9. Wezenstein dacht aan Rotterdam, en prees zich gelukkig dat hij in New York was.


Wezenstein baande zich een weg door een haag verveeld kijkende bike rental-bordomhooghouders en crashte op een heuvel in Central Park, omdat hij vond dat hij dat wel verdiend had. Ook de grote veroorzaker van slaap, of de veroorzaker van grote slaap, het was maar hoe men het bekeek, had af en toe slaap nodig. Bovendien was hij erachter gekomen dat hij in liggende houding, met gesloten ogen, tot de helderste gedachtenstroom kwam. De kunstenaar vlijde neer onder een cipres, zette zijn zware hoornen bril af, wreef in zijn ogen, en liet zich voorzichtig achterovervallen in een bed van dorre naalden. De vogels floten, maar het waren mussen. De eekhoorns trippelden, maar het waren squirrels. Wezenstein dacht aan Rotterdam, en prees zich gelukkig dat hij in New York was. Over twee dagen zou hij pas weer aan de bak zijn. Twee dagen hoefde hij niets te doen, behalve wat formulieren invullen voor de hoge dames & heren Subsidieverschaffers. En eten natuurlijk. Hij verheugde zich op zijn bezoek aan het driesterrenrestaurant aan de andere kant van het park vanavond. Ook dat bezoek had hij verdiend, vond hij. Rotterdam had geen driesterrenrestaurants. Het had één tweesterrenrestaurant, en drie éénsterrestaurants. Julius Wezenstein had lang genoeg op een houtje moeten bijten voordat het leven voor hem een aanvang nam.