18. Een nieuw plan




'Waar zijn jouw vriendinnen eigenlijk gebleven?' vroeg Onvlee, nadat Lidwina – geen keukenprinses – het kerstdiner (Palestijnse olijfoliesoep van de KSF, risotto funghi, kaneelijs met mandarijntjes toe) met hem had doorgenomen. 'Ik zie ze nooit meer.' Het was een pijnlijk onderwerp voor Lidwina, die trots was op haar schare vriendinnen, die ooit de deur plat liepen, maar sinds Onvlees ongeneeslijkheid het schandelijk lieten afweten. 'Je hebt toch nog wel een alleenstaande vriendin, die we kunnen uitnodigen?' drong Onvlee aan. 'Kom hoe heet ze?' Lidwina schudde haar hoofd. 'Je bent veel te laat. Iedereen is al geboekt. Bovendien, jij práát niet met mijn vriendinnen, jij gaapt ze alleen maar aan. Dat vinden ze niet fijn. Ik geloof zelfs dat ze je een beetje eng vinden.' 'Sinds mijn ongeneeslijkheid?' brieste Onvlee. 'Wat is dat voor kul? Sinds mijn ongeneeslijkheid ben ik juist volstrekt onschadelijk!' In de stilte die volgde drong de paradox van die laatste bewering tot hem door. Zijn ongeneeslijkheid had hem immers allerminst onschadelijk gemaakt, had hem wellicht schadelijker gemaakt dan hij ooit in zijn leven was geweest. Zeker nu hij een nieuw plan had. Een strak plan. Een plan dat alleen uit de koker van een architect, een architect met brille, had kunnen komen. Doorberekend, uitgemeten, afgevinkt. Het ontwerpen van een freak accident viel nog niet mee, maar wat hij nu had bedacht moest hem worden. Het was een race tegen de klok, en zijn conditie werkte niet bepaald mee, maar hij verheugde zich.