8. Er moet toch, ergens, een Weib zijn?



Ik durf het licht niet aan te doen. Ik wil mijn indringer niet tegen de haren instrijken. Zou hij er bezwaar tegen hebben als ik een geurkaars aansteek? Ik waag het erop. Hoe die lucifers droog blijven weet ik niet, maar ze doen het. De geurkaars, op de badrand, verspreidt patchouli. Ik wist niet dat ik zo'n hekel had aan patchouli. Irritant ook dat ik het handdoekje om mijn middel steeds moet vasthouden, waardoor ik maar één hand vrij heb, maar dit zijn, gezien de andere irritaties waar ik vannacht mee te maken heb, irritaties van bescheiden omvang. Wo is das Weib? neem ik mij voor mijn indringer te vragen. Er moet toch, ergens, een Weib zijn? Geen intrige zonder Weib. Zelfs Adolf had zijn Eva. Ineens weet ik zeker: die Geige staat voor das Weib. Mijn indringer lijkt me geen violist, of zelfs maar geïnteresseerd in vioolmuziek. Die Geige voert hem naar das Weib, dat kan niet anders. Misschien dat ik hem kan afleiden met een afbeelding van een Weib. Ik raap Marilyn's Last Sitting nog maar eens op van de badkamervloer, houdt het bij het kaarslicht en stuit op een intrigerende foto, wat niet moeilijk is, want dit boek barst van de intrigerende foto's. Een foto die nog niet is doorboord. Misschien dat mijn indringer hier even naar wil kijken. Misschien dat dit beeld hem kalmeert.

lees verder

Geen opmerkingen:

Een reactie posten