14. Ondervraging


Eindelijk ging Honza wat zeggen. Hij richtte, nog altijd zonder op te kijken, zijn wandelstok op Radek. 'Kan hij wat? Wat kan hij?' 'Ja, lieve Radek, wat kan jij?' nam Jitka de ondervraging van haar man over, maar voordat de ondervraagde had kunnen antwoorden, onderbrak ze zichzelf, haar snuitje zelfverzekerd in de lucht. 'Wacht eens, wat doet het ertoe? Moet hij iets kunnen? Het is misschien beter als hij niets kan. Zo heb ik hem aangenomen. Als een mislukkeling. Een man zonder vaardigheden. Zonder geschiedenis. Zonder betrekkingen, in alle betekenissen van dat woord. Stel voor dat hij iets kon – ik noem maar wat, pantomimen, wat zou het? Ik taal niet naar pantomime. Het enige waaraan ik behoefte heb is foezelen, en op dat terrein, lieve Honza, voldoet hij uitstekend, dat heb ik gisteravond tot in den treure mogen vaststellen. Jammer dat je er niet bij kon zijn, dat je niet op tijd terug was van het dagverblijf.' Het duurde even eer Honza weer iets zei. Hij schudde zijn hoofd niet, hij schudde zijn wandelstok bij wijze van afkeuring. 'Foezelen betekent niets. Foezelen is geen vaardigheid. Met foezelen bereik je niets in het leven.' 'Dat is nu juist waar wij van mening verschillen, lieve Honza. Dat is precies wat ik je al duizend jaar, althans zo voelt het, probeer duidelijk te maken. Er is zoiets als foezelen, het is van levensbelang, en jij kunt het niet, hebt het nooit gekund, en zult het nooit kunnen, zoveel is zeker.'

Geen opmerkingen:

Een reactie posten