De neus



Nog zat ik niet aan tafel, het was op een verjaardag of ik voelde een neus in mijn kruis. Het is lang geleden dat ik een neus in mijn kruis voelde, met kleren aan. Het was een doortastende neus, een neus die zich niet liet negeren, een neus die op zoek was naar iets, maar wat dat was, wist de neus alleen.
Ik bracht mijn hand naar mijn kruis en duwde de neus uit mijn kruis. Ook dat was een noviteit, doorgaans wanneer ik een neus in mijn kruis bespeur is niet mijn eerste respons om die neus daar weg te halen.
De neus werd kennelijk afgeleid, in mijn kruis gebeurde te weinig, hij vond elders organen, lichaamsdelen of andere entiteiten om in te neuzen. Ik werd met rust gelaten. Maar niet voor lang, want toen het voorgerecht werd geserveerd, was de neus weer terug. Met hernieuwde kracht liet de neus zich kennen in mijn weke delen. Wat wilde de neus? Een snufje van dit? Een vleugje van dat? De neus liet zich er niet over uit, anders dan door te snuiven, te snuffelen en te sniffen.
Toen de neus zich voor de derde keer meldde, bij het toetje, dacht ik: genoeg is genoeg, ik zit hier te eten, ik ben op een verjaardag en niet die van mijn prostaat. Ik kneep mijn knieën bij elkaar niet ongelijk een reusachtige tang (reusachtig voor de neus) waarin de neus klem kwam te zitten. De neus was verrast, dit had hij niet verwacht. Alleen, het probleem was zoals zo vaak niet zozeer opgelost als wel verplaatst. De neus was succesvol gefixeerd inderdaad, hij kon niet meer naar me toe komen, maar hij kon ook niet meer weg.
Ik moest met de neus leren leven.

Piep-piep-kreun




Het zwembad was helemaal leeg, op één oude man na, die keurige baantjes trok, of nou ja, keurige baantjes, vooral wanneer hij een soortement rugslag probeerde, hetgeen eruit zag als een pasgeboren kuiken dat probeerde te vliegen, wilde hij nog wel eens flink uit koers raken. Het zwembad was groot, of nou ja, voor ons tweeën zeker; we wisten elkaar te ontwijken. Zodra ik zag dat de oude man, ik schatte hem tegen de honderd, weer in de rugslagstand ging, wist ik dat ik niet ook in de rugslagstand moest gaan. Zijn hoekige, uitdrukkingsloze hoofd, dat me aan dat van Brezjnev deed denken, zag er onverwoestbaar uit.
Ik dacht: die oude man is zo klaar, dan heb ik het zwembad voor mezelf.
Nooit had ik het zozeer bij het verkeerde eind. De oude man was absoluut niet van zins eerder klaar te zijn met zwemmen, hij was absoluut niet van plan om zich eerder uit het water te hijsen dan ik, hij zou het langer volhouden dan ik, ook al deed hij net of hij mij niet zag.
Ik dacht, ik ga een tandje lager, ik spaar mijn krachten. Ik zal hem in de lengte verslaan.
De oude man begon te neuriën, of piepend kreunen was het eigenlijk. Zeurderig, als om mij te tarten. Ik kon geen melodie ontdekken. Ik begon zo lang mogelijk onder water te zwemmen om zijn zeurderige, piep-piep-kreun niet te hoeven horen, maar dit putte me uit.
Toen ik keerde, omhoogkwam en het chloorwater uit mijn ogen wreef, zag ik hem recht op me af komen met zijn aandoenlijke, maar genadeloze rugslag. Als je biljartballen maar lang genoeg de gelegenheid geeft, zullen ze elkaar raken, al zijn ze daar helemaal niet op uit.
Ik koos voor schoolslag. Hij leek al neuriënd en kreunend mij te willen overrompelen, achteruit in zijn kuiken-rugslag, maar ik liet me niet kennen. Toen zijn hoofd recht voor me was, hij bood me zijn hoofd op een presenteerblaadje aan, en ik zijn oude armen voor de laatste keer door de lucht zag zwaaien, zette ik mijn handen op zijn knokige schouders en duwde hem met mijn volle gewicht net zo lang onder tot hij niet meer bewoog.

Topdag

De wonderen van LSD

Mede dankzij de miraculeuze oudewijvenzomer behaalde uw schrijfprostitué op het Museumplein gistermiddag een omzetstijging van 150 procent ten opzichte van vrijdag (waarop ik eigenlijk helemaal geen omzet had mogen behalen wegens de Global Climate Strike, maar dat terzijde). Zeker, ik ben nog enige omzetstijgingen verwijderd van een huis aan de Rivièra (niet de Amsterdamse), maar dan nog. Vijfenzeventig (75) boules! Met krap drie uur tijpen!
De dag begon goed met twee punky meisjes uit Chicago, de een broodmager met een neuspiercing, de ander botermollig met paars haar, die geïnteresseerd waren in een haatbrief. Eerst wilde de botermollige dat ik de brief zou toespitsen op haar baas, maar toen zei ze: ik heb liever een algemene brief, die me helpt als de nood hoog is. Ik tijpte er op los terwijl de Chicagoans geld gingen pinnen bij de Albert Heijn. Mijn brief kon haar goedkeuring wegdragen. Very good, this, zei ze, by way of catharsis.
Ondertussen hadden vier ouwe hippies uit Kansas City, drie vrouwen en een man, die net uit het Van Gogh kwamen, mij al zitten bestuderen vanaf het schuine grasveldje achter me. Een vrouw wilde dat ik een liefdesbrief schreef aan haar man, die thuis zat met zijn hond, een rolmops, and he likes to do acid. Die aspecten stopte ik in de brief. Hij werd geaccepteerd. Maar de broer van de man in het gezelschap verdiende ook een brief; hij werkte zo hard en was zo geestig – misschien was in hem een standupper verloren gegaan. Dus ik schreef een brief aan die broer, dat ik zo van hem hield, met de toevoeging, je zult wel denken, this coming out of Amsterdam, dat ik totaal gedrogeerd ben, maar dat is niet zo. Ik meen dit.
En nog was mijn topdag niet voorbij, want een charmant-verlegen haar tanden bloot glimlachende vrouw in spijkerbroek, met grote, smekende ogen, uit het oosten des lands, bestelde een excuusbrief. Ze had gedoe met haar ouders gehad en wilde het goedmaken, want ja, ze hield toch echt wel van ze. Mijn eerste Nederlandse cliënt! Zou het dan echt zo kunnen zijn dat onder al die jongens en meisjes van de koude grond, afstammend van boeren, geen gevoel voor drama, de liefde bespottend, enzovoorts, hier en daar warempel een exemplaar zit dat geporteerd is van, zoals een vriend mijn kommersjele proposietsie beschreef, een stukje ge-outsourcete emotie?

Écrivain public



Mijn eerste optreden als straatschrijver op een zonovergoten Museumplein gistermiddag was onmogelijk een daverend succes te noemen, dat zou te ver gaan gezien de omzet van €31 in drie uur, dat is amper minimumloon en dan heb ik de kosten (poster, briefpapier, tijplint) nog niet verdisconteerd, maar het was toch een alleszins, nou ja, interessant experiment.
Een stel jongens dat niet anders dan tuig kon worden omschreven, werd aangetrokken door het woord hatemail op mijn poster. Ze stonden lacherig om me heen. Gast, dus: kanker? vroeg de brutaalste, met een ontroerende plaatjesbeugel, kanker dit kanker dat? Ja, dat ook, zei ik, maar dan beter. Met kanker ben je er nog niet, hekelen is een kunst. Dat gaat je geld kosten, maat! riep een vriend van de gebeugelde. Ze maakten dat ze wegkwamen. Daarna keerden ze terug, ze verveelden zich en dat van die hatemail bleef ze fascineren, misschien toch ook wel gecombineerd met mijn tijpmachine, zou ik willen denken.
Hou je van je moeder? schreeuwde ik tegen de brutaalste. Eh... ja, zei hij, beduusd. Waarom stuur je haar dan geen brief? En weg waren ze weer.
Van de drie klanten die de God van het Massatoerisme mijn kant op stuurde is Eileen me het best bijgebleven. Deze meisjesachtige, muze-achtige, sprankelend doorleefde Canadese vijftiger zag me aan voor Mark Twain. Sinds vijf maanden was ze hondsverliefd was op haar Max, nu op zakenreis in Polen, en wilde hem verrassen met een door een vakman getijpt epistel op luxe papier.
Ah! dacht ik, eindelijk iemand die mijn kommersjele proposietsie begrijpt! Ik meende een brok in haar keel te bespeuren, een klein waasje voor haar ogen, toen ze het resultaat, inclusief Novalis citaat, onder ogen kreeg.

Mocht u de straatschrijver willen uitproberen, en u heeft nog wat centen over, haast u dan zondag om 12 uur naar het Museumplein. Dan sta ik er – insjallah, deo volente en bez'rat hashem – wederom.

Rouw

Gerhard Richter: Kerze

Nadat de walging was weggeëbt, was ik in de rouw. Gisteravond, toen ik alleen met de kinderen at, heb ik een kaarsje aangestoken voor de vermoorde advocaat te Buitenveldert. De woorden 'vermoorde advocaat te Buitenveldert' had ik niet graag willen gebruiken en bedenken, maar het was niet anders. Ik zei tegen mijn kinderen dat de weduwe van de vermoorde advocaat er nu misschien ook wel zo bij zat, met haar twee schoolgaande kinderen.
Alles hetzelfde en alles voor altijd anders.
Een afgehakte kop voor een café, een brandende auto bij De Telegraaf, de liquidatie van een misdaadblogger, het 'laten slapen' van de broer van de kroongetuige, een mortiergranaat naar de rechtbank, het dreigen met het 'laten slapen' van een officier van justitie... What's next? Het opblazen van het ministerie? Hier raken we niet alleen aan de grenzen van de rechtsstaat maar ook aan de grenzen van de redelijkheid; oftewel, we betreden het terrein van de waanzin. In zo'n context valt beter te begrijpen waar de zo vermaledijde 'war on drugs' vandaan komt. Alles legaliseren dan maar om de woekerwinsten uit maffiose handen te slaan?
Ik rouw niet alleen om de vermoorde advocaat, die nota bene Redouan Taghi zou kunnen hebben bijgestaan als die zou zijn opgepakt (de strafpleiter schijnt nogal principieel te zijn geweest in zijn verdediging van het recht op rechtsbijstand en dat siert hem) en de rechtsstaat, die weer een beetje minder soeverein lijkt, maar ook en vooral om mijn eigen lef.
Als mensen in alle vroegte voor hun huis worden doodgeschoten omdat ze dingen zeggen of schrijven die iemand anders onwelgevallig zijn, als mensen puur door hun associatie met iets of iemand anders 'fair game' zijn, dan heeft dit repercussies voor iedereen die de free flow of information lief is, iedereen die iets probeert te doen dat boven zijn eigen straatje uitstijgt. Ik weet niet meer wat ik durf te schrijven.

Drieëndertigste werkdag



Mijn drieëndertigste werkdag bij de oud-bibliothecaresse – ze leeft nog! ze is gestopt met roken! ze is happy in het zorgcentrum! – was anders dan de vorige tweeëndertig, want deze werd betaald, en zoals u weet kom ik gratis en voor niets mijn bed niet meer uit. Sinds ik aan de grond zit ben ik een keiharde kapitalist.
Ik had nog een oude belofte uitstaan om haar een zonsondergang te laten bijwonen in Bloemendaal aan Zee.
Het werd een dagje aan het strand in Castricum aan Zee. De zonsondergang moet wachten.
Naar het strand met een 87 jarige. Hoe dan? Nou, door de octogenarian van de rolstoel af te wentelen op de passagiersstoel van de familiewagen, de rolstoel in de achterbak op te vouwen en het gaspedaal van voornoemde wagen in te drukken. Het reisje erheen vond ze al heerlijk. Dat was het ook. De dag hiervoor had het nog twaalf uur aan een stuk gemiezerd en nu scheen de zon alsof hij iets in te halen had.
Parkeren op de gehandicaptenplaats dicht bij de strandtent bleek geen optie, want deze gezelschapsheer (laat hieronder weten als u ook naar het strand wenst voor €20 ex BTW per uur) is nog niet in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart. De rolstoel met inhoud van de parkeerplek  omhoogtrekken de duinen in, ook al was het over een stalen spoor, was pittig.
'Als ik je nu loslaat, dan...,' hijgde ik.
'Ja,' zei zij.
'Maar niet loslaten dan.'
'Nee.'
Toen ik de strandrolstoel die ik had gereserveerd aan haar liet zien, zei ze: 'Godverdomme!' Het is ook een groot ding. Van Duitse makelij. Hij voldoet uitstekend, het is alleen een misverstand te denken dat die grote luchtbanden heel makkelijk door het rulle zand gaan.
Toen we in de strandstoelen zaten en de nazomerwind in onze gezichten lieten blazen, zei ze: 'Heerlijk.' Maar al vrij snel wilde ze opstaan.
'Waar ga je naar toe?'
'Lopen.'
En verdomd, ze liep, weliswaar aan mijn arm, van de strandstoel naar het water. Vervolgens zei ze: 'Ik kan niet meer.' We liepen weer terug. Dit herhaalde zich enkele malen. Een keer haalden we natte poten, maar dat vond ze niet erg. Wie bang is voor natte poten heeft op het strand niets te zoeken.
Het schoot nog door mijn hoofd dat het een mooi einde zou wezen, misschien met wat tranquillizers achter de kiezen, om aan de hand van een jongeman naar de horizon door te lopen.