4. Einladung

Gottfried 'Dr. Rasta' Otomandu schudt zijn hoofd – zo lang en zo nadrukkelijk, dat zijn dreadlocks de molen met Ansichtkaarten (à N$ 1), met fletse afbeeldingen van het goede oude Swakopmund – het Kaiserliches Bezirksgericht, Hotel Eberwein, de Hansa Brauerei – licht doen tollen. Magdalena schiet tevoorschijn om te voorkomen dat de hele kaartenmolen omvalt. 'Nein,' bast Otomandu ten overvloede door de muisstille winkel. 'Hier is sprake van een misverstand. Ik kom geen boeken afrekenen die ik eerder besteld of geleverd heb. Ik kom een ander soort schuld aflossen. Een levensschuld. Een schuld voor de kansen die ik heb gekregen in mijn leven. Als u geen boeken had verkocht in Swakopmund, had ik als kind niet gelezen. Als ik niet als kind had gelezen, was ik nooit behoorlijk naar school gegaan. Als ik niet behoorlijk naar school was gegaan, had ik niet kunnen studeren aan de Uni. Als ik niet aan de Uni had kunnen studeren, was ik nooit in Luebeck beland. Als ik niet in Luebeck was beland had ik mij nooit kunnen verheugen in hagelwitte onderdanen.' Magdalena is al vroeg in deze kettingredenering, zogenaamd om thee te zetten, terug naar achter gegaan. Ludowitz kijkt Otomandu ondertussen vanachter de toonbank glazig aan. Hij luistert maar half naar wat hij zegt, hij is gefascineerd door de lippen, de grote, dikke lippen van deze zelfverklaarde dominee, en zijn roze tong. Het laatste dat hij opvangt, in vragende vorm, is het woord Einladung. Waarvoor wil hij Ludowitz precies uitnodigen? 'Voor een maaltijd. Een maaltijd in Mondesa. In mijn ouderlijk huis in de township, om precies te zijn.' Otomandu wacht het antwoord niet af. Zelfverzekerd swingt hij naar de uitgang. Voordat hij de winkeldeur opent, wat een oud belletje vermoeid zal doen rinkelen, zegt hij: 'Ik kom je bij zonsondergang halen. Vind je het goed als we elkaar duzen? Grüß Gott!'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten