17. Ik moet inpakken.



'Ik weet genoeg,' zeg ik als de hoofdhuurder routineus de derde lege fles Grauburgunder over de muur heen werpt. Ik ben op een punt aanbeland dat ik niet meer weet wat ik moet geloven. Ik teken er meteen bij aan dat ik erg van dat punt houd. Niet alleen als Konzeptkünstler, ook als toeschouwer en deelnemer. Als ik weet wat ik moet geloven vind ik er niets meer aan. Dus ik houd de waarheid liever in het midden. Need to know? Neen. Need to doubt. Need to wonder. Need to fear. Maar ik dwaal af. Ik moet inpakken. Ik moet inpakken en wegwezen. Ik moet inpakken, wegwezen en nooit meer terugkomen. Maar zo makkelijk gaat dat niet, want ik krijg de indruk dat de hoofdhuurder steeds meer op me gesteld raakt. Eerst dacht ik dat ik hem kon gebruiken, nu denkt hij dat hij mij kan gebruiken. Waarvoor? Het lichaam, om te beginnen. Ik heb sterk het vermoeden dat de hoofdhuurder mij niet laat vertrekken voordat het langzaam afkoelende lichaam uit de weg is geruimd. Voor mij was Hasso een cosmetisch probleem, een hygiënisch probleem, een sanitair probleem, zo je wilt. Voor de hoofdhuurder is Hasso een existentieel probleem. Mogelijk ben ik dat daarmee voor hem ook.