintje niet kon blijven, ik moest het teruggeven aan de gemeenschap, en ja, al ruimschoots voor mijn dood. Wie al te lang blijft hangen, leunen, rusten op zijn lauweren, komt niet meer vooruit en kan net zo goed meteen temidden van zes planken plaatsnemen. Dus ik wierp het lintje al fietsend over mijn schouder, fietsend door de Pijp, een toepasselijke wijk om lintjes over de schouder te werpen. Ik heb niet omgekeken, maar wel nagedacht, omdat ik altijd nadenk. Het lintje was en werd een soort luchtpost zoals luchtpost bedoeld is en ik houd erg van luchtpost, ook van flessenpost trouwens, er wordt te weinig lucht- en flessenpost verstuurd dezer dagen naar mijn bescheiden mening, we kunnen denkelijk niet meer tegen de onzekerheid, enzovoorts, enzoverder tot in de eeuwigheid amen, maar laat me met een vrolijke noot eindigen.

Reflecties



Ik zat precies op tijd in het nieuwe restaurant op het nieuwe plein en probeerde niets te doen. Eigenlijk was ik te vroeg, ik had nog wat rond gedraald over het plein, ik was hier nog nooit geweest. In het midden stond een kunstwerk. Vanuit de verte leek het op een samengeraapt zootje, troep die je zou verwachten bij de vuilcontainer: ijskasten, fietsen, een fauteuil, etc. Toen ik wat dichterbij kwam (het was donker), zag ik dat alle objecten in brons waren gegoten en toen ik nog wat beter keek, zag ik dat het een fontein moest zijn (want gaatjes). Ik liep om het geheel heen, nergens een bord met uitleg.
De ober die mijn jas aannam kon me ook niet verder helpen.
Hoe lang zat ik hier al aan dit tafeltje? Een paar minuten. En degene met wie ik had afgesproken had net laten weten nog een paar minuten later te komen. Was het mogelijk tien minuten niets te doen? Ja, dat was mogelijk, al dacht ik dat ik om die reden door belendende eters werd aangestaard. Waarom kijkt die man niet op zijn telefoon? Is hij niet nieuwsgierig naar wat er op zijn telefoon gebeurt? Gebeurt er niets op zijn telefoon?
Ik keek naar het wijnglas bier dat de ober mij had gegeven, ik keek naar het wijnglas in het spiegelende tafelblad, ik draaide het wijnglas om zijn as, ik draaide het andere glas, gevuld met kraanwater, om zijn as. Heel boeiende reflecties leverde dit niet op. Ineens schoot me te binnen dat ik kon googelen hoe het kunstwerk heette, ik pakte mijn telefoon, maar legde hem weer weg, want ik had me voorgenomen om niets te doen, al was het maar voor een paar minuten. Het voelde als een verlossing toen degene met wie ik had afgesproken eindelijk in mijn gezichtsveld verscheen.

Het kunstwerk (op het vernieuwde Stadionplein) is dus van Matthew Darbyshire en heet 11 Rue Simon Crubellier.