3. Tätowierung



De man met het Hitler-haar is geenszins van plan aan de keukentafel te gaan zitten totdat ik mij toonbaar heb gemaakt. Het huidige arrangement - hij gewapend in de deurpost, ik weerloos op de WC-pot - bevalt hem uitstekend. Nadat hij vlug de stadvilla heeft doorzocht op eventuele andere bewoners, die er niet zijn, en de Geige waar hij het alsmaar over heeft, die er volgens mij ook niet is, keert hij terug naar de badkamer en begint aan mijn haar te trekken. 'Das ist Ihr Haar?' zegt hij, ongelovig. Ik laat een spotlachje ontsnappen. Het getrek aan mijn haar is eerder absurd dan pijnlijk, hoewel ik graag zou willen dat het ophoudt. Hoezo, natuurlijk is dat mijn haar, wat denkt u, zeg ik. 'Der Geiger ist ja kahlköpfig.' Mijn protest dat ik der Geiger niet ben, maakt geen indruk. De indringer gaat door mijn hoofdhaar te bestuderen, alsof hij op zoek is naar luizen. 'Warte mal, die Tätowierung...' Wat voor Tätowierung? Ik heb geen Tätowierung, afgezien van het groene puntje onder mijn oog. 'In mijn zoekopdracht staat dat der Geiger kaal is met een Tätowierung van een anarchismeteken op zijn kruin.' Ik hoest om mijn geproest te verbergen. Waarom zou iemand in vredesnaam een anarchismeteken op zijn kruin laten zetten, vraag ik me af, maar in plaats daarvan zeg ik in mijn beste middelbareschoolduits: 'Entschuldigung. U heeft de verkeerde voor zich. Ik vermoed dat u op zoek bent naar de hoofdhuurder.'