4. Een wandelend lijk.


Midden in de nacht wordt Groeninx van Zoelen wakker, met zijn kleren, en het licht, nog aan. Zijn mooie blonde haartjes zitten helemaal door de war. 1984 is op de grond gevallen. In de deuropening verschijnt een lange, magere man. De magere man heeft grijze stoppels, en uitstekende jukbeenderen en diepe oogkassen. Een wandelend lijk. Hij lacht. 'Goed dat je er bent, Frédéric,' zegt hij, schor. 'Waar was u?' vraagt Groeninx van Zoelen, 'waarom heeft u me niet ontvangen?' De magere man schudt zijn hoofd. 'Het is beter zo. Dat zul je vanzelf zien. Is er nog iets dat je wil weten?' Nu schudt Groeninx van Zoelen zijn hoofd. Hij hoeft niets te weten. Voorzover hij niet alles weet, kunnen deze lacunes later, op een andere manier worden gevuld. Voordat de magere man de deur weer achter zich dichttrekt zegt hij: 'Ik ga nu weg. Je zult me voorlopig niet zien. Ik zal jou wel zien. Ik zal elke stap zien die je zet. Als je een stap zet die mij niet bevalt, grijp ik in. Maar het liefst laat ik alles aan jou over. Het liefst had ik je nu ook laten slapen. Dit soort arrangementen vereist subordinatie, discretie, minimale disruptie. Dat begrijp jij ook wel. Wij kennen elkaar niet. Wij hebben elkaar nooit ontmoet. Dit is nooit gebeurd. Dit huis bestaat niet eens.'