11. Alles werd week



Hij stelde voor om samen in bad te gaan. Zij had nog wat tegengestribbeld, want dat bad was van haar, daar had zij het alleenrecht op, en de weelde van het baden kwam volgens haar solitair toch het best tot zijn recht, maar uiteindelijk had ze toegestemd. Dus daar baadden ze: schubloze, vinloze wezens. Het bad was groot genoeg voor hen beiden, zonder elkaar aan te hoeven raken, maar Prisco raakte Lidwina aan. Met zijn uitgestrekte tenen, zijn uitgestrekte vingers. Zijn elleboog schampte haar wreef. Hij werd helemaal week. Zij werd helemaal week. 'Misschien is de mens helemaal geen landdier,' had hij gezegd. 'Het droge is niets voor hem, hij heeft onderdompeling nodig.' Zij vond dat een mooie, zij het vermoedelijk onjuiste gedachte. En toen zij hem eindelijk, hij dacht dat het nooit zou gebeuren, streelde, over het weinige haar dat hij nog had, voelde hij zich langzaam vloeibaar worden. Hij huilde. Hij deed dat wel vaker maar altijd alleen, in de mediaroom, omdat hij haar niet wilde belasten met zijn verdriet, maar nu was er geen houden aan. Zijn leed kwam als een oerkracht naar buiten. Vocht op vocht. Een fontein in het badwater. Alles werd week. En alsof dat nog niet verschrikkelijk genoeg was, zwelde langzaam de klaagzang van een walvis aan, laag, met af en toe een piepje, als een vertraagd afgespeelde langspeelplaat die hij al jaren niet meer had gehoord, onheilspellend, ijzingwekkend en troostrijk tegelijk.