15. Tot wie je bidt


Nadat Honza diverse exhibities van Jitka's foezelarij met haar nieuwe project Radek Z. had mogen bijwonen, nu eens staand, dan weer half op de keukentafel, en tenslotte op de grond, voor zijn voeten, zodat hij onmogelijk zijn teneergeslagen blik kon afwenden, alleen zijn ogen sluiten voor het tafereel, wat hij uiteindelijk ook deed, werkte hij zich met zijn stok omhoog uit zijn luie stoel en zei: 'Ik ga naar de kerk.' Jitka sprong overeind, gleed haar roze trainingspak strak, keek op haar iPad en zag dat het al tegen twaalven liep. 'Ja, ga jij maar lekker naar de kerk, lieve Honza. Kerkbezoek zal je goed doen. Probeer te onthouden waar de preek over ging, dat vind ik interessant om te horen.' En tegen Radek, die half versuft van al het foezelen uitgestrekt op de parketvloer lag: 'Vind je dat niet schattig, Honza gaat nog steeds naar de kerk. Of ik moet zeggen: wéér naar de kerk. Hij ging ook al naar de kerk in de jaren veertig, als tiener, totdat de communisten een eind maakte aan die kerk en er een parkeergarage van maakten voor stadsbussen. Nu is het heilig huis weer in orde gemaakt, de stadsbussen zijn verdwenen en kan Honza eindelijk weer bidden tot –' ze onderbrak zichzelf, zoals zo vaak, en sprak ook wat harder, omdat ze zich nu weer tot de oude richtte, '– tot wie bid je ook al weer?' 'Dat gaat je niks aan,' antwoordde Honza. 'Dat gaat me ook niets aan,' bond ze onmiddellijk in, 'je hebt gelijk, als er iets privé is dan is het tot wie je bidt.' Honza stiefelde om Radeks lichaam heen; daarbij met de hak van zijn gepoetste schoen een stukje van een parmantig over het parket gedrapeerde pink meepakkend. Iets langer dan noodzakelijk leek de hak op het velletje te blijven staan, toen Jitka haar man zijn hoed op zette, maar Radek gaf geen kik.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten