3. Glanskapitalisme


Radek Z. stopte onderweg naar Parizska een losse zwerfkei in zijn zak, voor het geval Jitka niet de life coach zou blijken te zijn die ze beweerde te zijn, maar, bijvoorbeeld, een Roemeen met bepaalde bedoelingen. Het zou niet de eerste keer zijn dat Radek Z. door Roemenen met bepaalde bedoelingen een rad voor ogen werd gedraaid. Radek Z. wreef over zijn buik, hij had nog niet gegeten. Bijna iedere dag at hij bramboracka in een bierlokaal in Zizkov, dat geen naam nodig had, omdat men het zonder naam ook wel wist te vinden. De bramboracka die dit lokaal serveerde (tegen betaling van vijftig kronen) was zo machtig dat elke eetlust na één of twee borden compleet wegstierf, en Radek Z. zelfs even languit op de vloer moest gaan liggen om de aardappelsoep volledig tot zijn recht te laten komen. Toen hij op Parizska aankwam werd hij zoals altijd weer getroffen door de rijkdom die over dit deel van de stad was neergedaald – de stad die zijn rijkdom eerst aan de nazi's en daarna aan de communisten af had moeten staan. Ooit was Josefov een Joods ghetto, bestaande uit driehonderd pauperhuisjes, die aan het eind van de 19e eeuw moesten plaatsmaken voor imposante herenhuizen in Parijse stijl, vandaar Parizska. Nu vierde het glanskapitalisme er hoogtij. Jitka bleek boven een vestiging van een hel verlichte winkel met halfnaakte etalagepoppen te wonen. Radek Z. belde aan en fatsoeneerde zijn dreadlocks in de weerspiegeling van het glas. 'Dat moet de bedelaar zijn,' klonk een opgewekte vrouwenstem door de intercom. 'Jawel,' antwoordde Radek Z. 'Dat wil zeggen.... dat ik mezelf liever als fondsenwerver zie.' De vrouw lachte een uitbundige lach. 'Wat ik zie is een mislukkeling. Maar kom maar gauw naar boven, anders word je gearresteerd.'