17. In de donkerte van de manuscripten (slot)


Er was niet veel voor nodig om Radeks witte linnen pak te veranderen in lompen. Radek had een zwak voor lompen. Als geboren proletariër voelde hij zich thuis in lompen. Onkwetsbaar, onaanraakbaar. De beschaving bij de life coach, een beschaving die geen beschaving bleek te zijn, maar een laag fineer over beschavingloosheid, leek een eeuwigheid geleden. Het enige wat hij miste, bedacht hij zich, terwijl hij zijn voorhoofd weer begon te voelen, en zich afvroeg of de inhoud van zijn pet al een gang naar de naamloze soepwinkel in Zizkov rechtvaardigde, waren Jitka's borsten. Het liefst had hij Jitka's borsten van haar lichaam afgeschroefd, afgewipt, of afgesneden, gecoupeerd zeg maar, zoals je een hond coupeert, ze voorzichtig in een ziplock bag gestopt en meegenomen naar zijn geheime slaapplaats in het Kafka-museum aan de overkant van de rivier, maar er was niets van overgebleven. Gelukkig functioneerde de slaapplaats nog na zijn afwezigheid. Radek was bang geweest dat een concurrerende onaanraakbare hem had ingepikt, maar dat bleek niet zo te zijn. De concurrerende onaanraakbaren hadden ook geen zwijgzame overeenkomst met het vrouwtje bij de ingang, zoals hij, dacht hij. Elke dag, vlak voor sluitingstijd, glipte hij naar binnen en hield zich daar tot de volgende ochtend verscholen in de donkerte van de manuscripten. Hij sliep nota bene in het veldbed dat zogenaamd aan K. had toebehoord. Radek geloofde daar niets van, maar het veldbed was er niet minder comfortabel om. Toen hij overwoog zich uit zijn verkrampte houding te verheffen, voelde hij iets hards neerkomen op de achterkant van zijn schedel, iets keihards, iets zo hards dat het alles, dus ook zijn schedel, dat leed geen twijfel, zou verbrijzelen. Spijtig, was Radeks laatste gedachte, want die werd hem nog gegund, dat het zo moest eindigen.