Honderd verhalen in honderd dagen: 100. Het privérestaurant




Met de opbrengst van de verkoop van zijn monumentale herenhuis, waar hij vijfendertig jaar had gewoond, besloot Johan Eerdmans na enig wikken en wegen zijn favoriete restaurant in de stad over te nemen en het appartement erboven te betrekken. Hij hoefde dan eindelijk niet meer elke avond te bedenken wat hij ging eten, en waar, laat staan boodschappen te doen en af te ruimen en meer van dat soort prozaïsche handelingen, waarvoor hij zich eigenlijk te oud voelde. Hij hoefde alleen maar voorzichtig de trap af te schuifelen, aan tafel te gaan zitten en aan het eind van de avond weer omhoog te klauteren.

Het zou mooi zijn, had hij bedacht, als hij dan ook nog af en toe iemand te spreken kreeg.

Dan kon hij dat voor die dag ook afvinken.

Johan Eerdmans’ eenzaamheid was geen gewone eenzaamheid; het was niet zo dat hij elk menselijk contact, al was het maar het Poolse echtpaar dat sinds jaar en dag bij hem schoonmaakte of de man die de wifi kwam fixen, aangreep om zijn verhaal te doen. Eigenlijk had hij aan boeken genoeg, zo bleek na de dood van zijn vrouw nu twaalf jaar geleden. Toch miste hij nu en dan een gesprekspartner, iemand die hem weerwoord gaf, die het niet met hem eens was – liefst een vrouw trouwens, maar ook een vermogend man kon niet te kieskeurig zijn.

Zijn restaurant lag goed verstopt in een vergrijsde woonwijk aan de rand van de stad. Er werd goed gekookt, maar uiteindelijk ging het Eerdmans om de sfeer. Er hing een ondefinieerbare opwinding rondom de permanent wisselende student-obers en de lichte chaos in de open keuken. Eerdmans had het gevoel dat er elke avond iets opmerkelijks kon gebeuren, al kon hij niet zeggen wat. Het gevoel was belangrijker dan de daadwerkelijke invulling.

Afgezien van de luxe nooit meer te hoeven reserveren, te bestellen of te betalen, was Joosje een niet onbelangrijke factor voor Eerdmans om zich als horeca-ondernemer te manifesteren. Voor deze restaurantmanager had hij een zwak gehad vanaf het moment dat hij het restaurant ontdekte. Niet dat hij zich wijsmaakte dat hij door de nieuwe eigenaar te worden, zich ook een nieuwe echtgenote had verworven – ze was zesenveertig jaar jonger dan hij– , maar het vooruitzicht haar dikwijls te zien en te zien werken, maakte hem op een kinderlijke manier gelukkig.

Sinds de dood van zijn vrouw kwam Eerdmans erachter dat hij geen vrienden had. Eerdmans had iedereen overleefd, behalve zijn broer Renger, die leed aan Alzheimer en die irritant met zijn kaakgewrichten knapte. Eerdmans bezocht hem een keer per maand op de gesloten afdeling en deed dan net alsof hij mee-at, totdat hij merkte dat Renger hem niet eens aankeek en alleen maar bromgeluiden maakte naar de grond. Toen had Eerdmans zijn hand op de schouder van zijn broer gelegd met de woorden: ‘Hou je taai, jongen. Ik zie je.’

Een van de weinige dingen die Eerdmans veranderde was de naam van zijn restaurant. Die luidde Zut , ooit gegeven door Antoine, de kogelronde Vlaamse kok die zijn sporen had verdiend bij sterrententen maar nu alweer jaren deed waar hij zin in had, zoals hij zelf zei. De langzaam gegaarde buikspek met boudin noir was in zijn zoetzoute knapperigheid zo troostrijk dat Eerdmans hem wel elke avond kon eten. Zijn desserts waren legendarisch, die zorgden voor kleine ontploffingen op de tong.

Eerdmans doopte zijn restaurant Mandelbrot. Niet alleen deed hem dat denken aan amandelen en brood, maar ook en vooral aan fractalen, de kronkelige, zichzelf herhalende oneindigheden, lang geleden door Benoît Mandelbrot ontdekt.

Geen modern kunstwerk, meende Eerdmans, die lang geleden een galerie had bestierd in een straat vol galerieën, kon tippen aan deze mysterieuze, imperfect-perfecte, duizelingwekkende structuren.

‘Joosje, ik wil graag dat je op de achtermuur een afbeelding van een Julia Set ophangt,’ zei hij.

Schoorvoetend was ze ermee akkoord gegaan. ‘Ik weet het niet hoor, die wormgaten van jou –.

‘Fractalen,’ hapte Eerdmans.

‘Misschien neem je ze wat te, eh, serieus.’

Plagerig, vanonder zijn nog altijd imposante haardos, zocht Eerdmans haar lieve, aansprekende ogen.

‘Jij bent de baas.’

‘Hm-hm.’

Eerdmans had nog één andere nieuwigheid in petto. Hij wilde dat Joosje elke week een disgenoot voor hem regelde. ‘Alles op mijn rekening uiteraard.’

Hij zag haar nadenken. Ze veegde een haarlok uit haar licht besproette gezicht, keek hem geamuseerd aan en vroeg: ‘Als mijn vriendinnen geweest zijn, en de afwasploeg heeft ook een keer met de excentrieke eigenaar gedineerd, moet ik dan iemand van straat pikken?’


‘Wat jij wil,’ glimlachte Eerdmans. ‘Verras me.’



De eerste eter die Joosje die maandag voor Eerdmans had geregeld, was haar buurvrouw Welmoed de Rooij, een alleenstaande moeder van negenveertig met op beide armen ingewikkelde tatoeages (ze droeg een mouwloos topje om een en ander te etaleren). ‘Mijn dochter heeft een opleiding tot tatoeerder gevolgd, we hebben een shop op het oog in de stad, maar de concurrentie is op dit moment moordend.’


Eerdmans knikte. Hij behoorde tot de school volgens welke alleen zeelieden en Maori’s een excuus hadden zichzelf met inkt te impregneren, maar hij was stiekem ook gefascineerd door de kennelijke behoefte om het lichaam blijvend te bewerken.
Toen Welmoed hem begon uit te horen over zijn huwelijken – hij had er drie overleefd – kapte hij haar af en zei: ‘Sorry, maar ik ben niet uit op een relatie. Zelfs niet op seks.’


Dit laatste was niet helemaal waar, hij had wel degelijk, zijn oude penis als een zachte, zwartgeworden banaan in zijn hand, gefantaseerd over Joosje, maar hij maakte zich tegelijkertijd geen illusies.


De avond was verpest. Zelfs Welmoeds verhaal over hoe ze werd vastgehouden door ELN-rebellen in Colombia en pas vrij werd gelaten toen haar dochter onder dwang ‘ELN forever’ boven haar billen tatoeëerde, kon Eerdmans niet meer boeien.


De tweede gast die Eerdmans een week later aan zijn tafeltje vond was een lange, gesoigneerde man van een jaar of zeventig, in pak, met permanent opgetrokken wenkbrauwen en een spotlachje rond zijn mond. Hij had zijn servet al op schoot toen hij binnenkwam en was nu zijn bestek recht aan het leggen. Telkens als hij zijn mes goed dacht te hebben neergelegd, moest de positie van de vork worden aangepast, en omgekeerd, ad infinitum.


Traag liet Eerdmans zich in zijn stoel helpen.Met wie heb ik vanavond de eer? Nee. Wacht. Zeg maar niets. Knowledge ruins the appetite.’


De gast van vanavond leek aangenaam verrast door de uitspraak. ‘Wie zei dat, als ik vragen mag?’


‘Ik. Johan Eerdmans, adagium-automaat.’


Het voorgerecht werd geserveerd. Eerdmans vroeg zich af of de man die tegenover hem zat gay was, maar dacht er meteen achteraan: en dan? Hij bleek in elk geval overtuigd vegetariër, zweerde bij natuurwijn en bezat uitstekende tafelmanieren.


‘Tafelmanieren is iets,’ dacht Eerdmans. ‘Het is niet genoeg, maar het is iets.’


De avond kabbelde voort. Politieke koetjes en culturele kalfjes passeerden de revue. Bij het toetje, Antoines hemelse met amaretto overgoten sticky toffee cake, verontschuldigde de man zich dat hij naar huis moest om verder te werken aan zijn roman.


Nu was het Eerdmans beurt om zijn wenkbrauwen te fronsen. ’U schrijft romans?’


‘Ik ben romancier,’ verklaarde de man koket, zijn hoofd lichtjes kantelend.


Hij noemde wat titels, sommige van zijn boeken waren genomineerd voor literaire prijzen, maar Eerdmans las al jaren geen hedendaagse literatuur meer, alleen klassiekers. ‘Ik heb niet meer zoveel tijd, ziet u. En ik ben een beetje te laat begonnen, mijn vrouwen maakten mij het lezen onmogelijk.’


De man stortte zich op het toetje. Eerdmans' woorden ‘mijn vrouwen’ leken zijn interesse in het etentje definitief te hebben verdampt.


Waar was Joosje? Eerdmans keek bijna in paniek om zich heen. Hij verheugde zich op haar gezicht, dat, hoe vermoeid ook, niets aan beminnelijkheid inboette. Hij had haar nodig. Ze was toch niet ziek?


‘Ik heb nog een vraag voor u,’ zei de romanschrijver. ‘Staat u mij toe? Misschien vindt u de vraag impertinent.’

Eerdmans nam een slok water en grinnikte. ‘Ik vind een vraag zelden impertinent. U gaat mijn antwoord zeker in uw roman verwerken.’


‘U bent niet snel beledigd?’


Eerdmans schudde zijn hoofd, een keer. Dat was inderdaad een van de dingen waaraan hij enige eigenaarde ontleende: hij kon zich niet herinneren zich ooit beledigd te hebben gevoeld, behalve misschien jaren geleden toen Renger, bij diens afscheid als vooruitstrevend gevangenisdirecteur, aan iedereen die het horen wilde vertelde dat zijn oudere broer niets voorstelde, nooit iets had voorgesteld. ‘Het enige waartoe Johan in staat is, is teren op de erfenis van papa.’ Maar hij, Renger, was dan ook behoorlijk aangeschoten geweest.


De romancier haalde zijn servet van zijn schoot en begon omstandig zijn mondhoeken te poetsen. Toen hij daarmee klaar was, zei hij, met die geaffecteerde stem van hem: ‘Hoe zou u liever willen sterven, als een licht dat langzaam dimt, of zichzelf in een keer uitschakelt?’



‘En?’ vroeg Joosje de volgende avond, toen Eerdmans aan de bar zijn vaste glas cognac ingeschonken kreeg terwijl Joosje de kas opmaakte. ‘Was het gezellig?’


‘Een beleefde man. Goede manieren.’


‘Daar hou je toch van?’


‘Zeker, maar voor een geanimeerd gesprek heb je nog meer nodig.’ Eerdmans tuitte zijn oude, dunne lippen en nam een piepklein slokje. ‘Wat, dat is helaas niet zo makkelijk te zeggen.’


‘Je moet in de stemming zijn.’


‘Ik geloof niet dat ik in de stemming was.’


‘Het spijt me.’ Joosje keek op van haar computerscherm en staarde in de verte. ‘Die romancier is een oom van mij. Hij schrijft. Jij leest. Ik had gehoopt dat jullie het met elkaar konden vinden.’


‘Misschien ga ik wat van hem lezen.’


Eerdmans trommelde met zijn magere vingers op de toog. De zegelring die hij droeg was eigenlijk te groot geworden, hij draaide voortdurend naar beneden.


‘Heb je al iemand voor volgende week?’ Hij keek Joosje hoopvol aan. Hij hoopte dat ze niemand had en in plaats daarvan zelf de honneurs waar zou nemen. 


‘Ik zit er bovenop. Het wordt in elk geval geen persoon die uit is op je nalatenschap of levensverhaal.’


‘Dat wordt nog lastig.’


Joosje sloeg geruststellend haar ogen neer.


‘Is de omzet gedaald sinds de naamsverandering of lijkt dat maar zo?’ Niet dat zulke dingen hem werkelijk bezighielden – hij had het financiële management uitbesteed –,  en trouwens, ook bij teleurstellende resultaten kon hij het nog wel even uitzingen.


‘Nee hoor,’ zei Joosje, met een lachrimpel rond haar ogen die hij niet helemaal kon duiden. ‘Hoezo?’


‘Het restaurant lijkt leger dan gewoonlijk… Misschien zet de naam ze op het verkeerde been.’


Die avond, toen hij zoals gebruikelijk om half acht binnenkwam in Mandelbrot, zag hij Joosje aan zijn tafel zitten. Niet in haar normale werktenue, maar in een fleurig jurkje met zangvogels erop dat hem aan een Franse boerendochter deed denken, op wie hij in zijn jeugd, toen hij op kostschool zat in Bordeaux, hopeloos verliefd was geweest. Zijn wrakke hart maakte een sprongetje, waardoor hij zowat buiten adem raakte. Er stond een rollator voor hem klaar maar die weigerde hij te gebruiken.


‘Ah, meneer de restaurateur,’ zei Joosje, terwijl ze opstond om hem in zijn stoel te helpen.


‘Ik heb er zin in… Wat drink je?’


‘Gewoon, de Pesquié, ik wil je niet op kosten jagen. Bovendien, ik blijf niet zo lang.’


‘Ik doe met je mee.’ Eerdmans hoefde zo’n zin alleen maar te fluisteren, of zijn wens werd vervuld. Alsof de sommelier zijn gedachten kon lezen. Een van de leukste dingen van een eigen restaurant was het mogen bepalen van de huiswijn. Hij had over de vaucluse nog geen klachten ontvangen.


‘Eten wij vanavond samen?’


Hij wilde niet gretig klinken, maar ook niet onverschillig. Misschien zat de gretigheid in de woordkeus.


Joosje grinnikte in haar wijnglas. Je gast van vanavond is wat later. Hij kan elk moment worden gebracht.’


Eerdmans roffelde met zijn perkamenten vingertoppen op de tafelrand. De spanning stijgt…’ Hij bekeek haar zoals hij vroeger een schilderij taxeerde. Wat maakte Joosje zo aanbiddelijk? Dat was moeilijk te zeggen. Ze was geen natural beauty. Ze was klein van stuk, tenger, had geen gave tanden. Haar geprononceerde neus zou in de weg hebben gezeten als hij haar probeerde te kussen. Misschien, bedacht Eerdmans, lag het toch aan die verraderlijke, jongensachtige twinkeling in haar ogen.

Eerdmans was niet de enige die Joosjes aantrekkingskracht was opgevallen. Aan het eind van haar dienst kwamen mannen en vrouwen, de meeste in de vijftig, niet altijd ongebonden, een afzakkertje drinken, maar het leed geen twijfel dat het hen uitsluitend te doen was om haar. Ze verlangden tevergeefs, want Joosje had iemand naar het scheen (alhoewel niemand die iemand ooit te zien had gekregen), maar dat kon die aanbidders weinig schelen. 


‘Daar zul je hem hebben,’ haalde Joosje hem uit zijn gedachtentrein. ‘Ogen dicht, dat vergroot het effect.’


Eerdmans gehoorzaamde.


Daar zat hij dan, de man op hoge leeftijd, die zich bijna alles kon veroorloven, zolang zijn lichaam, dat nochtans in goede staat verkeerde (afgezien van zijn moeizame tred en enkele zwakke functies) en zijn enigszins verdofte geest het toelieten.


Gerommel van stoelen die opzij werden geduwd en de zacht dwingende stem van een verzorger. Het zal me benieuwen, dacht Eerdmans, maar toen zijn disgenoot eindelijk tegenover hem was geïnstalleerd, met behulp van Joosje, en hij zijn ogen mocht openen, mocht het hem eigenlijk niet verbazen om zijn broer tegenover hem aan te treffen. Zijn onmiskenbare knappende kaakgewrichten hadden hem verraden.


‘Ach kijk nou toch. Renger.’ Eerdmans deed geen poging zijn teleurstelling te verbergen. Hij keek op naar Joosje, met een blik van waarom doe je me dit aan, maar meteen daarna susten zijn oogleden nou ja, dat kon je ook niet weten, laat ik er maar het beste van maken.


Renger, onderuitgezakt, kromme rug, op zijn lippen het schuim der opwinding, keek Eerdmans niet aan. Hij was afgeleid door Joosje. Vanaf het moment dat hij binnen was gebracht, was hij volkomen gebiologeerd. Als een roofdier zocht hij de ruimte af naar haar verschijning. Waar mensen als Eerdmans vooral gecharmeerd waren van Joosjes ‘je m’en fou’-achtige uitstraling, haar stoere, brutale oogopslag, en haar cynische optimisme, raakte zijn seniele broer niet uitgekeken op haar decolleté. Joosje had weinig boezem, maar ze droeg vrijwel elke avond laag uitgesneden topjes, of bloesjes met een of twee knoopjes te veel open. Hoewel haar borsten meer op schelpen leken dan op artisjokken (zo had ze ze zelf eens omschreven) ging er van haar blote hals een uitnodiging uit die Renger niet bij machte was louter esthetisch, of als prettig randverschijnsel, op te vatten. Hij scheen te denken dat zij het liefste wilde dat hij haar de nek omdraaide, of overlaadde met schuimbek-kussen; mogelijk in die volgorde.


Als horecadier was Joosje wel wat gewend. Toch voelde ze zich duidelijk niet op haar gemak.


‘Eerdmans en Eerdmans!’ riep Eerdmans, overdreven articulerend, nam een slok wijn en keek om zich heen. Het restaurant was vrijwel leeg. Heel even werd de Eerdmans tegenover hem afgeleid door het roepen van zijn naam. Lui richtte hij een halfopen oog op degene die zojuist geluid had gemaakt, om daarna onmiddellijk weer de jacht op Joosje te hervatten. Voor de zekerheid had ze zich verdekt opgesteld in de keuken.


Toen de jonge, bebaarde ober het eerste gerecht omstandig begon toe te lichten, onderbrak Eerdmans hem met de woorden: ‘Misschien wil je alle gerechten tegelijk uitserveren, dat vinden wij fijn. Net als vroeger.’ Renger reageerde niet, hij roerde met zijn vinger in het halfvolle wijnglas dat Joosje had laten staan; haar lippenstift zat nog op de rand.


De ober verdween, even later stond de hele tafel vol eten.


Renger stortte zich op de arancini, gefrituurde risottoballetjes met een scherpe mayonaisesaus erbij. Toen die op waren, keek hij verwachtingsvol naar Eerdmans, als een hond die hoopt te worden uitgelaten. Eerdmans liet nog een bakje arancini aanrukken, en nog een. Zelf kreeg hij nauwelijks zijn flinterdunne carpaccio door de keel.


Waar moesten ze het over hebben? Zijn broer en hij leefden in volmaakt verschillende werelden, dat hadden ze altijd gedaan. Toen Renger nog goed was, toonde hij zich een pragmatische bedrijfsleider. Eerdmans hechtte meer belang aan een beschaafd leven waarin kunst en cultuur centraal stonden. Voor Renger was wat Johan belangrijk vond franje; en omgekeerd. Hij herinnerde zich eens gekscherend bij een verjaardagstoast te hebben opgemerkt dat de enige cultuur die zijn broer opsnoof bestond uit de lucht van rotte vis dobberend in de haven waar zijn zeilscheepje lag.


Een erg lang uur later verscheen Joosje aan hun tafeltje. Eerdmans haalde diep adem door zijn neus, het einde leek nabij.

‘Alles naar wens?’ Ze had een sigaret gerookt, rook Eerdmans. Zelfs dat dodemansparfum paste haar goed.


‘Ik denk dat mijn broer graag naar huis wil.’ Eerdmans knikte naar Joosje. ‘Het is mooi geweest.’


Renger leunde naar voren, hij leek op te staan, maar hij stond niet op, hij leunde alleen naar voren, zijn zitvlak kwam van de stoel, zijn romp steunde op de rand van de tafel, en hij boog over de borden met eten heen met zijn verwrongen skelet. Zijn mond opende zich voor de arancini-bolletjes die vrijwel ongewijzigd, dat wil zeggen, zo goed als onverteerd, een uitweg zochten, ze maakten onderdeel uit van een soep, een arancini-soep, een gerecht dat nog nog niet op Mandelbrots menu stond, en die soep werd, onder luid, angstaanjagend gebrul, in een vrijwel rechte lijn op Eerdmans afgevuurd. In een reflex deinsde de restauranthouder naar achter, waarbij hij met stoel en al achterover viel.