11. Verdammt nochmal, der Mann ist tot.

Caravaggio


Als ik om Hasso heen loop, tenminste ik denk dat hij Hasso heet want dat lees ik op het naambordje aan het kettinkje om zijn nek, dat in zijn shirt verborgen zat, bespeur ik tot mijn niet geringe schrik een niet gering gat in zijn schedel, vlak achter zijn oor. Een kogelgat. Er is een flinke stroom bloed uitgelopen, uit dat gat, dat moet wel, maar de donkerpaarse bloedstroop heeft zich subtiel een weg gebaand in de ruimte tussen het hoofdkussen en de dons naar een onzichtbare holte. Zowel geschokt als gerustgesteld kniel ik naast het bed neer. Onmiddellijk moet ik denken aan een Bijbels tafereel, waarschijnlijk Maria die neerknielt bij Jezus, een of ander 16e eeuws schilderij, maar meteen daarna dwalen mijn gedachten af naar Winston Wolf, 'I solve problems', enz. Dat ik het schot niet gehoord heb verbaast me niet zoveel. Dat is het wonder van de geluidsdemper. Dat mijn indringer een kogelgat in zijn schedel heeft en niet ik, verbaast me daarentegen behoorlijk, want hij had gedreigd dat ik de ochtend niet zou halen, en nu heeft hij zelf de ochtend niet gehaald, nota bene met de Geige die hij zocht in zijn hand. Ik leg een vinger in zijn hals. Daar zit inderdaad geen muziek meer in. En nu treft het me. Verdammt nochmal, der Mann ist tot. Opeens vind ik dat Hasso er morsdood uitziet, terwijl ik nog niet zo lang geleden dacht dat hij rustig lag te slapen. Dat is het wonder van het voortschrijdend inzicht.