Troostborrel



Op de troostborrel van De Parade, in de Tolhuistuin, zat ik in mijn eentje aan een tafeltje voor twee. Her en der waren groepjes Parade-oudgedienden diep in gesprek. Wat deed ik hier? Het makkelijkste antwoord zou zijn: niets. Elders zou ik ook niets doen. Jazeker, ik zou dit jaar debuteren als liefdes- en haatbrievenschrijver op bestelling, maar dat werd kortgesloten door een wet market (het woord alleen al) in Wuhan. Deo volente, insjallah en b'ezrat hashem wordt het programma doorgezet naar 2021, dus troost is niet op zijn plaats (een borrel daarentegen vrijwel altijd). Ik begon aan mijn tweede blikje. Nog steeds had niemand de behoefte gevoeld zich bij mij te komen invechten. Ik ontdekte een andere Parade-noviet in Lucky Fonz III, die ik vagelijk 'ken'. Hij hanteerde een tegenovergestelde strategie. Hij zwierf door de tuin, rugzakje op de rug, en hoopte, net als ik, op aanspraak. Toen hij op mijn tafeltje af scheen te zwerven, werd in mijn geest dat eigenaardige mechaniek in werking gesteld om een taalhandeling te verrichten. Ik begon dus in zijn richting zijn naam uit te spreken, maar precies op dat moment (of was het een fractie later?), sprak hij zelf een groepje aan een belendend tafeltje aan, en was ik weer alleen. Niet getreurd, want ik ben graag alleen, alleen wordt de vraag wat men 'dan' onder de mensen doet iets pregnanter. Alleen drinken kun je overal, lukt zonder mensen erbij zelfs beter. Zou er een (sub)cultuur bestaan, vroeg ik mij af, waar het cool gevonden wordt om geen aansluiting te vinden bij 'de rest'? Waar je status ontleent aan je gebrek aan connecties? Dan zou ik graag tot die cultuur willen behoren – of nee, laat maar. De kwestie was inmiddels ook academisch geworden omdat ik in gesprek was geraakt met een hoogblonde, kortgerokte vrouw met felrood gelakte nagels (het zal niet waar zijn), die bovendien in het bezit was van staalblauwe ogen, heel lichte sproeten hoog op het voorhoofd en een ontwapenende manier van doen. Daphne Gakes heette ze. Theatermaakster. Onlangs gedebuteerd bij Mai Spijkers (aardige man, maar ze doen niets voor je, niets!). Ze had allerlei ideeën om mijn 'show' (ik wist niet dat ik een show kon hebben) minder arbeidsintensief en dus lucratiever te maken. Als ik me niet vergis heb ik haar het idee aan de hand gedaan te publiceren onder (mannelijk) pseudoniem. Niets revolutionairs, maar je moet er wel op komen. En dan bij voorkeur niet Jan Cremer. Hoewel...