Mijn postbode †



In de krant stuit ik op een overlijdensadvertentie van een postbode geplaatst door PostNL. Een overlijdensadvertentie van een postbode, geplaatst door PostNL? Jawel. De postbode heet Ron Kleine. Maar wacht eens even, is dat dezelfde Ron die jarenlang bij mij de post bezorgde? Navraag bij een oud-collega leert dat dit inderdaad dezelfde Ron was. Hij was hem tegengekomen op de oncologie-afdeling van het AMC, waar hij een chemokuur zou beginnen. 'Dat heeft dus geen goed resultaat opgeleverd.'
Ik bleef altijd een beetje bang voor Ron en niet alleen omdat hij op zijn kale achterhoofd een tatoeage van een oog had laten zetten. Sommige mensen jagen schrik aan. Daar kunnen zij nix aan doen, denk ik, maar de hebber van de schrik 'dus' ook niet. Ondertussen is Ron Kleine wel dood, dus mijn gedachten gaan uit naar hem en zijn nabestaanden.
Ron bracht soms opvallend laat de post rond, maar goed, hij bracht wel de post rond. Hij had ook eigenzinnige leiderschapskwaliteiten, maar die heb ik alleen van horen zeggen.
Er komt een anekdote bij me naar boven, ook beschreven in Dagboek van een postbode (pag 75), namelijk dat Ron tijdens een KNJ-werkoverleg voorstelde om een mijnlamp te dragen tijdens het werk. Handig, want dan kun je in de donkere dagen tenminste zien wat je aan het doen bent, vooral ook in portieken en dergelijke. Toen vond ik dat voorstel nogal zot, maar zo zot was het eigenlijk niet. Mijn zoontje heeft inmiddels ook zo'n ding en ik sluit niet uit dat ik hem gebruikt zou hebben, als PostNL mij niet, zoals dat heet, had laten gaan.

De Koerdische zaak in Brooklyn




Bij mij om de hoek in Prospect Heights, Brooklyn, had je het Kurdistan Information Centre. Ik liep er wel eens naar binnen. In de donkere benedenverdieping van een brownstone had een praatgraag, geestig, van de hak op de tak springend weduwtje, Vera Beaudin Saeedpour heette ze, alle mogelijke boeken, tijdschriften, brieven, artikelen, foto's en andere artefacten van en over het Koerdische volk bijeengebracht. Die werden haar, zei ze, uit alle delen der Koerdische diaspora toegestuurd. Ik meen me te herinneren dat er in de volgestampte kamer ook nog een sabel hing, en een fez, maar die details heeft mijn brein er mogelijk bij verzonnen (waarschijnlijk dragen Koerden helemaal geen fez, beschouwen ze dat als een affront, en gebruiken ze geen sabels maar degens of weet ik wat).
Ze publiceerde ook twee wetenschappelijke tijdschriften.
Vera was een kleine vrouw die van grote beweringen hield. Haar KIC was uiteraard het belangrijkste in zijn soort ter wereld. Het Koerdische volk was het nobelste volk was dat ooit leefde. Ik kon dat allemaal niet controleren; ik kende geen Koerden (nu, dankzij de heerlijke immigratiegolf van 2015, heb ik een Koerdische kapper, en ik moet zeggen die is behoorlijk nobel).
Vera Beaudin Saeedpour was getrouwd met een Koerd en had bij de dood van haar man in de tachtiger jaren van de vorige eeuw beloofd zich vanuit Brooklyn in te zetten voor de Koerdische zaak.
Ik lees op Wp dat Vera in 2010 is gestorven en dat haar bibliotheek niet bij het grofvuil is gezet maar een plek heeft gevonden bij een Amerikaanse universiteit.
Als ik aan haar terugdenk, hoor ik haar fulmineren tegen Trump.

Gele doekjes



Met mijn zesjarige dochter draag ik mijn steentje bij aan de participatiemaatschappij door bij de buurvrouw op driehoog, herstellende van een heupoperatie, een kijkje te gaan nemen.
We bellen aan en jawel, na lang wachten verschijnt er een verfrommeld hoofd uit het raam. Ze is schrikbarend mager geworden.
'Ja?'
'We vroegen ons af,' roep ik door de toeter van mijn handen naar boven, 'of we even op ziekenbezoek mogen komen. Want we hebben je al zolang niet meer buiten gezien.'
'Wat?'
Ik herhaal onze missie.
Hoewel we haar wakker hebben gebeld, het is twee uur in de middag, zijn we welkom; sterker, als het haar daagt wat de bedoeling is, gaan alle deuren open. We nestelen ons op de bank van haar warmgestookte, verduisterde woning. Aan de muur foto's van hunks die haar zoon of zelfs kleinzoon zouden kunnen zijn geweest.
'Ik zie eruit als een oude heks.' Ze trekt aan haar rommelige, uitgelopen roodgeverfde haar, en inderdaad, in haar slaapshirt, en met haar ingevallen wangen, is de overeenkomst treffend, maar ik probeer, ook voor mijn dochter, de zonnige zijde te beschijnen en zeg: 'Als een oude fee.'
'Feeks!' maakt ze er onmiddellijk van.
Onderaan de achterkant van haar slaapshirt zit een natte plek. 'Ik ben incontinent,' zegt ze.
'Ik zie het. Misschien een nieuw verbandje?'
Ze gaat naar achter, even later verschijnt ze aangekleed en wel. 'Ik ben een nachtvlinder. Ik ga pas om 4 uur 's nachts naar bed. Ik kijk veel televisie. Ik heb geen pijn maar ben wel veel alleen.'
Met een geel doekje dept ze het plasje bij de bank op. 'Ik moet nieuwe gele doekjes hebben,' zegt ze.
Ik beloof die voor haar te halen. Dat is het minste wat een buurman kan doen.

Laatste sacrament

Matthew Teter: Olive oil and egg

'Maar ik ben oud hoor!' verzucht mijn moeder weer eens als ik gezellig bij mijn ouders op de bank zit.
'Hou daar toch eens mee op,' zeg ik. 'Niets wijst erop dat jij oud bent. Pa is oud en die hoor je er nooit over.'
'Nee, waarom zou ik,' zegt mijn vader.
Mijn moeder denkt cq. hoopt dat ze heel oud wordt. Dat zou wel eens kunnen. 'Ik heb iedereen overleefd,' zegt ze dikwijls, niet zonder trots, maar ze is de eerste om toe te geven dat dit ook zo zijn nadelen heeft.
'Willen jullie op jullie sterfbed bij wijze van laatste sacrament het heilig oliesel ontvangen?'
Geen gekke vraag dacht ik, voor zich noemende katholieken in de herfst van hun leven.
Mijn moeder kijkt dromerig voor zich uit. 'Ik vind het wel een mooi ritueel.' Ze was erbij toen haar beste vriendin het heilig oliesel ontving: de pastoor kwam, sprak enige gebedsteksten uit en bracht olie aan op het voorhoofd van de stervende.
'Slaolie?' wil mijn vader weten.
'Hè wat flauw,' zegt mijn moeder.
Ik lees op Wikipedia dat in het recept voor het heilig oliesel uit de Bijbel (Exodus, nota bene) als ingrediënt olijfolie wordt genoemd.
Ik lees ook, mijn moeder wist het al, dat het heilig oliesel, tevens als ziekenzalving wordt gebruikt.
'O,' zegt mijn vader, 'dus je krijgt die olie als je ziek bent. Word je beter, dan was het een zalving; ga je dood, dan was er sprake van het laatste sacrament. Twee vliegen in een klap.'
Pa is goed op dreef vanavond.

Sightseeing met extinctie

Bedreigd met extinctie: Ili Pika

Als we ons hebben geïnstalleerd in de taxi die ons van de Keizersgracht naar de St. Antoniebreestraat moet brengen, – pakweg 1400 stappen, ofwel een kwartiertje lopen –, begint de chauffeur zichzelf onmiddellijk te verontschuldigen voor de omweg die hij gaat maken: 'Stadshouderskade is dicht.' Een eerdere passagier, vertelt hij, ging uit zijn plaat vanwege de onhandige route. 'Ik heb de centrale moeten bellen om hem uit te leggen dat het niet anders kon.'
N. en ik hebben vooralsnog geen reden om de navigatiekunst van onze chauffeur te betwijfelen, dus we laten ons de vertraging zonder mokken aanleunen. Een taxi die omrijdt door Amsterdam is geen straf, dat is sightseeing.
Wat blijkt, de Stadhouderskade is gestremd bij het Rijks wegens een demonstratie voor het klimaat en tegen extinctie. Komende vanuit de Spiegelgracht zien we niets van de demonstratie maar alles van de pojisiebusjes, pojisie-motoren en welke pojisie dies meer zij om de demonstranten in toom te houden.
'Aan hoeveel demonstraties heb jij in je leven deelgenomen,' zeg ik tegen N., 'nul?'
'Daaromtrent.'
Ik één, de Grote Vredesdemonstratie van 1981. Vanuit de achtergebleven gebieden ging ik daar met mijn moeder heen, ook een vorm van sightseeing.
Twintig minuten later en twintig euro's lichter zijn we op de St Antoniebreestraat.
Ik vraag me af hoeveel extra uitstoot deze omweg heeft veroorzaakt en welke dieren, if any, hierdoor nog iets sneller richting hun extinctie zijn gedirigeerd.

Kunstinstallatie




Twee meisjes zitten bovenop een tot de rand toe gevulde container en wroeten in de troep. Waarom? Dat gaat me niks aan. Maar ik zeg toch: doen jullie voorzichtig, want er zitten planken bij met spijkers er nog in, en andere scherpe objecten.
Wie een dochter heeft, ziet overal dochters.
Gaat goed hoor, roepen ze. Maakt u zich geen zorgen.
Mooi, denk ik. Meisjes in de weer met bouwmaterialen. Beter dan met roze eenhoorns of die eeuwige paarden.
Als ik even later langs het parkje loop zie ik dat de twee meisjes in een boom zijn geklommen, vrij hoog, waar ze drukdoende zijn planken op takken te bevestigen, en andere spullen die ze uit de container hebben gevist.
Ik wil me ermee bemoeien maar houd voor deze ene keer mijn mond. Wat weet ik nu helemaal?
Een dag later kan ik het resultaat van de handarbeid van de meisjes bewonderen: twee scheve planken in de lucht, een zwarte cement-emmer die aan een touw bungelt en een onduidelijke plaat die waarschijnlijk eerder al naar beneden is gekukeld.
Van de meisjes is geen spoor meer te bekennen.

Toespraak tot de dieren