21. Zijn ledematen hadden afgedaan.


In het ziekenhuis met de nieuwerwetse naam had hij opnieuw een slakkendroom. In plaats van te dromen hoe zijn heilige huis werd overwoekerd door miljoenen slijmerige ongewervelden, droomde hij nu dat een roze reuzenslak, hard als een opgebolde spier, zich door de openstaande terrasdeuren naar binnen werkte, in een slijmerige baan over de plavuizen voortkroop en Lidwina, die in de living met de stereo bezig was, van achteren, over haar rug, over haar hoofd, over haar gezicht, inkapselde, overweldigde, smoorde. Dat was het: ze werd gesmoord. Waarom had hij daar niet eerder aan gedacht? 'Wat valt er te lachen,' had de boertige verpleegster gevraagd, die hem 's ochtends ontbijt bracht. Onvlee zei dat hij een binnenpretje had. 'Was u degene met dat late bezoek? U mag vandaag weer naar huis. Dan mag u fijn thuis oudjaar vieren. Als u zich maar aan het nieuwe regime houdt.' Alweer had deze opmerking een smirk gebracht op zijn gezicht, een ander woord was er niet voor, iets tussen een grijns en een glimlach in, maar dan met een smalende kwaliteit. 'Wordt u opgehaald?' Onvlee knikte, wat pijn deed, maar spreken deed ook pijn. Alles deed pijn. En dan het verschrikkelijkste: de elektrische stoel. Natuurlijk was het een stoel die van alle gemakken was voorzien, die zich geluidloos voortbewoog, maar toch. Hij had niets meer aan zijn ledematen. Zijn ledematen hadden afgedaan. Hij had alleen nog maar zijn romp. En zijn kop. En zijn mond. Hij was een slak geworden.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten